Nieuwe motie van de Classis Bommel
De Classis Bommel heeft de volgende motie met grote meerderheid van stemmen aangenomen, waarin zij reageert op de wijze van de behandeling van haar eerste motie in de Synode. Zij deed dit als volgt:
Classicale Vergadering van Bommel. Scribaat: Tolstraat 11, Zaltbommel.
Aan de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk te 's-Gravenhage.
Hoogeerwaarde Heren,
De Classicale Vergadering van Bommel, heden 15 Februari 1950 naar Art. 40 Alg. Regl. in wettige vergadering bijeen, kermis genomen hebbende van Uw schrijven, d.d. 13 Januari 1950, geregistreerd No. 000/654, in aanmerking nemende :
a) dat de Generale Synode in dit schrijven reagerend op d? motie der Classis Bommel van 14 December 1949 zich gericht heeft tot de gehele Kerk zonder deze motie ter kennis van de gehele Kerk te brengen of aan haar oordeel te onderwerpen ;
b) dat in dit schrijven aan de Kerk een onjuiste voorstelling van de motie der Classis Bommel d.d. 14 December 1949 gegeven is, aangezien hier niet in de eerste plaats sprake was van een vraag maar van het oordeel
, , dat, hoewel naar Art. 40 Alg. Regl. sub 2" de Generale Synode formeel het recht heeft de datum van 14 Juli 1950 te stellen, deze niet presbyteriale wijze van behandeling voor haar principieel onaanvaardbaar en practisch onuitvoerbaar is, zodat deze formele juistheid hier materiële onjuistheden ten gevolge zou hébben", welk oordeel met tal van argumenten werd gestaafd ;
c) dat in, Uw schrijven op de door ons aangevoerde argumenten, te weten
1. het niet nakomen der belofte van breed beraad bij de aanbieding van het Ontwerp Kerkorde in uitzicht gesteld ;
2. de niet presbyteriaal synodale wijze van behandeling wanneer een zelfde synode de eerste en tweede lezing zou vaststellen, niet is gereageerd en deze dus niet weerlegd kunnen heten ;
d) dat de haast der invoering wordt ' gemotiveerd met het argument „dat de Kerk leeft in een brandende wereld", maar dat voorts geeni enkel zakelijk argument is aangevoerd. Deze argumentatie is in strijd met de houding des geloofs, die naar Psalm 46 : 3 : „Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde hare plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën" veeleer een rustige bezinning van ons eist, terwijl bovendien onder de huidige Werkorde zeer belangrijke en ingrijpende beslissingen konden en kunnen worden genomen ;
e) dat de verlenging van de inzendingstermijn der consideraties tot 20 September 1950 uiterst weinig waarde heeft, aangezien deze verlenging valt in de vacantieperiode waardoor het beraad ten zeerste wordt geschaad ;
f) dat Uw argumentering, waarin eensdeels wordt betoogd dat er terecht een verband is tussen Kerkorde en Dienstboek, terwijl anderzijds wordt gezegd dat de uiteindelijke gestalte van dit Dienstboek eerst onder de nieuwe Kerkorde kan worden vastgesteld en daarom nu alleen ter voorlopige kennisneming wordt gebracht, dit Dienstboek tot een ondefinieerbare grootheid maakt. Bovendien komt Uw laatste besluit inzake het Dienstboek en de brede argumentatie daarvan volstrekt in tegenspraak met Uw besluit van 9 Juli 1948, opgenomen in de Handelingen van de Generale Synode 1948, blz. 102.
