De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Gemeenschap met de belijdenis der vaderen”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Gemeenschap met de belijdenis der vaderen”

of „In overeenstemming met”

7 minuten leestijd

Dr. Dokter schrijft over deze aangelegenheid in „In de Waagschaal" van 13 Jan '50 en tracht op sommige punten de voorstanders van de formulering : „in overeenstemming met" uit de tent te lokken.

„De definitie (n.l. „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen"), wordt door een kleine, maar geestelijk krachtige minderheid der Hervormde Kerk beslist afgewezen. Deze stroming is beducht, dat deze definitie niet de koers tot het hart der belijdenis markeert, maar veeleer van de belijdenis afvoert. Zij wil het zelf stringenter formuleren door te spreken van „in overeenstemming met de belijdenis der Kerk". Zij heeft daarbij de feitelijkheid voor ogen, dat sommigen, die zich ingenomen tonen met de formulering „in gemeenschap met", op cardinale punten van de belijdenis der vaderen afwijken.

„Met het oog op deze feitelijkheid laat zij zich niet geruststellen door de verzekering, dat „in gemeenschap met", het andere , „in overeenstemming met" in zich besluit".

Tot zover dr. Dokter en voor zover hij ook ons op het oog mag hebben, zouden wij op deze passage nog willen aantekenen, dat dezerzijds bij de Synode werd aangedrongen op een zodanige redactie van art. X van het ontwerp-kerkorde, dat de erkenning van de belijdenis der vaderen, als nog altijd zijnde de belijdenis der kerk, daarin zou worden opgenomen. En inderdaad is dezerzijds ook op kerkelijke binding aan de belijdenis aangedrongen.

Het blijkt overigens, dat ook dr. D. bezwaar heeft tegen de formulering „in overstemming met", als „deze geïnterpreteerd moet worden gelijk de voorstellers het doen, dat wij namelijk in alle stukken van de leer precies hetzelfde moeten zeggen, als de belijdenisgeschriften". (Wij cursiveren).

Het bezwaar dezerzijds tegen de uitdrukking „in gemeenschap met" wordt daardoor nog een onderstreept en men kan het ons moeilijk euvel duiden, dat wij ons niet laten „geruststellen" door de verzekering, dat de uitdrukking „in gemeenschap met" de meergenoemde andere zou insluiten.

Doch nu de zo even gecursiveerde zinsnede ! De daarin gegeven voorstelling geeft duidelijk te kennen, dat de schrijver geen heldere voorstelling heeft van wat bedoeld is met het begrip : de belijdenis der kerk. Dit moge ook blijken, als hij zijn standpunt mede wil verdedigen door te wijzen op het feit, dat de kerk aan haar (wij cursiveren) belijdenis is „ontzonken".

Dit feit moet o.i. vóor alles bekeken worden in het licht van de ontwikkeling der theologie, welke een weg heeft gevolgd, die niet werd bepaald door de regel des geloofs, gelijk deze door de belijdenis der kerk is aangewezen. Bij de „ontzinking" aan haar belijdenis heeft de kerk van heden ook daarin nog een reden te meer om zich allereerst voor ogen te stellen, dat zij nog een belijdenis heeft, welke ontsproot aan de kracht van een wereldoverwinnend geloof. Daardoor heeft die belijdenis een normatieve waarde, welke de aan haar „ontzonken" kerk meer dan ooit nodig heeft, als zij zich rekenschap wil geven van haar geloof.

De schrijver spreekt in zijn artikel ook over „het hart der belijdenis". Dat is het nu juist. Het hart van de belijdenis ligt in het Schriftgeloof der vaderen. (Vgl. art. 2—7 Ned. Geloofsbelijdenis).

Het gaat niet over onfeilbaarheid der belijdenisgeschriften. Het gaat er over, of zij met de enige regel des geloofs overeenstemmen. De waardering der Heilige Schrift, zoals het geloof, dat in de belijdenisgeschriften aan het woord is, daarvan confessie doet, sluit in — dat gravamina, welke zich op de regel des geloofs beroepen en door de kerk juist worden bevonden, herziening van het aangelegen punt ten gevolge moeten hebben.

Dr. D. wil niet onderstellen, dat dezerzijds de mogelijkheid van het inbrengen van gravamina slechts theoretisch zou gesteld worden en dat binding aan de belijdenis der kerk zou worden gevraagd, terwijl ook in eigen kring de mening heerst, „dat de kerk heden in sommige opzichten anders moet spreken, laat het zijn op ondergeschikte punten, dan de kerk in de 16e en 17e eeuw....."

Wij willen op deze vage wijze van uitdrukken, die ook voor verschillende uitlegging vatbaar is, geen zout leggen. Maar laat mij het dan wat duidelijker zeggen : dat de kerk van heden met de belijdenis der vaderen op sommige punten niet kan instemmen en deze in die opzichten niet als haar belijdenis — neen, als belijdenis der Kerk, kan aanvaarden.

