In korte trekken
Grote stijl
14 October 1949, de dag, waarop de Generale Synode met slechts 3 stemmen tegen de nieuw ontworpen kerkorde met de daarbij behorende 20 ordinanties in eerste lezing aanvaardde, bracht ons een historische beslissing, meent prof. dr. Th. L. Haitjema, in een artikel : „Op een beslissend keerpunt in onze vaderlandse geschiedenis", dat hij enkele weken geleden schreef voor het weekblad „De Gereformeerde Kerk", dat de beginselen der Confessionele Vereniging beoogt te verspreiden.
Deze historische beslissing, zo schrijft prof. H., roept op tot consideraties „in grote stijl". En eveneens tot het uitbrengen van stemmen „in grote stijl". „Wij gaan ons", aldus vervolgt prof. H., „niet vastbijten" op kleinere détails. De „vicaris" in zijn huidige gestalte moge voor velen onaanvaardbaar zijn, daarmede is de nieuwe kerkorde in haar grote lijnen niet onaanvaardbaar. Sommigen zouden liever het artikel over het belijden laten voorafgaan aan, dat over het apostolaat. Ook daarmede is niet gezegd, dat de nieuwe Kerkorde als zodanig in haar huidige vorm onaanvaardbaar is."
Dat geef ik echter zo nog maar niet toe. Want men zou hier allereerst kunnen opmerken, dat vele kleintjes dan toch maar één grote vormen en dat er naast de door prof. H. genoemde détails nog wel enkele kleinigheden uit de nu in eerste lezing vastgestelde kerkorde zijn te noemen, die eveneens bezwaren doen rijzen. Ik denk b.v. aan de figuur van de ouderling-kerkvoogd, die ons een onnatuurlijk en onnodig inwringen in het ambt dunkt te zijn en waarmede overigens de niet geringe vraag gemoeid is of de Synode wel het recht heeft aldus aan het „Beheer" de wet te stellen en op deze wijze over de kerkelijke goederen te beschikken. Men denke voorts aan de kwestie van de vrouw in het ambt en de pastorale bedieningen, waaromtrent de Synode nog een besluit zal moeten nemen.
En in de tweede plaats komt het mij voor, dat juist de door prof. H. genoemde voorbeelden van kleinere détails aantonen hoe weinig „kleinere détails" nodig zijn om één „grote lijn" te maken ! De volgorde apostolaat-belijden is in de Synode verdedigd met de stelling, dat deze volgorde beslissend is voor de gehele kerkorde en het besluit van de Synode, met 34 tegen 10 stemmen genomen, om de volgorde der art. VIII en X van de kerkorde te handhaven is niet vreemd aan deze overweging. Maar dan gaat het niet aan om het verzet tegen deze volgorde een vastbijten op kleinere détails te noemen. Veeleer wordt dan met deze critiek, om zo te zeggen het hart van de kerkorde geraakt! Datzelfde kan ook gezegd worden van de bezwaren, die tegen de voorgestelde figuur van de vicaris worden ingebracht.
Prof. van Ruler heeft in een artikelenreeks in het officiële orgaan van de Ned. Herv. Kerk deze figuur belicht als „het sluitstuk", dat de bouw en structuur van de kerkorde voltooit. En wanneer men deze vicaris als zodanig onaanvaardbaar acht, dan is dat maar niet een knibbelachtige bezigheid zonder meer, doch dan gaat het al evenzeer om de kern van de zaak.
Daarom kunnen we, hoezeer we ook de mening delen, dat men zich bij de consideraties en stemmingen over de kerkorde niet in kleinigheden, die inderdaad kleinigheden zijn, moet verliezen, prof. H. toch niet volgen, wanneer hij ons oproept om de grote lijnen te volgen en ons niet in deze kleinere détails vast te bijten. Want deze kleinere détails geven juist de grote lijnen aan !
*
Is het bovendien wel zo zeker, dat de grote lijnen zó verlopen als prof. H. aangeeft ? Prof. H. ziet deze grote lijnen n.l. samenvallen met de „reorganisatie in grote stijl", waarvoor hij steeds heeft gestreden. Prof. H. verduidelijkt in zijn artikel deze reorganisatie met de volgende omschrijving :
„In het Algemeen Reglement van 1816 (en ook nog dat van 1852, dat voor het grootste gedeelte thans nog geldt, Th. L. H.) zal het weefsel moeten onderkend worden van de klassiek-Gereformeerde kerk-inrichting uit de vóór-Franse tijd. Deze klassiek-Gereformeerde lijnen voor de kerk-organisatie vormen de eigenlijke schering in het weefsel, die al te vaak schuilgaat onder de inslag van het burgerlijk-liberale verenigingsrecht, waarin de Kerk gedegradeerd wordt tot een „genootschap" ter bevordering van de Hervormde godsdienst. In de schering doet de ambtsgedachte zich b.v. gelden: in de inslag de burgerlijke regenten-idee, oftewel de gedachte van de „notabele heer", die de Kerk bestuurt (de oud-ouderling!!). In de schering zijn nog, ofschoon vervaagd, de presbyteriaal-synodale lijnen der kerkregering zichtbaar, terwijl in de inslag het z.g. collegialistische stelsel van kerkrecht hoogtij viert. Deze term „collegialisme" treft op tweeërlei wijze het verwerpelijk-burgerlijke onzer kerkinrichting na 1816 in het hart. Ten eerste wordt met deze term het „genootschaps"-karakter van de kerk getypeerd, n.l. als een „vereniging" van mensen, die eenzelfde godsdienst belijden. Ten tweede wordt met deze term ook het „bestuurscollege", dat de ambtelijke vergadering als orgaan tot regering der Kerk geheel overwoekerde, duidelijk gebrandmerkt.