Door deze gang van zaken worden èn de Kerkorde èn de Ordinantiën voor een deel van haar belijdend karakter beroofd. Daarom dienen Kerkorde, Ordinantiën en Dienstboek tegelijkertijd te worden geconsidereerd en ingevoerd ;
g. dat, wanneer het inderdaad in Uw bedoeling ligt niet alleen de Kerkorde met Ordinantiën, maar ook de Overgangsbepalingen in 1950 te laten considereren en in tweede lezing vast te stellen, U, wat betreft deze Overgangsbepalingen, in strijd komt met Art. 62 Alg. Regl., waarnaar in Art. 20 der Invoeringsbepalingen uitdrukkelijk wordt verwezen ;
Redenen, waarom de Classis Bommel als haar oordeel uitspreekt, dat hare bezwaren in genen dele zijn weerlegd en de door U voorgestelde wijze van behandeling moet worden afgewezen,
en besluit dit oordeel ter kennis te brengen van de Generale Synode en van elk harer leden afzonderlijk en tevens aan de Classes der Kerk en Provinciale Kerkbesturen te doen toekomen ;
Verzoekt U deze motie aan het oordeel der Kerk te onderwerpen en alsnog te handelen conform ons schrijven van 14 December 1949 en mitsdien de termijn, waarop de consideraties moeten worden ingezonden, niet te stellen vóór 1 Juli 1951.
W. E. HEIJBOER, Praeses.
C. NIEBER, Scriba.
Zaltbommel, 15 Februari 1950.
Wij zijn van oordeel, dat hier een en ander wordt opgemerkt, dat de instemming der kerkeraden en classes, ten zeerste verdient. Laten zij daarvan dan blijk geven door adhaesie-betuiging met deze motie ter kennis te brengen van de Synode.
De kerk mocht inderdaad wel meer betrokken worden bij het vaststellen van de procedure, welke bij de invoering van een nieuwe kerkorde zal worden gevolgd.
Wij blijven bovendien de vraag stellen, waarom de kerk niet reeds lang in de gelegenheid werd gesteld in haar vergaderingen saam te komen : bedoeld zijn Classicale Vergaderingen en Provinciale Synoden. Men heeft met allerlei dingen vreselijke haast, denk eens aan , , Fundamenten en Perspectieven", aan 'nieuwe liturgieën, maar men heeft ganselijk geen haast om de kerk in haar vergaderingen te laten delibereren, considereren en — voor zover in haar competentie behoort te zijn — te doen besluiten.
De kerkeraden mogen daarmede geen genoegen nemen. De grondvergaderingen behoren allereerst hersteld, de besturen behoren allereerst te verdwijnen en hun zaken over te dragen aan de moderamina der Classicale Vergaderingen en Provinciale Synoden.
In die vergaderingen moet de kerk handelen over de kerkorde en de procedure, welke zal worden gevolgd. Dat is presbyteriaal. Van zulk een orde kan de „leiding" n'et afwijken, zonder met de opdracht der interim-Synode in strijd te geraken. Dit toch te doen, is geenszins gerechtvaardigd door het argument, dat de kerk in een brandende wereld leeft.
Belangrijk ook is het onder f. opgemerkte omtrent het dienstboek en het kan weinig bijdragen tot de eerwaardigheid en het gezag der synode, als haar onder het oog wordt gebracht — en dat op zulk een belangrijk punt als , , het dienstboek en de kerkorde" —, dat zij haar eigen besluiten ten deze eenvoudig negeert.
Het ligt in diezelfde lijn — alleen nog een beet je erger —, wat onder g. wordt opgemerkt. Het ligt voor de hand, dat de overgangsbepalingen zo onmiddellijk saamhangen met het ontwerp en de vaststelling en invoering daarvan, dat de voorgeschreven weg in art. 20 der invoeringsbepalingen voor de overgangsbepalingen op dezelfde wijze moet gelden als voor het ontwerpkerkorde en derhalve overeenkomstig art. 62 Algemeen Reglement.
Indien de Synode in strijd met de genoemde artikelen zou handelen, zou er zelfs aanleiding zijn voor de vraag, of de vaststelling der kerkorde en haar invoering zelfs wel wettig en dus rechtsgeldig zou zijn.
De kerkeraden hebben dus alle reden om van hun belangstelling aan de Synode te doen blijken.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's