De Puritein van de Hertenpolder
37
IX.
De dominé, de moeder en de zonderling.
Mia is Janus achterop gegaan, toen zijn handeling haar alleen bevreemding kon wekken. Hij was zo inderhaast op de fiets gestapt door het zien van dat vreemde schouwspel, dat hij weg was, eer er een woord gewisseld kon worden.
Op de polderweg ontmoeten ze elkaar. Mia staat bij de fiets van Janus, die aan de slootkant ligt.
— Wat is er gaande geweest. Janus ? vraagt ze met angst in haar stem.
— Ik heb Aldert bezig gezien, Mia. Dat zal ik nooit meer vergeten ! antwoordt Janus. Dan legt hij haar uit, wat er gebeurd is.
— Ik was bezig met de kaanten te meie, toe ik opees een gebolder heurde uut de richting van Gieson. Eerst docht ik dâ ut peerd op hol was, mer al gauw zag 'k 't beter. Ik heurde zo'n aokluk geschrouw, dâ me d'r van iesde.
— En toen, Janus ?
Dan vertelt Janus de hele toedracht.
— Hij het 't veur mien opgenomen. Ik het 't alles zonder toelichting begrepe. Ik wis da Aldert ur al zo lang mee liep. Mer Gieson weet noe hoe ze 't opneme.
— Ja, maar Aldert vertegenwoordigt de polder niet. Hij is een eenling. Hij is de beste van allen. De meeste mensen horen naar Gieson en velen hebben er schik van.
— Lao wulie ons ur niet te veel van antrekke, Mia. Al is de leuge nog zo snel, de waorheid achterhaolt heur wel. A wie ons best doen en we zin goed mit ieder ; vurders mowwe 't overgeve.
— Wat een Aldert toch, Janus ! Hij is ook zeldzaam ontvankelijk voor de waarheid. Hij moge zijn wat hij wil, hij kent de massa en hij weet dat zij niet hoog staat, wat de rechtvaardigheid en het recht betreft. Ze mogen hem voor de onnozele houden en hij is ook niet zo als een ander, maar hij staat hierin veel hoger dan de mensen in 't algemeen, dat hij met de wolven in het bos niet meehuilt. Als zei hem een slecht ding vertellen van iemand, die hij kent en meer niet, doet hij eerst navraag bij de ingewijden, hoe zal hij dan staan tegenover de lasterpraat, die men spreekt van een goed vriend.
Aldert is een reuze jongen, maar hij is beter aangeduid als een christen, die zijn zwakheid kent.
— 't Is waor ; Gieson het ons bar veul kwaod gedaon en de minsen schrouwen over ons ; mer Mia, ons geluk zulle ze nie kunne kepot maoke, hé !
— Nee, Janus ! Ik ben veel te blij dat ik je heb.
— Kom dan mer veur op de stang zitte, zegt hij, dan fiets ik vlug mit joe naor huus. Janus slaat z'n been over 't zadel, als Mia goed en wel gezeten is. Hij kust haar in de gang weg en zij geeft hem zo vlug als vinkje een zoen weerom.
Ze zijn jong en geluklcig.
Hoe wreed gaat het toe in de wereld, dat zij als jonge mensen, zonder enige reden worden besmeurd en belasterd. Zij zijn vreugdig in hun jonkheid en gaan op de bergtoppen van het lieflijk leven. Zij ervaren het geluk van de lente des levens. Ook Gieson zal hen niet breken, gezien van toen af, dat hij 's zomers kwam hooien.
Janus heeft haar graag, en hij is een lust in haar ogen.
Soms, als hij druk is met het werk, is het net of hij een keer koel tegen haar is, maar 's avonds vertelt hij haar, dat hij er erg in heeft gehad.
— Jie òk, Mia ? vraagt hij dan.
— Ja, Janus, ik voelde het als een stroom koud water op m'n rug, zegt ze en ze geeft hem een kneep in de zij.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's