HOE KOMT HET?
Uit wat oorzaak het verval en de breuk der Gereformeerde gezindheid ?
Ongeloof, zegt iemand. Eigengerechtigheid een ander. Mysticisme meent een derde. Letterknechterij een vierde. Dogmatisme een vijfde. Menselijke geleerdheid, een zesde. Ouderwetse ideeën, een zevende — en ga maar door, want het einde is er nog lang niet.
Het kan alles bij elkaar een rol spelen en mogelijk wel eens van pas zijn, maar merk eens op, hoe men op het terrein des geloofs en der theologie algemeen geneigd is de waarheid voor zijn eigen standpunt op te eisen, ja, hoe gaarne men zijn eigen standpunt als echt gereformeerd wil aanprijzen en zelfs bij voorkeur geloofwaardig wil maken door zijn tegenstander van ongereformeerdheid te beschuldigen. Dit streven kan zelfs worden waargenomen bij mensen, die de enige kerkelijke toetssteen der gereformeerde orthodoxie, n.l. de gereformeerde belijdenis, op fundamentele punten weerspreken.
Berust dit verschijnsel alleen op traditie ? Is men, op welke gronden of tengevolge van welke aanraking, met de traditie zo zeer onder de indruk van de kracht dier orthodoxie, of komen hierbij verborgen geestelijke werkingen in het geding, welke op het getuigenis der Waarheid zelf teruggaan ?
Wie zal de verborgenheid van de werkingen van Gods Woord en Geest in de wereld onderzoeken ?
Men spreekt ook in onze dagen wel over de Heilige Geest, maar alle werkingen des Geestes werken geen zaligmakend geloof.
Dat is zelfs in de kerk niet het geval. Er is geloof en geloof. En gelijk de aanschouwing van de werken Gods slechts weinigen tot het geloof in God de Schepper beweegt, zo werkt ook de prediking des Woords niet bij allen het geloof, dat de Christus als Borg en Middelaar omhelst. Calvijn laat niet na, telkens op deze dingen te wijzen en de gereformeerde orthodoxie weet dat heel goed, maar paart aan deze wetenschap niet altijd de gezindheid, welke een vrucht is van die vroomheid, welke aan het waarachtige geloof eigen is.
Daarin ligt een oorzaak van misvattingen en gedragingen, die buiten de weg vallen, welke ons naar de leer der Schriften gewezen wordt in de voortreffelijke onderwijzing van deze Hervormer, die van; geen andere regel des geloofs weten wil, dan van de Heilige Schrift, waarin hem zulk een klaar licht geschonken was.
Hoe anders spreekt Calvijn over de ware kerk dan velen in onze tijd en hoe beschaamt hij de mannen, die zich zelf een kerk bereiden als de enig ware, door zijn hartelijk streven naar de gemeenschap der kerken.
Wij horen in onze dagen van oecumenische bewegingen en dit gaat ook langs de gereformeerde kerken niet heen, zoals wij weten, en dat kan ook niet, want het geloof in de Christus der Schriften is oecumenisch.
Doch nu komt weer de vraag, hoe is het dan mogelijk, dat de gereformeerde gezindheid niet alleen kerkelijk gedaald is — wij blijven maar bij ons vaderland —, maar kerkelijk tegen elkander opstaat en elkander de ware kerk betwist ?
De ware kerk, de ware prediking, het ware geloof. Geen wonder, dat hiermede een allerbelangrijkst stuk, ja, het critische punt wordt aangeroerd. Wie in de kerkgeschiedenis enigermate thuis is, weet dan ook, dat het in de geschiedenis van kerk en dogma daarom telkens weer gaat.
Wij zien dat reeds in de tijd der apostelen. Denk aan de Nicolaïeten in Openb. 2 vs. 6 en 15 en aan de brief van Johannes : „Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren van ons niet". (1 Joh. 2 vs. 19). De apostel kenmerkt het geloof der kerk in onderscheiding van het ongeloof klaar en duidelijk door de belijdenis, dat Christus in het vlees gekomen is. (1 Joh. 4 vs. 2).
En het is opvallend, dat het moderne Christendom in brede kringen zich niet om de ware kerk, de ware prediking en het ware geloof bekommert, en de apostolische uitspraak niet ernstig als criterium neemt.
Dit drukt zwaar op de oecumenische beweging en verklaart de houding van de Schriftgelovige kerken jegens die beweging. Immers ook deze zoeken openbaring van de oecumenische kerk, maar op de basis van het ware, dat is Schriftuurlijke, geloof. De ware oecumenische kerk kan immers alleen oecumenisch verband van de ware kerk zijn.
