De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hervorming en Catholiciteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hervorming en Catholiciteit

12 minuten leestijd

Een verklaring. Commentaren bijeengebracht door J. Loos en J. N. Bakhuizen van den Brink. Uitgave D. v. Sijn & Zonen, Rotterdam.

Deze verklaring wordt gericht tot „allen, die de Kerk van Jezus Christus liefhebben".

Zij bevat ook enige punten, die naar vorm en inhoud een geloofsbelijdenis kunnen of willen zijn.

1. Wij geloven, dat de Kerk de Openbaring, die haar in Jezus Christus is gegeven, in de Heilige Schrift, d.w.z. in de woorden van profeten en apostelen, als de kern en de norm van haar geloof en leven vastgelegd vi, ndt.

2. Wij geloven tevens, dat zij voor immer gebonden is aan de geloofsbelijdenis der ongedeelde Kerk bij de haar toevertrouwde taak, de Heilige Schrift uit te leggen.........

3. Wij geloven, dat Jezus. Christus Sacramenten heeft ingesteld als voertuigen van Zijn genadegaven.........

Aangaande het Heilig Sacrament des Avondmaals belijden wij, dat onze Heer Jezus Christus daarin op een geheimenisvolle en verborgen wijze, wezenlijk, werkelijk en waarachtig tegenwoordig is, onder de gedaante van brood en wijn Zijn allerheiligst Lichaam en Bloed schenkt tot spijs en drank des eeuwigen levens.........

Daarom vragen wij, of dat Sacrament juist wordt gewaardeerd, wanneer men leert, dat het slechts teken en verzegeling is van het in het woord der prediking geschonken heil.

4. Wij geloven, dat de Vleeswording des Woords zich voortzet in de Heilige Kerk tot de voleinding der eeuwen. Daarom belijden wij, dat de Kerk het Lichaam is van de Zoon Gods, waarin Hij zelf onder ons voortleeft, en dat Hij in haar het ambt der apostelen en opzieners heeft ingesteld, door welke Hij Zijn heerschappij onder ons wil uitoefenen.

Wij geloven, dat Hij aan de oplegging der handen door de van Hem verordineerde Opzieners voor alle tijden de mededeling van Zijn Heihge Geest verbindt en dat het ambt berust op een bijzondere genaderoeping en afzondering tot de Heilige Dienst, door de Heer der Kerk zelf. Wij stellen daarom de vraag, of het enige Kerk geraden is, zich aan deze apostolische successie te ontrekken...........

Deze verklaring draagt de ondertekening van 29 namen.

Ziedaar enkele hoofdzaken uit deze geloofsbelijdenis, waardoor de titel reeds enigermate wordt toegelicht. De Hervormijig heeft gebroken met wat deze verklaring als kenmerken van catholiciteit wil beschouwd hebben. Inzonderheid de gereformeerde traditie wordt onder critiek genomen.

De idee van catholiciteit, welke hier wordt vooja^dragen, wordt blijkbaar bepaald door d#in deze belijdenis voorgedragen leer, welke zich onderscheidt door een uitgesproken sacramentalisme. Deze leer vindt zijn eigenlijk uitgangspunt in de stelling, dat het de bedoeling der Zelfmededeling Gods in de Vleeswording is, , , dat gij door dezelve aan de goddelijke natuur deelachtig zoudt worden". (2 Petrus 1 vs. 4), (blz. 43).

Dit schijnt de opvatting te moeten steunen, dat de Vleeswording des Woords zich in de , , Heilige Kerk" zou voortzetten. De verdedigers van deze leer beschouwen dus de Vleeswording als ZelfmededeÜng Gods met de bedoeling, dat de mens de goddelijke natuur in deze weg zou deelachtig worden.

Ondanks de verwijzing naar het woord van Petrus, is het allerminst duidelijk, dat de hier voorgestelde leer recht heeft als Schriftuurlijk te mogen gelden. Even weinig grond heeft het betoog van de commentator, die hier aan het woord is, als hij meent , , dat al deze geloofsrealiteiten, waarin niet alleen de patres zich met aandachtige verbazing verdiepen, maar die ook in de Schrift telkens weer worden betuigd, — dit alles is in de Reformatorische theologie steeds meer op de achtergrond geraakt ten gunste van een eenzijdige nadruk op de soteriologie".

