De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Welk perspectief biedt artikel 10 der nieuwe kerkorde?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Welk perspectief biedt artikel 10 der nieuwe kerkorde?

9 minuten leestijd

Wanneer wij eens overdenken wat art. 10 der nieuwe kerkorde met alles wat daaraan vast zit, ons zou kunnen brengen in de toekomst, dan wordt het ons al spoedig duidelijk, dat het antwoord in grote mate bepaald wordt door het antwoord op de vraag: Wat betekent art. 10? Reeds eerder wees ik op de verschillende antwoorden, die op deze vraag gegeven worden. Bindt art. 10 aan de belijdenis der Vaderen, ja of neen? En dan is niet dit beslissend, wat deze of gene daarin leest, maar de vraag is: Wat zal de Synode te zijner tijd daarin lezen? Op welk standpunt zal deze zich stellen? Daarom is het van uitermate groot belang of de voor vele interpretaties vatbare formulering „in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen" zonder meer gehandhaafd blijft, of dat deze formulering door de aanvulling „en in overeenstemming met" positief bepaald wordt. Wanneer dit laatste het geval zou zijn, dan biedt de toekomst een ander aspect, dan wanneer dit niet het geval is. Zou de binding aan de belijdenis der Vaderen inderdaad vastgelegd worden, dan is de mogelijkheid althans geopend, dat onze kerk langzaam aan weer naar Schrift en Belijdenis zou gaan leven. Ofschoon ook dan mij onmiddellijk de vraag kwelt: wat zal daarvan terecht komen als zovelen, die ernstige bezwaren tegen Schrift en Belijdenis hebben, daaraan moeten medewerken?

Ik vrees echter zeer, dat de vereiste meerderheid voor de aanvulling „en in overeenstemming met" niet te vinden zal zijn. Wat dan? Dan biedt de nieuwe kerkorde mij een weinig aanlokkelijk perspectief. Velen zullen klaar staan, mij zwartgalligheid te verwijten, of ook wel „ongeloof", maar desondanks zal ik trachten aan te tonen op welke gronden mijn pessimistische kijk rust.

Ds. Landsman heeft in zijn verslag van de laatste vergadering der Synode in de Hervormde Kerk het volgende geschreven;

„Als de Hervormde Kerk weer een belijdende Kerk wordt, ook in de kerkordelijke zin, heeft dit een consekwentie, die nog weinig ingezien wordt.

Deze: dat zodra de leertucht door de Generale Synode uitgeoefend wordt, alleen die prediking geweerd zal mogen worden, waartegen geldige bezwaren ingebracht zijn.

Thans is de situatie zó, dat deze tucht in allerlei vorm uitgeoefend wordt door de kerkeraden, vooral in de practijk van het beroepingswerk. In beginsel is dat onder ons huidige kerkrecht juist, omdat de kerkeraad (sinds 1945 náást de Generale Synode) de enige in de strikte zin van het woord kerkelijke vergadering is, die na 1816 over is gebleven".

Ds. Landsman wijst terecht op deze genoemde consekwentie. Wat betekent deze in de door mij aangenomen situatie? Ik meen, dat de formulering „in gemeenschap met" geen belangrijke wijziging zal brengen in de feitelijke situatie. Ik heb toegegeven, dat misschien een uiterst links-moderne prediking niet meer in de kerk geduld zal worden. Maar overigens zullen vele „ketterijen" uit het oogpunt van Schrift en Belijdenis getolereerd worden. Wie geen vreemde is in de kerkelijke pers en op het terrein der kerk, kan dit weten. Betwijfelen of ontkennen sommige rechts modernen niet de lichamelijke opstanding van Christus uit het graf op de Paasmorgen? Ontkennen zij, die nog orthodox willen heten, niet de ontvangenis uit de H. Geest van de maagd Maria? Bestrijden sommige Barthianen niet de kinderdoop, bestrijden anderen weer niet de uitverkiezing, zoals door Augustinus en Calvijn geleerd? Hoevelen ontkennen niet in een of ander opzicht het gezag der H. Schrift? En een theoloog zou hieraan zeker nog wel het een en ander kunnen toevoegen.

