Calvijn over de Heilige Schrift
„Wanneer wij de Schrift eenmaal Godvrezend met haar waarde omhelsd hebben als vallende buiten de gewone orde". (I. 8. 1).
Indien iemand zich een oordeel aangaande de Heilige Schrift wil aanmatigen, dient hij zich dit woord van Calvijn voor ogen te houden : n. l., dat haar waarde buiten de gewone orde valt.
„Aangezien geen dagelijkse Godspraken uit de hemel gegeven worden, en alleen de Schriften bestaan, door welke het de Heere goedgedacht heeft Zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven, bezit de Schrift door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat ze uit de hemel is voortgekomen, evenalsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden". (I. 7. 1).
De nadruk op het geloof kan hier vertolken, wat Calvijn bedoelt, als hij spreekt van buiten de gewone orde. Het geloof omhelst de Schrift als de levende stem Gods. Daarom heeft zij voor de gelovige volledig gezag, maar ook het geloof alleen verstaat die waarde der Schrift.
Calvijn verplaatst ons in de orde des geloofs, zijnde buiten de gewone orde. De Heilige Geest alleen werkt dat geloof en ontdekt de mens aan de hemelse oorsprong van de Schrift en haar goddelijke waarheid. Hij bedoelt volstrekt niet, dat de Bijbel uit de hemel is gevallen, want de Heilige Geest is de Auteur der Schrift.
Hij acht het een verderfelijke dwaling te menen, dat de Schrift slechts zoveel betekenis heeft als haar door het oordeel der kerk wordt toegestaan, alsof de eeuwige en onaantastbare waarheid Gods op het oordeel van mensen steunde !
„Aan welk een spotternij der goddelozen wordt ons geloof prijs gegeven, en in hoe grote verdenking wordt het bij een ieder gebracht, wanneer men gelooft, dat het, door weldaad van mensen, niet anders dan een van willekeur afhankelijk gezag heeft ? " (I. 7. 4).
De Schrift is ouder dan de kerk, zodat haar zekerheid van de wil der kerk niet kan afhangen. Maar omdat de kerk erkent, dat de Schrift de waarheid van God is, vereert zij haar zonder dralen, gelijk de plicht van haar vroomheid haar voorschrijft. (I. 7. 2.)
Wij moeten vasthouden, dat de geloofwaardigheid der leer niet eerder bevestigd wordt, dan wanneer wij er zonder twijfel van overtuigd zijn, dat God haar grondvester is. Daarom wordt het hoogste bewijs van de waarheid der Schrift overal ontleend aan de Persoon Gods, die in haar spreekt. (I. 1. 7. 4).
Dit moet dus onveranderlijk vastgesteld blijven, dat zij, die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de Schrift, en dat deze haar geloofwaardigheid in zich zelf heeft, en niet onderworpen mag worden aan bewijsvoering en redenering, en dat ze niettemin de zekerheid, die ze bij ons verdient te hebben, door het getuigenis des Geestes verkrijgt. Want ook al verwerft zij zich zelf door haar eigen Majesteit eerbied, zo grijpt ze ons eerst dan ernstig aan, wanneer ze door de Geest in onze harten verzegeld is. Door diens kracht dus verlicht, geloven wij niet meer op grond van ons eigen of anderer oordeel, dat de Schrift van God is : maar boven het menselijk oordeel uit, stellen wij als zekerder dan zeker vast (even alsof wij daar de Godheid van God zelf aanschouwden), dat zij door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zelf tot ons gekomen is.
Geen bewijzen, geen waarschijnlijkheden zoeken wij, waarop ons oordeel zou kunnen rusten ; maar wij onderwerpen ons oordeel en inzicht als aan een zaak, die gelegen is buiten de onzekere kans, welke een beoordeling biedt. (I. 7. 5).
Wij hebben Calvijn merendeels zelf aan het woord gelaten om uiteen te zetten, wat hij bedoelt met : buiten de gewone orde.
Duidelijk is dan ook zijn conclusie : „Indien deze zekerheid, die hoger en sterker is dan elk menselijk oordeel, niet aanwezig is, zal het gezag der Schrift tevergeefs door bewijzen worden verdedigd......." (I. 8. 1).