Het is niet de zaak, of wij heden wat anders zouden moeten spreken, maar het gaat er om, of de vaderen het op enig punt mis hebben gehad, niet in het geloof der Kerk, dat is het geloof der Schtiften, stonden, maar zich ten onrechte op die regel des geloofs hebben beroepen.

Dr. D. zou het onwaardig vinden en gebruikt nog heel andere woorden, indien men beginnen moet met de belijdenis letterlijk te aanvaarden, terwijl bekend is, dat op sommige punten Gods Woord anders spreekt dan de belijdenis.

Hij kan dat echter niet aannemen en meent te moeten aannemen, dat die stroming „geen gravamina kan erkennen". Daarom zou hij menen, dat het de duidelijkheid der situatie zou bevorderen, als zij verklaarde : „Wij hebben de overtuiging, dat alles wat de belijdenis zegt in alle opzichten Schriftuurlijk is".

Het zou mogelijk nuttig kunnen zijn, als de schrijver zich eens wilde herinneren, wat in de „critische beschouwingen"' van de Ned. Geloofsbelijdenis door prof. Sevenster werd opgemerkt naar aanleiding van het Schriftgeloof der belijdenis. Wij hebben de tekst thans niet ter beschikking en zouden e-mente moeten citeren. Hij zal dan echter kunnen opmerken, dat de belijdenis van de artikelen 3—7 beslissend is voor geheel de belijdenis.

Wij menen, dat de situatie daardoor duidelijk gekenmerkt is.

Wat dr. D. opmerkt in zijn „Theologisch Intermezzo" kan intussen illustreren, dat het criterium tussen orthodox en vrijzinnig blijkbaar voor velen niet duidelijk is, hoewel dat ongetwijfeld door prof. Sevenster duidelijk is aangegeven. Het schijnt, dat velen van mening zijn de belijdenis van art. 2—7 der Ned. Gel. Belijdenis te kunnen verwerpen en een geheel andere waardering van de Heilige Schrift te kunnen aanhangen en toch nog aanspraak te kunnen doen gelden op de naam orthodox.

Op dit centrale punt verstaan vrijzinnigen en gereformeerden elkander. De vrijzinnige aanvaardt de gereformeerde belijdenis aangaande de Heilige Schrift niet, terwijl hij oog heeft voor de consequenties van het gereformeerd Schriftgeloof voor geheel de belijdenis.

Het behoeft geen betoog, dat het vrijzinnig standpunt ten aanzien van de waardering der Heilige Schrift ook zijn gevolgen heeft voor de waardering van de overige inhoud der belijdenis.

Wij willen thans de geschiedenis van het quia (omdat) en quatenus (in zoverre) niet ophalen. Doch wij geloven, dat de belijdenis der Formulieren nog altijd aanspraak maakt op erkenning, omdat zij overeenkomt met de leer der Heilige Schrift. (De Statuten van de Gereformeerde Bond en van de Confessionele Vereniging zijn in dit opzicht duidelijk genoeg om misverstand te kunnen voorkomen).

Indien de kerk op enig punt het tegendeel zou ontdekken, zou het qua tenus plotseling actueel worden, totdat herziening van dat aangelegen punt de overeenstemming met de regel des geloofs had tot stand gebracht.

Zolang dit niet van uit de belijdenis langs kerkelijke weg is geschied, draagt iedere afwijking van de belijdenis een individueel, zelfs individualistisch, karakter en ligt voor verantwoordelijkheid van de man, die daarin met het geloof der kerk niet overeenstemt. De belijdenis toch is het draagvlak van het kerkelijk geloof, omdat zij met de leer der Schrift overeenkomt.

Het hart der belijdenis, haar gezag en waarde, wordt nu eenmaal bepaald door haar overeenstemming met de Heilige Schrift, zijnde Gods Woord. Alleen zij, die de Heilige Schrift niet als de enige regel des geloofs aanvaarden, kunnen de kerkelijke waarde en betekenis der confessie zo niet erkennen.

Het centrale punt in de huidige situatie ligt derhalve in het Schriftgeloof der belijdenis. Deelt men dat Schriftgeloof, òf deelt men dat niet. En zo waarlijk de waarde der Heilige Schrift een zaak van buitengewone orde is, om met Calvijn te spreken, kunnen theoretische argumenten hier geen beslissing brengen.

Het is een zaak des geloofs, hetwelk geen ander, maar ook geen minder beroep heeft dan het beroep op het getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten, dat zij (de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments) van God zijn.

De auteur der Heilige Schrift wordt uit zijn eigen getuigenis gekend.

S.

(Erratum is gecorrigeerd in bovenstaande tekst. (zie melding in uitgave 02-02-1950)--Corr.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Gemeenschap met de belijdenis der vaderen”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's