Het behoeft wel nauwelijks betoog, dat het presbyteriaal-synodale stelsel van kerkrecht zich met het collegialistische even weinig samen verdraagt als vuur en water. De Ned. Herv. Kerk kan als Christus-belijdende Volkskerk hare roeping in ons volksleven alleen vervullen, wanneer zij bereid is in een nieuw te vormen Kerkorde het collegialisme steeds ondubbelzinniger uit te zuiveren, en de presbyteriaal-synodale schering in het weefsel sterk op te halen en de hoofdlijnen van ons kerkelijk leven te laten beheersen in de naaste toekomst."
Maar wordt nu ook inderdaad deze klassiek-Gereformeerde schering sterk opgehaald in het weefsel van de nieuwe kerkorde ? Ik waag het dit in twijfel te trekken. Men zal mij stellig wijzen op bepalingen in genoemde kerkorde, die vergeleken bij de collegialistische reglementen van 1816, een verandering in de zin van een meer presbyteriale-synodale vorm van kerkregering zouden kunnen betekenen. Het is evenwel de vraag of er in de nieuwe kerkorde, en dan in onderscheiding van het klassiek-Gereformeerde ideaal van kerkregering, niet een te zware nadruk op het synodale element daarvan gelegd wordt, waardoor de presbyteriale lijnen tot geringe betekenis worden teruggebracht. De vele en veelsoortige organen van bijstand, die we in de kerkorde ontmoeten en de betekenis, die aan deze raden, commissies of hoe zij nog meer mogen heten, gegeven wordt, doen toch heus niet mij alleen vrezen, dat hier een deur geopend is voor heerschappij van het éne lichaam in de kerk over het andere. En juist de begeerte om zo'n overheersing van meet af aan onmogelijk te maken en daarom elke vorm van hiërarchie bij de wortel af te snijden, kenmerkt de klassiek-Gereformeerde vorm van kerkregering. Daarom hield men b. v. vast aan de eis, dat de opdracht van een ambtsdrager, die naar een meerdere vergadering werd afgevaardigd, ook met het uiteengaan van de vergadering eindigde. Nu zal echter een ouderüng voor de tijd van 3 jaar lid van de Classicale Vergadering worden. De terecht als collegialistisch gebrandmerkte organisatie van 1816 had toch nog zóveel van de gereformeerde gedachtengang over gehouden, dat er voor elke Classicale Vergadering een nieuwe afvaardiging moest plaats vinden. Naar de Provinciale Kerkvergadering zal men nu voor 4 jaar afgevaardigd worden en de zittingstijd van de Synodeleden wordt van 3 op 5 jaar gebracht. Dat had men eens in de klassiek-Gereformeerde tijd moeten voorstellen !
Zo zijn er meer van deze on-gereformeerde motieven te noemen. Maar ik zal het hierbij laten, want men heeft daarover uitvoerig kunnen lezen in „De Gereformeerde Kerk". In hetzelfde nummer, waarin prof. H. zijn artikel schreef, beëindigde dr. G. P. van Itterzon een reeks van 4 artikelen over: „Kerkorde en ambt", waarin deze als zijn overtuiging te kennen geeft, dat de nieuwe kerkorde in bepaalde opzichten naar 1816 terug leidt en dat systeem dikwijls nog sterker dan te voren handhaaft, met deze woorden :
„Laat zwijgen dan goud zijn, kerkelijk goud, ik moest spreken. Ik zou mij van harte verblijden, als, zoals voorheen dit met mijn kanttekeningen het geval was, de betreffende instanties wakker werden en de gewenste correcties zouden willen aanbrengen.
Wanneer echter onverhoopt het systeem-1816 in deze vorm zou worden verscherpt en gehandhaafd, zou dit terugvallen in de oude koers, die niet de gereformeerde is, mij op het smartelijkst verdrieten".
Dit is dan toch wel duidelijk, dat de kerk, voor en aleer zij gehoor geeft aan de oproep om in de bedoelde grote stijl te considereren en te stemmen, er goed aan zal doen zich er rekenschap van te geven, of deze grote lijnen inderdaad wel zó breed en zó duidelijk getrokken zijn, als prof. H. voorstelt.
