De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ziende niet zien, horende niet verstaan !

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ziende niet zien, horende niet verstaan !

(Uit de Vragenbus).

8 minuten leestijd

Wie zijn dat ?, zo vraagt de vrager. Hij bedoelt : de mensen, die ziende niet zien en horende niet verstaan !

Hij meent, dat dit alleen de theologen kunnen zijn, die lezen met de ogen en de Waarheid niet bemerken. Het klinkt niet erg vriendelijk voor de theologen. In zijn betoog stelt hij de geleerden, en dat zijn voor hem in de eerste plaats de theologen, tegenover de kinderen, wien het wordt geopenbaard.

Wij willen deze vraag onder het oog zien, niet zozeer om dit staaltje van Schriftuitlegging te demonstreren, want dit staat niet op zichzelf. Het is een geluid, dat in zekere kringen wel meer gehoord wordt en een symptoom van ons ontredderd kerkelijk leven.

De geleerdheid — en bepaaldelijk de theologische geleerdheid — is in deze kringen in discrediet gekomen. En dat heeft zijn oorzaak. Bovendien wordt het oordeel over de geleerdheid door een misverstand gestijfd, hetwelk met name kon postvatten bij liefhebbers van oude schrijvers.

Men kan bij deze veel geprezen oude schrijvers een afkeurend oordeel ontmoeten over de „schoolse geleerdheid".

Ook degenen, die wel eens in Calvijn lezen, kunnen hebben opgemerkt, dat hij niet zelden de „schoolse geleerdheid" bestrijdt.

Wat moeten „ongeleerde" mensen nu denken bij die uitdrukking „schoolse" geleerdheid ? Het ligt vrijwel voor de hand, dat zij daaronder verstaan de geleerdheid, welke men van de school meebrengt. En dan gaan de gedachten uit naar de theologische studie op de Hogeschool Het afkeurend oordeel, hetwelk op het getuigenis van zo betrouwbare oude schrijvers schijnt te kunnen steunen, treft dan de academisch gevormde predikanten. Het wordt dan nog eens toegelicht met een schier gevleugelde uitdrukking — welke men op zich zelf en ernstig beschouwd — wegens zijn waarheid niet kan weerspreken : Men moet van God geleerd zijn.

Op die wijze neemt een ontstellend misverstand geijkte gestalte aan. Acht men dan, dat ongeleerde, d.w.z niet academisch gevormde oefenaars, de waarheid Gods bekwamer uitleggen, — dan schijnt dit nog de deur dicht te doen.

Intussen drijft men op een misverstand, dat grote schade brengt aan de openbaring van gezond kerkelijk leven naar de Schrift.

Dat zulk een misverstand in het spel is, zal een ieder gevoelen, als hij zich de vraag stelt, waarom dan de vaderen in de grote worsteling bij de aanvang onzer nationale geschiedenis — denk aan het beleg en ontzet van Leiden — een Universiteit hebben begeerd, met name voor de opleiding van Dienaren des Woords ?

Dat moet toch een onverklaarbaar feit zijn als zij vijanden zouden geweest zijn van een wetenschappelijke voorbereiding voor het ambt

Maar zij hebben dat met „schoolse" geleerdheid niet bedoeld. Deze uitdrukking zag n.l. niet op een academische geleerdheid, welke ook den Reformatoren niet heeft ontbroken, maar het zag op een methode en een stelsel van wijsgerig-theologische aard, hetwelk met een zuivere Schrifttheologie en haar eigen methode in strijd was. Dat stelsel, noemde men „schoolse geleerdheid". De reformatoren hadden daarbij het oog op de leermeesters der middeleeuwse theologie, met name op de groootmeester Thomas van Aquino, die bij de Roomse kerk nog altijd in hoge ere wordt gehouden.

Calvijn wees de theologie haar eigen grondslag, n.l. de Heilige Schrift, zijnde Gqds Woord, en haar eigen methode., Hij gaf een voorbeeld van zuivere Schrifttheologie en heeft zijn krachten ingespannen om te bevorderen, dat de Dienaren des Woords daarin werden onderwezen, in tegenstelling met de z.g.n. „schoolse" geleerdheid of met een vreemd woord : scolastica.

Het is inderdaad niet aan hem te wijten, dat gereformeerde , theologen, die na hem kwamen, de leermeester niet trouw zijn gebleven en allengs weer in de scolastieke weg zijn vervallen.

Vele theologen kwamen weer onder de bekoring ener wijsgerige methode, of waren daaraan zelfs niet ontkomen, zodat men kan spreken van een nieuwe scolastiek welke met name in de achttiende eeuw verviel tot een dor dogmatisme en een godsdienst der rede. Wijl van vele kansels in zulk een stijl werd gepredikt, moest dit tengevolge hebben, dat het leven des geloofs op de achtergrond geraakte en het aan de ware geestelijke leiding ging ontbreken.