Wat brengt ons echter de toekomst? M.i. dat verschillende dezer afwijkingen van de Belijdenis der Vaderen en m.i. ook van de Schrift, niet veroordeeld zullen worden, maar toegelaten. Wat moet nu de man doen, die vasthoudt aan de Belijdenis der Vaderen? Op grond van de Schrift en deze Belijdenis moet hij zeggen: degene, die zulks verkondigt is een ketter, ik wens zulk een predikant niet te beluisteren en hem niet de zorg mijner kinderen toe te vertrouwen.

Ho, waarde vriend, zegt dan ds. Landsman en de Synode, de prediking van deze man veroordeel ik niet, dus hebt gij u er maar onder te voegen en gij moogt hem niet als ketter beschouwen. Pas op, dat ge zulke dingen niet weer zegt of schrijft, want dan zouden we u moeten vermanen over uw gebrek aan broederlijke liefde en zeer tot ons leedwezen wel eens genoodzaakt zijn u onder censuur te zetten!!

Ja, strikt kerkordelijk gezien, mogen zulke ketterijen dan geen bezwaar zijn voor een kerkeraad om zulk een predikant te beroepen! En als kerkeraden die predikanten, die h.i. met ketterijen behebt zijn, niet willen beroepen, dan zal voorlopig niemand hen kunnen dwingen, maar zullen dan zeker - want nu gebeurt dit al - beschuldigd worden zich te gedragen als een partijbestuur! Totdat de kerkorde lang genoeg gewerkt heeft en men toch uiteindelijk er toe zal komen om zulke „kerkeraden-partijbesturen" tot de orde te roepen en te dwingen? Het is de vraag of het zover zal komen, maar het is wèl de zuivere consekwentie van de bedoelingen der kerkorde.

Misschien denkt een lezer, dat ik al te voorbarig ben. Toch niet, ik sta niet alleen met dit inzicht en de eerste aanwijzingen zijn er al, dat ik niet zover de plank missla.

Wat is er onlangs in Alkmaar gebeurd? Daar komen in de Ned. Hervormde Kerk zo ongeveer alle richtingen voor. De meerderheid werkt in de geest van Gemeenteopbouw. Men streeft daar de „eenwording" krachtig na. Daar zitten echter in de kerkeraad ook nog een paar van die lastige lieden, die vrijzinnig nog maar steeds vrijzinnig blijven noemen. Die menen te moeten constateren, „dat we het over het meest fundamentele van onze Belijdenis, n.l. dat Christus gestorven is voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, nog niet eens konden zijn, om van de erkenning van het volkomen gezag van de Heilige Schrift nog maar niet te spreken. Van vrijzinnige zijde stond men afwijzend tegenover de leer der verzoening door Christus' bloed, terwijl ook de Heilige Schrift maar ten dele Gods Woord kon worden genoemd". Deze mensen meenden dan ook, dat er zo geen basis voor een gemeenschappelijk optreden was en dat de tegenstelling rechtzinnig-vrijzinnig nog gebleven was. Wat deed men nu in Alkmaar met deze lieden? Wel toen een hunner moest aftreden als ouderling, werd hij niet herkozen. En verantwoording tegenover de gemeente mochten ze óok al niet afleggen: het „kerknieuws" bleef voor hen gesloten!

„La mort sans phrase".

Hier hebben we een duidelijk beeld, wat hen te wachten staat, die vasthouden aan de Belijdenis der Vaderen en dienovereenkomstig handelen en spreken. Nu moet men niet gaan spreken over verdraagzaamheid of onverdraagzaamheid. Wat hier geschiedde en in de toekomst geschieden zal, ligt zuiver in de lijn van de tegenwoordige gang van zaken. Als er een geldige kerkorde is, dan maakt de meerderheid uit, wie al of niet ketter zijn. Beslist de meerderheid dat rechts-vrijzinnigen géén ketters zijn, dan mag eenvoudig een gereformeerd man hen niet wèl een ketter noemen. Maar die gereformeerde man kan dat op grond van zijn overtuiging niet laten. Wat dan? Hij wordt er uiteindelijk uitgezet, omdat hij de orde en rust in de kerk verstoort. Of wel, er ontstaat tevens een richtingsstrijd van een felheid, die zijns gelijke tot op heden niet gehad heeft.