Het kan niet overbodig zijn in onze dagen de stem van deze onverdachte Schrifttheoloog nog eens te laten horen, omdat het goddelijk gezag der Heilige Schrift in onze tijd door menselijke beschouwingen en redeneringen niet zelden verduisterd wordt, zelfs door mensen, die voor orthodox willen doorgaan.
Indien wij ons rekenschap gegeven hebben van Calvijn's leer, behoeft het geen vraag te zijn, of hij in onze dagen van Schriftcritiek mogelijk anders zou spreken. Het „buiten de gewone orde" is nog onverminderd van kracht.
Het „natuurlijk" verstand is niet bevoegd om over het gezag en de waarde der Heilige Schrift te oordelen, gelijk het ook niet bij machte is van de scheppende en openbarende daad Gods een begrip te vormen, dat met de zaak overeenkomt en daaraan recht zou doen. Dit alles raakt aan de geestelijke dingen, die de „natuurlijke" mens voorbij glijden. Hij is dan ook haastelijk geneigd „nieuwe en verzonnen godsdiensten uit te denken", zoals Calvijn opmerkt. (I. 6. 3). Men mene ook niet, dat de Hervormer onbekend was met velerlei tegenwerpingen tegen het gezag der Heilige Schrift, noch ook, dat deze in de grond der zaak zozeer verschillend waren van de argumenten, welke nog steeds daartegen worden aangevoerd.
Eén ding moet voor allen duidelijk zijn, dat dezelfde gronden, waarop Calvijn bewijzen en redeneringen van mensen om het goddelijk gezag te willen bevestigen , afwijst en vergeefs noemt, ook afdoende zijn om menselijke redeneringen en bewijzen tegen het goddelijk gezag vergeefs en ijdel te heten.
Dat apostelen en profeten mensen zijn geweest en in menselijke voorstellingen en woorden hebben gesproken, is voor Calvijn geen onbekende zaak geweest: maar hij getuigt in het geloof : door de dienst van mensen heeft Gods eigen mond gesproken.
En wie zal zich nu aanmatigen om te zeggen en niet alleen te zeggen, maar aan te tonen, dat Calvijn zich vergist heeft! Dat zijn geloof een vals geloof was en niet uit de Heilige Geest ?
Wie zal voorts kunnen aantonen, dat de Schrift niet door de dienst van mensen van Gods eigen mond zelf tot ons gekomen is ?
Tegen het geloof van Calvijn en van allen, die met hem het goddelijk gezag der Heilige Schrift op grond van het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest belijden, kan iemand zijn ongeloof zetten en zeggen, dat hij zulk een getuigenis in zijn hart niet gevoelt.
Maar geen mens is bij machte om de waarheid van zulk een getuigenis in het hart van de belijder te onderzoeken of te ontkennen. Dat bedoelt Calvijn, als hij spreekt van buiten de gewone orde.
Het werk van de Heilige Geest in de harten der mensenkinderen is ten enenmale verborgen en onttrekt zich aan de onderzoekingen van de menselijke rede.
Uit diezelfde grond kan ook niemand het werk des Heiligen Geestes in de profeten tot een voorwerp van verstandelijk onderzoek en critiek maken. Dat sluit derhalve in, dat men ook het recht mist om te beweren, dat wij in de Heilige Schrift slechts een menselijk getuigenis omtrent de Godsopenbaring hebben, hetwelk in meerdere of mindere mate de Waarheid Gods benaderen zou, maar als zodanig geen aanspraak zou kunnen maken op Goddelijk gezag, zodat wij daarin geen goddelijke waarheden zouden omhelzen.
Als het geloof belijdt, dat de Schrift door de dienst van mensen van Gods eigen mond zelf tot ons is gekomen, belijdt het, dat wij in de Schrift niet slechts een menselijk getuigenis omtrent een openbaringsgeschieden, maar Gods getuigenis in menselijke gestalte hebben.
En nu ligt het voor de hand, dat een mens naar zijn verstand over dat menselijke der gestalte kan oordelen, maar dat de zaak, de Goddelijke waarheid, hem ontgaat, tenzij hij door de Heilige Geest wordt onderwezen.
