Financiën
Postgiro 138421
Het sluitstuk van de vorige keer, dat eindigde met enkele woorden, vormt nu het beginpunt van thans : „'k Hoop een volgende keer nog iets te laten volgen".
Nu, zo zult ge bij uzelven denken, dit is iets heel gewoons.
Toch is hiermede iets ingeluid, waaraan ge wellicht nog helemaal niet gedacht hebt. De arbeid, waaraan ik een vrij groot getal jaren gearbeid heb, heb ik aan jeugdiger handen overgegeven, 't Werd mij te veel. Mijn arbeid maakte mij ongedurig. Voornamelijk betrof dit de kwitanties, welke geregeld moesten worden verzorgd. De gegevens ontbraken vaak op het appèl. Het werk anders had mijn volle sympathie. De jonge mensen gaven me helemaal geen moeite, noch zorgen. Over ziekte of minder goede gezondheid hadden wij geen klagen. Natuurlijk had de een meer ontvangen, wat studievermogens betreft, dan de ander — toch was hier geen reden tot klagen.
Een enkel jaar geleden had een der jongeren een moment: waarvoor wij ons beducht maakten voor een ontijdig afbreken van de studie. Gelukkig werd onze vrees beschaamd, 't Zou niet onmogelijk zijn, dat dit poosje van rusten meer dan wij konden hopen, tot een gunstig resultaat heeft geleid, groter dan wij het ons gedacht hadden.
Wij werden bij dit ziekteproces bepaald door een feit, dat dezer dagen ons stil maakte, n.l. een onzer studiozen heeft dezer dagen het hoofd moeten buigen voor de koning der verschrikking. Een ziekteproces, waarbij vreze en hope elkander afwisselen, eindigde met rasse schreden. Doch hiermede was het laatste woord niet gesproken. De zekerheid dat wat hij hier gehoopt had, door hem nu was verkregen, n.l. het ingaan in de vreugde zijns Heeren. Dit is het blijvend goed, dat nimmermeer vergaat.
Zie, iets hiervan ondervindt ieder mens, die afstand moet doen van tijdelijke dingen. De zorg voor onze arbeid drukte me meer en meer, vandaar het besluit, dat thans is genomen. Met een gevoel van grote dankbaarheid mogen wij gedenken de steun, ons van Hogerhand geboden. Zo kwam het dan ook, dat zoveel deuren voor ons open stonden. Van hoevele offers zouden wij niet mogen gewagen. Van rijken en armen, van jongen en ouden kwamen de rijkste gaven binnen. Wanneer wij daarvoor een open oog hebben ontvangen, zo blijven wij niet staan bij de giften zelf, noch de kolossale collecten, vaak uit kringen, waarvan altijd werd gezegd : die en dat soort mensen geven niet. 'k Herinner me nog, dat ik de courant uit mijn brievenbus opdiepte, dat er een couvert lag met drie briefjes van 1000 gulden. Ik heb nooit geweten, vanwaar deze koninklijke bijdrage kwam en ik zal het ook wel nooit te weten komen, alleen Godes Majesteit blonk reeds duidelijk voor mijn oog. Hij gaf het. En zo is het voor mij ook altijd gebleven.
Gods doen is enkel majesteit, Aanbiddelijke heerlijkheid. En Zijn gerechtigheid onendig.
'k Zou wel een begin kunnen maken met 't schikken van getallen en feiten, maar waartoe zou zulks worden gedaan, 't Enige doel moet en zal blijven : Gods Naam worde in dit alles geprezen en verheerlijkt.
Ik wil nu maar met onze gewone verantwoording naar voren treden. Ik kom nu als Penningmeester voor de laatste keer tot u. Enige weemoed is vanzelfsprekend ; dit kan niet anders. Wat men tientallen van jaren mocht doen, heeft nog heel wat draden, waaraan onze memorie zich vastgrijpt.
Misschien dat een enkele vriend of vriendin bij zichzelf zegt: had ik dat kunnen weten, zo was de koorde van mijn buidel nog eens ontknoopt. Dat vind ik van onze Penningmeester heel niet aardig.