Wij kunnen hier geen uiteenzetting geven van de betekenis, welke het streven naar de openbaring der ware kerk en haar zuiverhouding in de kerkhistorie heeft en wat daar verder mee gemoeid is. Ook in de reformatie ging het om de ware kerk en haar openbaring, om de ware prediking en het ware geloof.
En het behoeft ook niemand te verwonderen, dat juist de gereformeerde gezindheid dit stuk levend houdt, wijl zij de leer der prædestinatie als het hart der kerk aanmerkt — en niet ten onrechte.
Hoezeer de strijd om de ware kerk de machtigste stimulans mag heten tot voortdurende reformatie der kerk in haar openbaring, tot zuiverhouding van de leer en tot oefening van het waarachtig geloof naar de Schriften, blijkt in de voortdurende scheuring dier gezindheid door een heilloos separatisme, kerkisme en sectarisme, dat die reformatorische impuls ook tot een ontstellende deformatie kan voeren.
Daarin openbaart zich een ontsporing van het geloof, waardoor zelfs het oecumenisch karakter der gereformeerde gezindheid wordt overheerst en in stede van gemeenschap, haat en vijandschap vertoont tot smaad van de zaak des Heeren en veronachtzaming van de roeping der kerk in de wereld om een getuige te zijn van de Christus.
Velerlei zijn de oorzaken, die voorgangers en leidslieden telkens weer bewegen tot afscheiding en scheuring. Persoonlijke en politieke belangen spelen daarbij een rol en zij, die zich laten drijven tot zulke dingen, laten niet na hun houding met vroomklinkende en geestelijke argumenten aannemelijk te maken, ja, als door de eis der gehoorzaamheid aan Gods Woord geboden voor te stellen.
Altijd weer zijn er mensen te vinden, die ter goedertrouw en menende daarmede Gode een dienst te bewijzen en uit vrome zin volgen en offers brengen, zonder te beseffen, dat zij dwalen of ten prooi vallen aan misleiding.
Iemand moet eens gezegd hebben, dat afscheiding duivels is. Men zij voorzichtig met zulke algemene uitspraken. Maar — het kan onmogelijk goed zijn, dat het zoeken naar de ware kerk en haar zuiverhouding tot deformatie voert. En als het niet goed kan zijn, is het een kwaad en vindt het zijn oorzaak in ongerechtigheid — en niet in het waarachtig geloof.
Dat zal niemand kunnen weerspreken. Er is een spreekwijze: „Waar Christus Zijn kerk opricht, bouwt de Satan een synagoge" en de Heilige Schrift zegt, dat de Satan omgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden. Zij spreekt ook van wolven in de schaapskooi en van de Satan, die zich voordoet als een engel des lichts ! Dat zijn ontstellende dingen.
De Satan beloert en bestrijdt de kerk des Heeren en wie zal ontkennen, dat hij zich bijzonder verheugen moet in de verscheuring der kerk en haar deformatie ? Wie zal zijn toeleg ontdekken, want hij werkt in de duisternis ?
Wie zal ontkennen, dat hij ook vrome inblazingen gebruikt en vrome overwegingen misbruikt tot zijn doel ? De grote tegenstander van Christus en Zijn gemeente is een gevaar, waarmede wij in onze dagen, waarin de dæmonische machten schijnen losgebroken, veel te weinig ernst maken, hoewel wij door Schrift en belijdenis worden vermaand tegen de zonde, de duivel en de wereld te strijder!
Welk een tegenstelling als wij zien, dat de aardse machten zich verzamelen in de strijd, terwijl degenen, die Christus als hun Koning zeggen te eren, in onderlinge twist en naijver uiteenvallen en de gemeenschappelijke roeping in de militia Christi verzaken — en dat uit overwegingen, welke zij zoeken te rechtvaardigen als eis van gehoorzaamheid.
Het is ons niet te doen om personen te verwijten of te beschuldigen, doch wij vragen nogmaals, hoe kan dat zo zijn ? Waar ligt de dwaling in dit alles ? Waar worden de dingen scheef getrokken, schier onopgemerkt scheef getrokken, zodat men ter goedertrouw en als in onwetendheid kan dwalen — als het gaat om de ware kerk ? Dwaalt men mogelijk in het stuk der verkiezing ?
Zeker, de ware kerk is de kerk der uitverkorenen. Maar dat is een geestelijke grootheid en werkelijkheid, en voorwerp van geloof.