De kentekenen ontbreken dan ook niet, om te mogen aannemen, dat ook de critische geesten, die zich met de Heilige Schrift bezig houden, van haar verborgenheid enig besef hebben, wijl zij niet ontkennen, dat zij als orgaan der Godsopenbaring werkt en velen toch zoeken haar op enige wijze, zij het onder velerlei restricties, als Gods Woord te waarderen.
De Schriftcritiek, voor zover zij het goddelijk gezag in het geding brengt, richt zich dan ook met name tegen de z. g. leer ener mechanische inspiratie, derhalve tegen een menselijke leer, waaruit zij dan weer discussieert over een opvatting der Schrift naar de letter en de geest.
In feite wordt met dit al een menselijke maatstaf aangelegd om het goddelijk gezag te betwisten. Menselijke beoordelin gen van wereldbeeld en geschiedbeschrijving worden tot toetsnaald gemaakt van de goddelijke waarheid.
Allerminst willen wij een menselijke leer ener mechanische of enige andere leer omtrent de inspiratie verdedigen, omdat wij dan in dezelfde fout van de critische beoordelaar zouden vervallen en menselijke maatstaven aanleggen ter beoordeling van goddelijke zaken.
Het voornaamste bezwaar tegen de critiek is dan ook, dat zij naar ons oordeel niet critisch genoeg is en zich niet bewust blijft, dat de theoretische rede over de goddelijke zaken buiten de openbaring om niet bevoegd is. Ook een leer der inspiratie vergeet dat, wijl het werk des Heiligen Geestes niet onder de controle van ons verstand valt. Ook de theologen hebben zich daarbij niet binnen de perken van het verstand gehouden.
Daarmede worden echter ook de conclusies, welke op die menselijke redeneringen worden gebouwd, tot een illusie.
Het geloof echter staat in het werk des Heiligen Geestes, is daarvan een vrucht, en als Calvijn, die zich van een leer der inspiratie wijselijk onthouden heeft, opmerkt, dat God altijd gezorgd heeft, dat de Heilige Schrift in het geloof als Gods Woord werd aanvaard en bewaard, dan geeft hij daarmede tevens te kennen, dat de Godsopenbaring en het geloof in die openbaring innerlijk verknocht zijn in het werk des Heiligen Geestes.
Het gaat er ganselijk niet om, of er velen of weinigen zijn, die door het geloof bij dat werk betrokken zijn, noch ook of dat geloof betrokken is op wat Calvijn noemt de algemene leer der Schrift, dan wel op de zaligmakende genade in Christus Jezus.
Het gaat om het feit, dat God Zijn Woord in deze wereld heeft gezet door de dienst van mensen en dat Hij een gemeente onderhoudt, die dat Woord als Zijn Woord bewaart en er uit leeft.
Een feit, hetwelk zich op allerlei wijze en in allerlei vormen in de historie zichtbaar en tastbaar doet constateren en zich in die vormen aan het menselijk waarnemen en oordelen onderwerpt.
De Heilige Schrift met al de theologische en overige wetenschappelijke arbeid, welke daarmede is verbonden, de kerk met haar geschiedenis en wat daarmede weer saamhangt, en voorts de religie in al haar verschijningsvormen mitsgaders alle wijsgerige en wetenschappelijke arbeid, welk dit verschijnsel teweeg heeft gebracht. Dit alles is er om het feit der Godsopenbaring onbetwistbaar zeker te doen spreken.
Wij kunnen dit alles beoordelen naar de vooronderstellingen van ons natuurlijk verstand, of trachten te verstaan in het licht der openbaring, maar geen mens zal de weg en het werk van de Heilige Geest kunnen doorgronden, of ook maar in een begrip vermogen te vatten, om de eenvoudige reden, dat dit buiten de gewone orde van ons verstand valt.
Wie dit niet in acht neemt, loopt ernstig gevaar zich schuldig te maken aan hoon van de Heihge Geest, om een uitdrukking van Calvijn te bezigen.
Er is en er blijft naast de eerbied voor Gods Woord, welke het algemeen besef van God eist, geen andere grond voor de goddelijke autoriteit van de Heilige Schrift over dan het getuigenis in onze harten, dat zij uit Gods mond ons toekomt.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's