De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gevoelige noten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gevoelige noten

4 minuten leestijd

Ds. G. heeft in een artikel: „Kerk en Kerkorde" (De Geref. Kerk van 26 Jan. '50) enige gevoelige noten gekraakt.

Hij gaat uit van de klacht, dat er in de kerk een soort doodsslaap en doodse onverschilligheid tegenover de kerkorde is.

Wij laten in het midden in hoeverre deze klacht gegrond is, en wat het „in de kerk" in deze zinsnede betekenen wil, om te constateren, dat de handelingen over het ontwerp kerkorde ten dele aan verschillende kanten zeer veel belangstelling wekken, maar dat daartegenover in de gemeente een lauwheid heerst.

Vooral dat laatste diende o.i. de aandacht der leiding te hebben en haar tot bedachtzaamheid te manen.

Immers, als ds. G. naar de oorzaken gaat vragen, stelt hij de vraag, „of het nieuwe leven, waarvan we in 't begin al spraken'', wel waarlijk in de gemeente wortelde — of het niet de aangelegenheid was van een bepaalde groep (niet bedoeld als richting) personen — of het niet teveel een zaak van boven af was". „Men zei: de kerk doet dit en dat, de kerk spreekt. Maar wie was de kerk ? De gemeente ? Het gemeentelid ? Neen, de Synode, Gemeenteopbouw, een raad of werkgroep"...... „Het nieuwe werk bleef meer het werk van de leiding der kerk en van Gemeente-opbouw, dan van de kerk, hoewel het dit laatste ontegenzeggelijk, wel enigermate was".

Zo tekent deze schrijver de distantie, welke zich allengs duidelijker openbaart tussen de leiding en de kerk. Wij zeggen duidelijker openbaart, want zij is er altijd geweest.

„De nieuwe koers stond heel ver van het leven en denken der gemeente af", constateert ds. G. en hij spreekt zelfs van een „felle tegenstelling". „Men zag het ontwerpkerkorde als product van en middel-voor de nieuwe koers". „En daarom werd men onverschillig, wantrouwend".

Al voortgaande en constaterende komt de schrijver tot de hoofdzaak: de belijdenis. „Men hoort de roep : „„Er zijn geen richtingen meer"" en krijgt de indruk, dat dit in de practijk bedoeld wordt als erkenning van alle richtingen". „Ook hieruit is, meen ik, de onverschilligheid der gemeente te verklaren".

En verder : „De „leiding" is reeds lang geen leiding meer. Daarvoor staat de gemeente veel te wantrouwend tegenover al wat van de kant van de leiding komt". En hij besluit : „De krachtige centrale leiding moet weg. Daarvoor is nu het ogenblik gekomen".

De leiding moge zich deze dingen voor gezegd houden. Het ogenblik gekomen — oordeelt ds. G. Ja, het is hoog tijd, dat de leiding zich rekenschap geeft van de situatie. Wil zij de heilloze gevolgen van het drijven ener nieuwe koers, waarin de gemeente haar niet volgen kan, nog voorkomen, dan is het hoog tijd om daarmede op te houden.

Want het is volstrekt niet overdreven, wat van de leiding is gezegd. En als er tekenen zijn, die het rechtvaardigen om van onverschilligheid, lauwheid, maar ook van zorg en weerstand in de gemeente te spreken, onderschatte de leiding de genoemde oorzaken niet.

Zij mene ook niet, dat een doorgezette, om niet te zeggen geforceerde invoering van het ontwerp-kerkorde, met wat daarmede saamhangt, uit kerkelijk oogpunt verantwoord mag heten. De huidige situatie kan alleen het tegendeel aantonen.

Daarom kan het zijn nut hebben, dat deze situatie-tekening nu eens van een andere kant wordt gegeven dan door de Gereformeerde Bond.

Het ontbreekt n.l. niet aan tekenen, die de indruk wekken, dat wat van de zijde van de Gereformeerde Bond wordt aangevoerd, reeds daarom wordt genegeerd en van de hand gewezen. Indien „De Gereformeerde Kerk" in deze stijl doorgaat, dreigt dit mogelijk ook haar.

Intussen verheugt het ons, dat ds. G. er op gewezen heeft, dat de nieuwe koers zo heel ver van het leven der kerk afstaat en dat de gemeente haar gang gaat.

Dat werpt over de „onverschilligheid" en „lauwheid" nog een ander licht en daarvoor mag de leiding niet onverschillig zijn. Zij kan de kerk geen geloof opdringen, hetwelk uit de bron van haar leven niet opwelt. Als zij dat doet, bereidt zij de weg voor een conflict met het geloof der kerk, waarin dat zijn onweerstaanbare kracht niet zal verloochenen. In de „lauwheid" der gemeente kan ook iets schuilen van de rust van die onverzettelijke kracht des geloofs in de zekerheid, dat geen macht ter wereld de gemeente van Christus kan beroven van haar geloof en belijdenis.

Wie de kerk wil leiden, kan zulk een conflict niet straffeloos voor zijn verantwoor­ding nemen.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Gevoelige noten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's