De Puritein van de Hertenpolder
45
— Aldert van Janna, zegt hij, en peinst over die naam. Is dat Aldert van Vuren ? Meermalen zag hij dergelijke combinaties. Mensen, die door de massa schouderophalend werden voorbij gelopen en toch tot de besten van allen behoorden en een opgave volbrachten, waarvoor die allen bedanken zouden, wijl ze de energie er nimmer voor hadden, omdat ze leefden uit een puur egoïstisch beginsel.
Maar dezen, die werkelijk ook met de massa niet mee konden en daarom niet voor vol werden aangezien, die ook wezenlijk met de massa in conflict moesten komen wegens hun gave innerlijkheid, zij hebben vaak dingen gepresteerd, die eerbied afdwongen.
Dat is ook hier met Aldert van Janna 't geval geweest.
Dominee Greenveld is er blij om, dat er ook in deze gemeente zulk een bizondere persoonlijkheid woont, al staat die persoonlijkheid heel apart naast de grote hoop.
— Ik geloof, dat hij u een vriend bij uitnemendheid is.
— Jao, dominee, ik bin ur zo antoe, dat ik van ut eerste ogenblik hum mit vriendschap bin tegemoet gekomme. Ik denk dat hie dat van weinig minse zodao, nig onderviend.
— Het is de kunst, Veldstroo, juist hen met voorkomendheid te behandelen. En zo het gedaan wordt, beleeft men van hen het meeste genot en soms eigenaardige verrassingen.
Maar ik ben erg blij dat er iemand is geweest, die zó de lasteraar is tegemoet getreden. Naar een tweede, die zo handelt, zul je lang moeten zoeken, denk ik.
— En ik liep er vanzelf tegen an. Hie brocht een beleefdheidsbezoek ter kennismaking. We praotte een paor woorden, toe ging ie zo weer op huus an. Hie wis genog. De vrindschap was beklonken.
Dominee Greenveld glimlacht. hun manier. Ja, zo is
— In mijn vorige gemeente. Slingerland, had ik onder mijn trouwste kerkgangers een man, van zo vijftig jaar. Hij woonde alleen in een klein huisje aan de vliet. Deze man had geen connecties met grote mensen. Het was of hij ze ontliep, want nooit zag ik hen in zijn gezelschap. Doch wie denk je dat zijn vrienden waren, de kinderen en kleine jongens uit de streek. Een jongen van mijn koster kwam er veel en met een enthousiasme als hij vaak thuis kwam ; want ze hadden met de lange Karel op de jacht geweest naar eendeneieren.
En wat hij hun niet vertelde, daar stond je verstomd van. Als ze moe waren van de rit, ging hij met hen onder de houtwal of in de kant van een droge sloot zitten en daar deelde hij olienootjes of een sinaasappel met ze. Nu, je kunt wel denken, dat hij de harten van de jeugd stormenderhand innam. Als ze dan wat uitrustten, vertelde hij de mooiste verhalen. Hij vertelde van de plaats, waar hij geboren was, dat hij daar met de vogels speelde, dat de kraaien op zijn schouders gingen zitten en de vinkjes uit zijn hand het graan pikten.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's