Het gevolg daarvan kon niet uitblijven De mensen, die daarin geen voedsel konden vinden, zochten het in eigen kring, in conventikels en geestelijke oefening. Zij zochten de ware piëteit of vroomheid. Op die wijze ontstonden in ons land en in de vreemde z.gn. piëtistische bewegingen.

Men kan niet ontkennen, dat in deze kringen het reformatorisch geloof vaak een bedding heeft gevonden. Daar staat echter tegenover, dat deze vroomheid ook een verenging van dat geloof heeft veroorzaakt en aan vele eenzijdigheden heeft geleden en nog lijdt. Veel ging verloren van de vitale kracht, welke van een gezond kerkelijk leven op de theologie en op het volksleven kon uitgaan.

Deze vroomheid is vaak in; een niet te ontkennen benepenheid en wereldontvluchting terecht gekomen, welke grotelijks verschillen van de Schriftuurlijk puriteinse levenshouding der vroegere generaties.

Ook kan niet worden weersproken, dat de academische geleerdheid veelal bevorderlijk is geweest aan de heerschappij van rationalisme in de kerk, en onder de invloed der moderne verlichting wantrouwen jegens de schoolse geleerdheid, die op één lijn werd gesteld met een academische opleiding, moest wekken.

De ontwikkeling der theologische studie in de negentiende eeuw is allerminst geschikt om dat wantrouwen weg te nemen en de veelheid van theologische en wijsgerige beschouwingen en tegenstellingen, welke zij vertoont, met name ten aanzien van de; Heilige Schrift, waarbij het geloof der reformatoren ten enenmale wordt afgewezen, kan allerminst doen verwachten, dat de vroomheid, welke terecht of ten onrechte meent uit dat geloof te leven, geen vertrouwen stelt in de academische opleiding van theologen, die zulke leringen verkondigen.

Dit echter kan geen aanleiding zijn om een goede en gedegen academische opleiding onzer predikanten te verachten en te menen, dat het beter zonder gaat. Het is en blijft een gezond teken, dat ons gereformeerde volk bereid is een. offer te brengen voor de opleiding der predikanten

En nu de tekst. Het gaat over Jesaja 6 vers 9: „Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar vérstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet".

Zo wordt de profeet Jesaja uitgezonden tot het volk. De vrager kan dus opmerken, dat niet uitzonderlijk ; de voorgangers en leidslieden hier worden genoemd, maar het volk.

Jesaja weet van tevoren, dat hij zal staan als een roepende in de woestijn. „Maak het hart dezes volk vet, en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere en Hij het geneze". (Vgl. Jesaja 6 vs. 10).

Dat is een moeilijke tekst voor mensen, die menen, dat de prediking alleen voor de uitverkorenen is.

Jesaja staat daar om dezulken beter te onderwijzen en de leraren te vertroosten, die in getrouwheid dienen zonder, naar zij menen, ooit vruchten te zien.

Of een dominé bekeerd is, kan dus ook niet beoordeeld worden, zoals sommigen doen, uit de vraag, of er wel eens een onder zijn prediking tot bekering is' gekomen.

Als onze vrager nog niet overtuigd zou zijn, dat niet speciaal de dominé's, maar het hele volk ons wordt voorgesteld als ziende blind en horende doof, leze hij verder Mattheüs 13 vs. 14; Markus 4 vs. 12; Lukas 8 vs. 10.

(Dit wil helemaal niet zeggen, dat Jesaja's profetie de dominé's spaart! Lees maar het negende hoofdstuk in vers 15 : „Want de leiders dezes volks zijn verleiders en die van hen geleid worden, worden ingeslokt".

Naar aanleiding van de gelijkenis van de zaaier komt de Heere Jezus Christus op het woord van Jesaja terug.

De discipelen vragen ; Waarom spreekt Gij tot hen, dat is de schare (!), (vgl. vs. 2 en 3), in gelijkenissen ? En Hij antwoordende, zeide tot hen : omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het piet gegeven.

Horen en niet verstaan, zien en niet opmerken, wijst dus op de algemene toestand van ons gevallen geslacht, als het gaat om de hemelse dingen. De dingen van het Koninkrijk blijven verborgen voor ons, tenzij het ons gegeven wordt te horen en te verstaan. Gelijk Jesaja niet tot bekering van het volk profeteerde, sprak de Heere Jezus door gelijkenissen tot de schare.

Trouwens voor degenen, die het niet gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, blijft het woord altoos gelijkenis, die niet verstaan wordt. Dit geldt niet van de theologen alleen, hoewel ook van hen, maar het geldt van alle mensen, omdat wij onder de vloek der zonde verduisterd van verstand en onwillig zijn.

Maar de Heere Christus heeft er onder de schare, wie het gegeven is de verborgenheden des Koninkrijks te verstaan en onder de theologen, die uitdelers mogen zijn.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Ziende niet zien, horende niet verstaan !

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's