Wij laten de patres rusten, om er op te wijzen, dat de hier geboden geloofsverklaring en de daarbij gevoegde commentaren bijster karig zijn in het pogen om het getuigenis der Heilige Schrift omtrent deze , , geloofsrealiteiten" te laten spreken.

Indien men ondernam de in de geloofsverklaring genoemde opvattingen omtrent de incarnatie, de sacramenten, de kerk en het ambt, als Schriftuurlijk te verdedigen, zou men in een hoogst bedenkelijk conflict komen met de reformatorische Schrifttheologie. Immers het is niet zo, dat de hier als , , geloofsrealiteiten" voorgestelde leringen op de achtergrond geraakten in de reformatorische theologie, maar dat zij zeer nadrukkelijk op grond van het getuigenis der Heilige Schrift, zijnde de enige regel des geloofs, werden bestreden en afgewezen.

De reformatoren hebben de cathohciteit der kerk allerminst gezien in de onderhouding van de hier voorgestelde leringen, maar zij zagen de catholiciteit als een geestelijke werkelijkheid, als het leven des geloofs, hetwelk zich openbaart in de gemeenschap van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof, zoals dit uitdrukking vindt in de apostolische geloofsbelijdenis.

Die gelooidjelijdenis hebben zij aangegrepen als de catholieke belijdenis, waarin zij met de oude kerk hun gemeenschappelijk geloofsgetuigenis hebben gevonden.

De titel , , Hervorming en cathohciteit" van het onderhavig geschrift, wil, zoals men uit het boven aa, ngehaalde kan verstaan, de strekking hebben, dat de reformatie terwille van de soteriologie de catholiciteit der kerk heeft achtergesteld of losgelaten.

Zulk een mening berust ten enenmale op misverstand, en mogelijk op gebrek aan inzicht in het wezen der reformatorische the-

ologie. Men houdt vast aan zijn sacramentalisme als kenmerk ener voorgestelde catholiciteit. De feitelijke situatie is echter zo, dat de idee catholiciteit, door de verklaripg geponeerd, zonder twijfel verwant is aan de Roomse leer, terwijl de Reformatie krachtens haar instelling op de leer der apostelen en profeten zulk een idee van catholiciteit moest afwijzen.

Het conflict hgt in tweeërlei opvatting omtrent catholiciteit, en komt op uit de onverzoenlijke tegenstrijdigheid tussen de hier voorgedragen speculatieve leringen en de Schrifttheologie der Reformatie. Van deze tegenstrijdigheid zijn de reformatoren zich klaar bewust geweest.

De door de verklaring verdedigde catholiciteit zal dan ook de levende kracht van het reformatorisch geloof immer tegen zich vinden en als Roomse zuurdesem van de hand worden gewezen.

Het 5o/a [ide, sola scriptura der Reformatie zal het bolwerk blijven, waartegen deze leringen afstuiten. Het gaat n.l. om de centrale plaats van het stuk der soteriologie. En wie zich geplaatst weet op de grondslag van een waarachtig Bijbels realisme, zal moeten erkennen, dat de Heilige Schrift nergens getuigt van een vleeswording des Woords, losgemaakt vapi verzoening en verlossing.

Wie dan ook het boven aangehaalde hoofdstuk van Petrus leest, (2 Petrus 1), zal onmiddellijk opmerken, dat de woorden omtrent de deelachtigheid aan de goddelijke natuur onbetwistbaar in soteriologisch verband staan, waardoor reeds alle bewijsgrond voor de stelling aangaande de bedoeling der vleeswording in de voorgestelde zin wegzinkt. Dit nog afgezien van de bedenkelijke exegese van de tekst van vers 4 op zichzelf, welke uit de aanhaling moet worden opger maakt.

En nu de stelling van, de. voortgezette incarnatie zelf. Waar wordt die in de Heilige Schrift geleerd ? Als de Logos (het Woord) , nog voortdurend vlees werd in de kerk, werd de vleeswording voorgesteld als een proces, hetwelk zich derhalve aan mensen, aan personen, zou voltrekken. Die personen zouden derhalve in enigheid van de Persoon van de Logos verenigd worden, en zovele Christussen worden. Men kan toch niet van een vleeswording in de kerk spreken, die buiten de personen omgaat. Wat zou de kerk zijn zonder de personen ? Wat anders dan een inhoudloze abstractie, een ledig vat.