Naar onze mening zal, om het door prof. H. gebruikte beeld vol te houden, de schering van het gereformeerd ideaal ener presbyteriaal-Synodale vorm van kerkregering nog heel wat scherper, of beter, zo scherp mogelijk opgehaald moeten worden, indien de kerkorde in grote lijnen en kleinere détails aanvaardbaar zal zijn. Niet, omdat deze kerkvorm nu eenmaal ons ideaal is, maar omdat wij het op grond van Gods Woord er voor houden dat deze de meest geëigende is om de heerschappij van Christus, die de kerk door Woord en Geest wil regeren en daartoe de ambten deed instellen, tot uitdrukking en gelding te brengen.
*
Nog een derde en laatste opmerking. Is met dit alles nu gezegd, dat men zich niet hartelijk zou verblijden, wanneer er tekenen zijn die er op duiden dat de kerk het ontoereikende van de burgerlijke orde van 1816 beseft ? Of dat men het uit vrees voor het nieuwe toch maar liever houdt met die orde van 1816? Dergelijke verwijten worden al spoedig vernomen, wanneer men het ontwerp voor een nieuwe kerkorde in deze vorm onaanvaardbaar acht. (En dan niet alleen om de nu genoemde zaken. 'k Denk ook aan de bezwaren tegen art. X, die hierop neerkomen, dat dit artikel aan de belijdenis geen kerkelijk gezag geeft in de gereformeerde zin). Prof. H. doet dit ook helaas. Het spijt me. Hij schrijft over het besluit van 14 October j.l. :
„Deze kerkrechtelijke daad was een belijdenis, omdat onze Kerk nu in overgrote meerderheid uitsprak dat zij een Kerkorde wilde, die de geloofsartikelen over de Kerk in onze klassieke belijdenisgeschriften weer helder transparant bedoelde te maken. Het is voor de verantwoordelijkheid der tegenstanders — een verantwoording, die ik niet gaarne dragen zou ! — deze kerkhistorische beslissing te hebben tegengewerkt, en daarmee dus blijk gegeven te hebben zich te willen richten naar de onbesuisde leuze, die ergens schijnt gevallen te zijn op een ogenblik van hartstochtelijk verzet tegen de Hervormd-kerkelijke ontwikkeling van de laatste jaren : liever de oude reglementen, dan de nieuwe Kerkorde ! Dat wil dus zeggen : liever een loochening, metterdaad, in negatieve houding, van het stuk der Kerk door terug te vallen op reglementen, die van zó burgerlijk snit zijn, dan een ja-zeggen tegen de grote lijnen voor de nieuwe orde der Kerk, welke het heilgeheim van de Kerk van Christus duidelijk begeert te ontzien!"
Deze beschuldiging, want dat is het toch, doet echter meer dan één vraag rijzen. Het is — prof. H. moet het me maar vergeven — wel vlug gezegd, dat het uitbrengen van een stem tegen de nieuwe kerkorde een symptoom is van de begeerte om „1816" boven de „vernieuwing" te kiezen. Maar is dat nu wel waar ? Ik zou zeggen : prof. H. kon beter weten. De kring, waaruit de tegenstemmers kwamen, heeft zich maar niet met een leuze van deze belangrijke zaken afgemaakt, maar zich nu reeds meer dan twee jaar bezig gehouden met de bestudering van de vele vragen, die door het ontwerp voor een kerkorde werden opgeworpen. Het is niet bij de simpele overweging gebleven, maar de Gereformeerde Bond heeft zich in een uitvoerig rapport met vele voorstellen tot de Synode gewend. Wanneer prof. H. dat nu alleen maar als „een negatieve houding" weet te waarderen, dan is dat zijn zaak. Maar de verantwoordelijkheid voor zulk een uitspraak zou ik niet willen dragen.
En afgedacht van dit alles, wil ik nu toch ook wel eens weten, waarom iemand, die zich ernstig bezonnen heeft op de vernieuwing van ons kerkelijk leven en daarbij tot de slotsom gekomen is, dat hij het voor God en tegenover de kerk niet zal kunnen verantwoorden, wanneer hij meegaat in de koers, die men algemeen volgt — ik wil wel eens weten, waarom zo iemand nu als een loochenaar van het stuk der kerk ten tonele gevoerd moet worden. Heeft hij minder verantwoordelijkheidsbesef dan een ander, omdat hij in z'n geweten overtuigd is, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en — hij staat immers in zijn kerk — in overeenstemming met de belijdenis van die kerk zó en niet anders te mogen beslissen ? Is het hem minder dan een ander om het welzijn van de kerk te doen, wanneer hij de vernieuwing van zijn kerk, die een ander met grote blijdschap vervult, zelf niet anders dan met diepe bezorgdheid kan gadeslaan, omdat naar zijn inzicht de weg, die ingeslagen wordt, niet naar de gezondmaking van de kerk, maar naar de verdere verwording zal leiden ?
Neen, nu we het toch eenmaal over stijl hebben, ik kan deze niet bewonderen. We moesten dat woord „stijl" ook maar laten liggen. Want we worden opgeroepen om te considereren en stemmen uit te brengen, noch in grote stijl, noch in kleine. Er zal naar Schrift en belijdenis geoordeeld moeten worden. Over de grote lijnen en de kleinere détails. Dat zal voor God en tegenover de kerk verantwoord zijn.
Z.
H. H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's