Het streven naar de openbaring der ware kerk en haar zuiverhouding kan zich echter nimmer richten op een kerk van enkel kinderen Gods. Wie dat nastreeft, betoont zich geen goede discipel van Christus in dit stuk, want niet de kerkzuiveraars, maar Christus vergadert Zijn gemeente door de prediking van Zijn Woord en de verborgen werking van Zijn Geest. De Heilige Schrift leert een andere zuiverhouding van de kerk op aarde: n.l. door de prediking en de kerkelijke tucht.
Is de gereformeerde gezindheid niet wat verstrikt in een leer van de doop, van het verbond, van de wedergeboorte ?
En vindt dat soms zijn oorzaak in het feit, dat men ook de aardse kerk eenzijdig wil zien als een vergadering van kinderen Gods, hoewel de ervaring van iedere dag leert, dat de kerk op aarde een gemengde schare is.
Er is zelfs iets tegenstrijdigs in dat zoeken der ware kerk, want enerzijds vraagt men om een, wat men noemt „onderscheiden" prediking, dat wil zeggen een prediking, die er van uitgaat, dat de gemeente uit mensen bestaat, wier persoonlijke staat zeer verschillend is in betrekking tot het geloof in de zaligheid Gods. Er zijn er, die met allerlei vragen zitten, zelfs onder invloed van ijdele philosophie ; er zijn er, die buigen voor de algemene leer der Schriften en God als de Schepper eren en ook Zijn goedertierenheid in het leven opmerken, zonder nog deel te hebben aan het zaligmakend geloof ; er zijn zoekers en twijfelaars en er zijn „doorgeleide" Christenen.
Zo wensen zij een onderscheiden prediking, die de roep tot bekering doet uitgaan en de weg der zaligheid bekwamelijk uitlegt, een pastorale prediking, die de kudde des Heeren weidt.
Anderzijds zoeken zij theologische gronden om toch allen te besluiten in het heil in Christus, om hen als „bondelingen" te zien, en, eigenlijk een zuivere kerk te formeren, hoewel — dit zij nog eens gezegd — de ervaring leert, dat dit een ijdel streven is, omdat ons de kennis der harten niet gegeven is en de verkiezende genade Gods vrij is.
Daarom zijn wij van oordeel, dat Calvijn ons een goede weg heeft gewezen, niet alleen in de kenmerken der ware kerk, maar ook in zijn onderscheiding van een algemene en bijzondere verkiezing. Hij onderscheidt ook een algemene leer der Schriften en de intiemere kennis der verzoening in Christus, welke alleen het deel is van Gods kinderen.
Of is het niet reeds een daad van algemene verkiezing voor de Jood, als hij uit de schoot van Israël geboren wordt ? En is het niet evenzeer een daad van algemene verkiezing, als men in de schoot der kerk geboren wordt ?
Zo blijft dan, dat het niet allen Abrahams kinderen zijn, die uit de besnijdenis zijn, en zo zijn zij niet allen uit God geboren, die in de kerk zijn.
Doch, zo waarlijk de Heere in Israël Zijn oordeel uitspreekt over de kinderen der ongehoorzaamheid en de Farizeërs aanzegt, dat zij uit de duivel zijn, zo gaat dit ook over de kinderen der ongehoorzaamheid in de kerk.
De gehoorzaamheid begint met de algemene leer der Schriften en met de aanvaarding van de leer der kerk, welke naar de Schrift is en als zodanig door haar geleerd wordt.
Welk een voorrecht — met name in onze tijd — als dit het kenmerk der gemeente is, dat zij blijft in de leer van God de Schepper van hemel en aarde, groot van lankmoedigheid en goedertierenheid, maar ook de Rechter der ganse aarde, en als haar voortdurend voor ogen wordt gesteld het geloof der kerk, zoals zij daarvan belijdenis doet in haar confessie.
Als de herders en leraars deze dingen der gemeente voorhouden, het Woord getrouw bedienen en met de ouderlingen opzicht houden over de gemeente, kunnen zij dan aan de Christus niet overlaten, dat Hij door hun woord en dienst Zijn Kerk vergadert en door Zijn Geest in de Waarheid leidt naar de orde der verkiezing ?
Niet ónze kerk, maar Zijn kerk zal als de ware kerk openbaar worden.
Is er voor de gereformeerde gezindheid geen aanleiding om met elkander eens te overleggen en tot elkander te komen ?
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's