De gedachte van een voortgezette vleeswording in de kerk is opgekomen met de vraag, of de Zoon ook de menselijke natuur zou aangenomen hebben, indien de mens in zijn oorspronkelijke gerechtigheid ware staande gebleven.

Zegt men ja op deze vraag, zoals de commentator op deze stelhng blijkbaar doet (vgl. blz. 44 V.), dan is de zaak daarmede volstrekt nog niet beslist.

Ten Ie. zou heel de geschiedenis een gans andere zijn geworden, waarvan wij niet de minste voorstelling hebben.

Ten 2e. is daarmede pog gans niet uitge­ maakt dat het deelgenootschap aan de goddelijke natuur een algemeen menselijke bestemming zou zijn. De Heilige Schrift leert ook nog zoiets als een praedestijiatie, zovelen als er naar het voornemen Gods geordineerd zijn.

Ten 3e. staan wij voor de verborgenheid vari^Gods Raad ook ten aanzien van de val, en hebben wij geen vrijmoedigheid om aap te nemen, dat de val des mensen buiten de Raad Gods om is geschied, hoezeer het ook vaststaat, dat God geen Auteur der zonde is.

Ten 4e. kunnen wij mensen over de weg Gods, indien de mens niet gevallen ware, niet oordeleri en verbiedt ons de eerbied voor Zijn Majesteit perken te stellen aan Zijn scheppende almacht, alsof Hem alleen de weg der vleeswording open stond om een volkomen mens met eeuwige heerlijkheid te bekleden.

Wat willen wij over vleeswording oordelen, als wij geen de minste voorstelling kunnen hebben omtrent dé menselijke natuur in haar volheid, waartoe zij in zondeloze ontplooiing zou zijn gekomen overeenkomstig de schepping naar het Beeld Gods.

Wie zal uitmaken in ons verdorven geslacht, of God ook buiten de zonde redenen heeft genomen om Zijn Zoon te geven, dan wel, of de vleeswording des Woords — ik spreek naar de mens — in de zonde oorzaak heeft gevonden vanwege de door God voorgenomen herschepping; Buiten de zonde - zou immers van herschepping geen sprake zijn. En de Schrift spreekt zeer duidelijk uit, dat God Zijn Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve. (]oh. 3" VS. 16). De Hetlige Schrift kent geen andere vleeswording des Woords dan om der zonde wil.

Ten 5e. Zou het Gbde ontbreken aan macht om buiten de vleeswording des Woords om een zondeloze mens tot een verhoogde staat te verheffen, indien Hij hem daartoe had verkoren ?

De nederigheid, welke ons past tegenover de almachtige Schepper, diende ons voorzichtig te maken en te doen bedenken, dat onze rede niet bij machte is in Gods Raad in te treden. De Heilige Schrift waarschuwt ons ook bijzonderlijk in deze dingen, als ook de apostel Johannes, wien zulk een klaar licht geschonken werd aangaande het Woord, dat bij God was en door hetwelk alle dingen gemaakt zijn, blijft bij hetgeen geopenbaard is. (1 Joh. 3 vs. 2).

Nog een ander punt. In dit verband wordt gesproken van de Logos, d. i. de Zoon, als bemiddelaar van de werken Gods. Wij achten dit juist en er kan bijgevoegd worden, dat Hij dat alles doet niet zonder de Heilige Geest. Daarom is Hij de Christus, de Gezalfde, die de Heilige Geest heeft niet met mate.

Dat betekent echter nog ganselijk niet, dat het leven van de Logos, , als Geïncarneerde Gekruisigde en Verheerlijkte, zich kan voortzetten door alle tijden en nog minder, dat Hij het zelf ook is, die gestalte aanneemt in de Una Sancta Catholica, het Lichaam van Christus, gelijk men het hier voorstelt.

De unio personalis brengt mede, dat alles wat de Zoon (Logos) doet als Werkmeester Gods, Hij ook doet als het vleesgeworden Woord, want Zijn Godheid heeft de menselijke natuur in Eén Persoon verenigd. Als wij de Logos noemen, noemen wij Christus en als wij Christus zeggen, zeggen wij ook Jezus Christus, de Heere.