Nu, mocht dit het geval zijn, zo zal ik me hiertoe dan zetten. Men spreekt vaak van een laatste en een allerlaatste afscheidsgroet. Nu weet ge- er alles van.
Thans komt het gewone lijstje.
1. Het begint met een gewone gift, n.l. een onzer oude vrienden uit Alphen zond me zijn contributie over 1950. Onder letter A. V. Het was een rijksdaalder, dus iets meer dan waartoe men zal kunnen volstaan. Zo zag ik het. Gods Naam worde er in geprezen. ƒ 2.50
2. Wij blijven in de buurt. Zegveld droeg de contributie van de afd. aldaar af, n.l. voor 1949. ƒ 30.—
Wij zeggen de penningmeester dank voor zijn arbeid in deze en bevelen hen allen aan in Godes genade.
3. De kerkelijk ontvanger te Den Ham zond ons een gift, hem ter hand gesteld, van 5 gld. ƒ 5.-
4. Uit Hoogeveen, of in de nabijheid van deze plaats, in Krembong, zond een vriend ons een rijksdaalder. ƒ 2.50
Voor deze beide posten onze vriendelijke dank.
5. Van de kerkeraad te Leiderdorp kreeg ik een briefje van 25 gld. ƒ 25. Deze post stemde mijn innerlijk aanvoelen tot dank aan God. Het Studiefonds wordt hierin rijkelijk bedacht.
6. Van een vriend uit het Noorden voor het Studiefonds ƒ 2.50, opgezonden door ds. Timmer Sr. ƒ 2.50
Met veel dank.
7. Onder letter J. de B. te Hazerswoude ontvangen een rijksdaalder voor het Studiefonds. ƒ 2.50
8. De contributie vanuit Renkum voor de Geref. Bond bedroeg niet minder dan 42 gld. Het bijschrift was evenwel niet zo opgewekt als wij hadden verwacht. Wij blijven op verandering ten goede aanhouden. ƒ 42.—
9. Vanuit Hardinxveld kreeg ik van A. L. R. I gld. en van K. R. 1 gld. als contributie. ƒ 2.—
10. Collega de R te Sneek zond ons van N.N. een gift van 5 gld. voor het Studiefonds. ƒ 5.—
Onze vriendelijke dank.
11. Van een onbekende te Strijen 5 gld. Door de kerkeraad aldaar over gemaakt. Met veel dank. ƒ 5.—
12. Door ds. Korevaar te Rotterdam van N.N. voor onze fondsen ƒ 2.50
13. Door ds. Willemsen te Hierden bij huisbezoek ontvangen van N.N. 5 gld. Nog eens door andere 5 gld. gevolgd. Alzo 5 plus 5 gld. is ƒ 10.—
14. Door collega E. te D. werd ons de contributie toegezonden over 1950, n.l. ƒ 2.50
Onze vriendelijke dank.
15. Door de kerkeraad van Nieuwe Tonge werd als gevonden in het Diaconiezakje 10 gld. voor onze fondsen toegezonden. ƒ 10.—
Waarvoor we onze vriendelijke dank betuigen.
16. Van J. A. v. W. te Hilversum kregen we een gift voor het Studiefonds van . ƒ 2.50
Onze welgemeende dank.
17. Contributie van de heer v. P, te Sommelsdijk voor dit jaar ƒ 1.—
18. Van de heer M.V. te Woudenberg kreeg ik voor onze fondsen ƒ 5.—
19. Van onze vriend G. te Veenendaal, godsdienstonderwijzer, kreeg ik voor het Studiefonds uit zijn catechisatiesbus 10 gld. ƒ 10.—
20. Van collega B. te A. kreeg ik een gift van ƒ 2.50, waarvoor ik mijn dank betuig. ƒ 2, 50
21. De penningmeester van de afd. van de Geref. Bond te Zeist droeg mij de contributie af, zijnde ƒ 39.75
Mogen wij het hierbij laten, deze keer. Of dit de laatste verantwoording is als Penningmeester, weet ik nog niet. 'k Heb zo'n flauw vermoeden dat dit niet gelukt.
Veel goeds moge u en ons nog ten deel vallen uit Gods hand.
Ds. GOSLINGA.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's