In korte trekken
HET HEILIGE JAAR en DE HEILIGE DEUR.
Met groot vertoon is enkele weken geleden te Rome het Heilige Jaar plechtig ingeluid. Ongetwijfeld is daaromtrent reeds éen en ander uit de dagbladen bekend geworden. In het bijzonder ook, dat de paus daarbij op indrukwekkende wijze de Heilige Deur in één van Rome's grote basilieken geopend heeft. Volgens een mededeling van prof. Berkouwer in een „Trouw"-artikel, ziet een R.K. schrijver in die deur een zinnebeeld, dat „in het heilige jaar een genadedeur openstaat, waardoor aan de gelovigen de intrede in de vrede van God wordt mogelijk gemaakt". Prof. B. stelt daarbij de vraag, of het niet-Roomsen wel mogelijk is deze symboliek te verstaan en de gedachte van een speciaal in diè tijd en op diè plaats werkzame genade te begrijpen.
Terecht, dunkt me. In ieder geval zijn we hier wel zeer ver verwijderd van de Bijbel, die van zulk een heilig jaar niets weet, maar wel de profetie kent van het jaar van het welbehagen des Heeren, die in Christus vervulling heeft gevonden. En de spanning met de Schrift is wel zeer groot, als men hoort, dat men althans dit jaar (volgend jaar wordt de bijzondere genade tot heel de wereld uitgebreid, als ik het goed begrepen heb) te Rome zal moeten zijn om daar de Jubileumaflaat van 1950, d.i. een kwijtschelding van tijdelijke strafschuld, te verwerven. Want de Heere leert ons in Zijn Woord, dat het geschieden zal, dat een ieder die de Naam des Heeren zal aanroepen, wáar dan ook, zal zalig worden. (Hand. 2 vs. 21). Dat heeft de Christus ook zelf aan de Samaritaanse vrouw geantwoord op haar vraag, waar men moest aanbidden : „de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid". (Joh. 4 vers 23).
Het laat zich denken, dat er van de plechtigheden, waarmede dit heilig jaar omgeven is, een suggestieve invloed uitgaat op hen, die daarvoor ontvankelijk zijn, maar het is mij onbegrijpelijk, dat Rome van dit jaar niet alleen een toekeer van de moede mensheid naar Christus verwacht, maar evenzeer de terugkeer naar de moederkerk van hen, die in de loop der tijden van haar zijn afgedwaald. Want men zou toch zeggen : dit heilig jaar en al wat er mee samenhangt, brengt nog weer eens duidelijk de tegenstelling tussen het roomse leersysteem en de Bijbel aan de dag. De genoemde zaken zijn immers geen „toevallige" uitwassen, maar hangen samen met de roomse opvatting van genade. Van genade, die niet daarin bestaat, dat God in vrijmachtig en souverein welbehagen Zijn aangezicht om Christus' wil in gunst tot de zondaar wendt, maar die wij ons — aldus Rome — als een stroom van bovennatuurlijke krachten hebben te denken, die de kerk heeft en waarover zij beschikt, die zij door haar genademiddelen uitdeelt en die zij dus ook kan onthouden, waartoe zij deuren kan openen en als het haar believen zou, ook gesloten houden.
Daarom staan we zo vreemd tegenover deze opening van de heilige deur en daarmede van het heilige jaar, waarvan het R.K. weekblad „De Linie" het volgende schreef :
„Het stille gezicht (van de paus n.l.) onder de myter, waarin de juwelen schitteren, is enigszins gespannen van een voor deze Opperpriester vreemde ontroering : het historisch moment van zijn pontificaat is aangebroken.
Zijn hand komt onder de drie meter lange mantel uit en zegent met bijzondere nadruk; de smaragd-ring schiet fel-groen uit. En langzaam, hoog boven de glanzen en kleuren, wordt hij voortgedragen.
Nooit leek hij zo verheven als nu, nooit bezat deze gestalte zulk een majesteit. Dit nam nog toe tijdens de plechtigheid die met zijn komst begonnen was. Hij was van zulk een rust, zulk een verinnigde aandacht, dat hij de ganse ruimte — al die duizenden bevoorrechten — iets meegaf van zijn eigen, blijvende ontroering, zijn eigen diep-stille vroomheid.
Later stond hij voor de Heilige Deur. En zijn kloppen klonk fel door de doodse stilte. Een harde klank van zuiver goud tegen brons. Driemaal die koude metaalklank. Maar het was nóg niet het hoogtepunt. Dat kwam toen de deur eindelijk met een krakend geluid losscheurde.
Er waren velen, die snikten. De Heilige Vader, weer naar de troon teruggekeerd, bleef onbewegelijk. Maar hij wist, zoals wij allen dit wisten : het genade-jaar was geopend. En onvergetelijk was dat laatste ogenblik voor allen, die dit mochten zien : toen hij met de kaars en het kruis neerknielde op deze heilige drempel en van ontroering nauwelijks hoorbaar het „Te Deum" inzette.
Toen trad hij langzaam de basiliek binnen. We hadden bijna geschreven : toen verliet hij ons — maar dat ware niet juist. Hij ging ons allen voor. Terwijl het koor juichend deze lofzang
overnam. „Te Deum confitemur........" Maar toch........ er ontstond een leegte. Hij was heengegaan. Door de „Deur der Gerechtigheid". Als eerste. Wij zullen hem volgen".
Deze gedachtenwereld blijve ons ook altijd vreemd. Want het „weten", waarvan hier sprake is, dunkt me, wezenlijk wat anders te zijn dan het geloof in Hem, voor Wien de poorten der gerechtigheid zich geopend hebben, toen Hij na Zijn Middelaarswerk volbracht te hebben, naar de hemel opvoer. Hij behoeft niet op een deur te kloppen om degenen, die Hem volgen, de intrede tot de vrede Gods mogelijk te maken. Hij is Zelf DE DEUR, in Wien een arm en ellendig zondaar, zonder tussenkomst van iemand anders en zonder enige eigen verdienste een toegang vindt tot de troon der genade.
Z.
H. H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's