Doch, als wij op de scheppingswerken Gods, die Hij door de Zoon en de Geest» doet, zien, mogen wij niet nalaten te bedenken, dat Hij die werken ook buiten de vleeswording doet, terwijl Hij in de vleeswording als de Middelaar der Verzoening is geopenbaard en het werk der verzoening volbracht heeft. De apostel betuigt, zo wij Christus in het vlees gekend hebben, kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. God heeft Zijn heilig kind Jezus tot Zich genomen.

Daarom gaat het niet aan te zeggen, dat de vleeswording des Woords, welke in de opstanding van de nieuwe mens, de hemelse of geestelijke mens, haar genadevolle en boven . alle menselijk verstand verheven vrucht heeft geopenbaard, in de kerk wordt voortgezet.

De Heilige Schrift bepaalt ons bij de wedergeboorte als een geheel andere zaak. Men kan de wedergeboorte geen vleeswording des Woords noemen, alsof deze een herhaling betekende van wat in Bethlehem is geschied. Maar zo waarlijk Christus tot een Hoofd der gemeente is gegeven en de andere . Adam wordt genoemd, heeft de wedergeboorte een geheel ander karakter dan wat deze heren voortzetting der vleeswording willen heten.

De wedergeboorte is de doorwerking van de kracht van Christus' opstanding. In Christus is een nieuwe mensheid geschapen. (Efeze 2 vs. 10). Deze scheppende daad is te vergelijken met de schepping van de eerste Adam en gelijk door de geboorte uit Adam de mensheid voortkomt, zo komt door een nieuwe geboorte de nieuwe mensheid voort. Dit geschiedt door de Heilige Geest, die ook genoemd wordt de Geest van Christus, waarop ook het sacrament des Doops ziet, zijnde het bad der wedergeboorte.

Van een voortdurende vleeswording van de Logos (het Woord) kan voor hem, die een leerling van de Christus der Schriften wil zijn, geen sprake zijn- God heeft Adam geschapen en in Adam de mensheid, en Hij heeft de orde des huwelijks bestemd en ook na de val bevestigd om Zijn schepping tot de volheid van het menselijk geslacht te brengen. Zo heeft Hij in en door de Christus ook de nieuwe mensheid geschapen, welke door de wedergeboorte de nieuwigheid des levens zal deelachtig worden.

Niet door voortzetting van de vleeswording in de kerk, maar door de werking van de kracht Zijner opstanding wordt de kerk geboren. Die kracht werkt door Zijn Woord en Geest.

Niet op een voortzetting van de vleeswording van de Zoon, hetgeen ook een voortzetting van Zijn lijden en sterven en van Zijn offer zou betekenen, maar op de voortzetting van de herscheppende daad Gods, in dien Christus gewrocht, valt alle nadruk, gelijk ook de aardse geboorte een voortzetting is van de scheppende daad Gods aan de eerste Adam volbracht.

Die herscheppende daad is in Christus' opstanding volbracht, zoals de scheppende daad in Adam is geschied.

En gelijk de nieuwe mens, in Christus verrezen, de goddelijke natuur deelachtig is, zal 'de wedergeborene alleen als lid van die nieuwe mensheid, dat is het Lichaam van Christus, in die verheven heerlijkheid delen. Doch hoe dat zal zijn, weet niemand. (Vgl. 1 Joh. 3 VS. 2).

Doch hoe dat zal zijn, weet niemand. (Vgl. in de verderfelijkheid van ons vlees ingaat, hetwelk in Hem onverderfelijkheid heeft aangedaan. (1 Cor. 15 vs. 42 v.v.).

Er is maar één weg tot verlossing, n.l. dat onze verderfelijkheid door het wonder der genade in Christus geschonken, de onverderfelijkheid van de nieuwe mens aandoet door het geloof en de kennis van de; kracht Zijner opstanding. Daarin ligt de catholiciteit der kerk en niet in leringen, die in boven aangehaalde verklaring worden voorgesteld, welke meer verwantschap met het gezelschap der Anglicanen vertonen dan met de kinderen der Reformatie.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Hervorming en Catholiciteit

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's