Sommigen zullen misschien wel zeggen, dat ik een fantast ben. Toch niet, ik zal u aantonen, dat er al meerderen zo over denken. In de Raad voor de Uitwendige Zending werken samen Oegstgeest en de Geref. Zendingsbond, ieder met behoud van eigen zelfstandigheid. Deze samenwerking is in de oorlogstijd ontstaan onder de nadrukkelijke voorwaarde, dat de G.Z.B. ten allen tijde de band verbreken kon, wanneer naar het oordeel van de G.Z.B. en zijn leden, de grondslag en doelstelling van de G.Z.B. niet gerespecteerd zouden worden of de G.Z.B. in een positie gedrongen zou worden, waarin hij z'n beginsel, niet kon uitleven. Nu zijn er sommige strevers naar „éénwording", die zeggen, dat het een kwestie van tijd is of Oegstgeest en G.Z.B. zullen samensmelten. Daartegenover schrijft nu de Zendingsdirector van de G.Z.B.: „Nu de besprekingen over de nieuwe kerkorde niet naar de wens van de Hervormd Gereformeerden verlopen en 't er naar uitziet, dat onze Ned. Hervormde Kerk straks een kerkorde zal krijgen en als gevolg daarvan een belijden in de kerk, dat niet in overeenstemming is met de grondslag van de Geref. Zendingsbond, welke de oude grondslag der Ned. Hervormde Kerk is, valt voor de toekomst het omgekeerde te verwachten van wat door sommigen wordt gepropageerd en reeds als vaststaand feit de mensen wordt voorgesteld. Hoewel met grote droefheid, omdat 't zo niet behoorde te zijn, zal de Geref. Zendingsbond, wanneer er geen onverwachte wending komt, straks de band met Oegstgeest in de Herv. Raad voor Uitwendige Zending moeten verbreken".

Hieruit blijkt duidelijk, dat in deze kring mijn pessimistische kijk gedeeld wordt. Men wenst hier niet voorbarig thans al een beslissende stap te nemen, maar zij achten dit wel in de lijn der gang van zaken te liggen. Dat is ook duidelijk. De eenwording ligt natuurlijk in de lijn der kerkorde, maar zij, die wensen vast te houden aan de Belijdenis der Vaderen, kunnen geen vertrouwen hebben in een kerkorde, waarin de band aan de Belijdenis twijfelachtig is gesteld. Werd trouwens ook niet reeds in „Fundamenten en Perspectieven" gesproken, van de vroegere Belijdenisgeschriften, waarin te lezen staat, dat de schrijvers ze geen geldigheid meer toekennen? Zo kom ik tot een weinig rooskleurig perspectief: de richtingsstrijd zal herleven, feller dan ooit. Vele Hervormden zullen voor en na de gelederen van Geref. Gemeenten en Chr. Geref. Kerk versterken. Om misverstand te voorkomen: ik zeg niet, dat ik dit goedkeur, integendeel; maar ik schrijf slechts neer, wat ik voorzie. Men heeft gezegd, dat deze kerkorde zoveel beter is dan de reglementenbundel. In velerlei opzicht is dit zo, maar de reglementen bonden althans nog formeel aan de Belijdenisgeschriften; thans wordt dit twijfelachtig gesteld. En zo kan ik al met al niet medegaan met de grote schare, die zich met meer of minder enthousiasme achter deze kerkorde stelt. Ik had het gaarne anders gewild, maar de feiten spreken een al te duidelijke taal!

D. SCHOUTEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Welk perspectief biedt artikel 10 der nieuwe kerkorde?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's