Van velen, die geloven
En als Hij te Jeruzalem was op het Pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed. Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende....... Johannes 2 vers 23, 24.
Jezus heeft zich op het Paasfeest te Jeruzalem niet onbetuigd gelaten. In het bizonder wordt hier de aandacht gevestigd op de tekenen, die Hij gedaan heeft. Nicodemus zegt er van: „Niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is". In Johannes 4 lezen we : „En de Galileërs ontvingen Hem, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem' op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan". Daar is dus op Jezus gelet. De schare komt onder de indruk. Zó zelfs, dat we lezen : „velen geloofden in Zijn Naam".
Welnu, wat zou Jezus nog meer wensen ? We zeggen toch altijd, dat het er op aankomt, dat we in de Naam van Jezus geloven. Dan worden we redding en zaligheid deelachtig. Als er nu velen geloven, dan verzamelt zich toch een gemeente rondom de Christus. En....... daarvoor was Jezus toch gekomen ? Wat gaat het dan prachtig, zo in het begin al van Jezus' optreden.
Is dat nu niet een vrucht, waarnaar reikhalzend moet worden uitgezien, ook in onze tijd ? Niemand kan zeggen, dat Jezus zich nu onbetuigd zou laten. De lijdensweken liggen achter ons. Goede Vrijdag, Paasfeest. Christus offerde Zich aan het vloekhout des kruises. Hij stond weer op uit de doden. In Hem is volkomen zaligheid. Het wordt ons telkens wederom gepredikt. Nu gaat het toch zeker hierom, dat wij in Jezus' Naam zullen geloven. Dat er zich rondom de Christus een gemeente vormt. Is het dan niet begeerlijk wat hier staat, dat velen in Zijn Naam geloofden ? Moeten wij daar óók niet naar uitzien ? Maar, wat hebben we het toch over „begeerlijk" en „uitzien". We moeten het heel anders zeggen. Die vrucht is er nu ook. Bij al het donker dat er is, mogen we, als we zo eens rondom ons zien, óók getuigen van velen, die in Jezus' Naam geloven. Wat zijn er in ons land duizenden, die nog opgaan naar het Huis des gebeds. Die de prediking horen. Die gedoopt zijn. Die belijdenis afleggen. Die onderwezen zijn in de Schriften. Die de sacramenten begeren. Dan zijn er dorpen, waarvan getuigd mag worden : „Bijna allen geloven in de Naam van Jezus". Wat gaat dat goed. Wat is dat heerlijk. Wat zal Jezus wel verblijd zijn. Zou het waar zijn ? Laten we maar eens letten op de houding van Jezus tegenover de velen. En dan staat daar iets, wat we wel allerminst hebben verwacht. Dan komt daar een lelijk „Maar". Wat wonderlijk. Wat onbegrijpelijk. „Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet". Wat dat zeggen wil ? Dit. Jezus schonk Zich niet aan de velen als Redder, als Zaligmaker. Jezus zeide niet tot de velen „Gij zijt Mijn discipelen, 't is in orde, en Ik, Ik ben uw Heiland. Gaat heen in vrede, uw geloof heeft u behouden; uw zonden zijn u vergeven". Jezus legde hen niet bemoedigend de hand op. Jezus zeide niet: „Nu zijt gij Mijn vrienden en kinderen des Vaders, die in de hemelen is. Daar is blijdschap over u, want ge hebt u bekeerd van uw ongerechtigheid. Dat zegt Jezus hier. En zo iets zouden wij toen verwacht hebben, nietwaar. Een reddend woord. Een bemoedigend woord. Echter niets van dat alles. Jezus prijst niets. Jezus keurt niets goed. Jezus is niet verheigd. 't Is integendeel precies alsof Jezus zicht terugtrekt. Alsof Hij zich van de schare afwendt. Niets met ze beginnen kan.
Ge gevoelt wel, dat voor dit alles een oorzaak moet zjjn. Dat Jezus zich niet geeft. Zichzelf niet betrouwt aan de velen. Dat nu kan nooit te wijten aan onwil van de (regel weggevallen--Corr.) Schrift getuigt het ons doorlopend dat God niets liever doet, dan Zich geven aan de mens. Dan bij de mens binnen komen om al het onreine weg te nemen en het hart met zaligheid te vervullen. Hij roept. Hij nodigt. Hij lokt. Hij wil vergaderen. Hij doet niets liever dan tot een zondaar zeggen : „Gij zijt Mijn discipel. Mijn kind. Ik zal u tot een Heere, tot een Vader zijn". Bij de Heere, bij Christus ligt dus de oorzaak niet. Met het oog daarop behoeft dus niemand de hoop te laten varen.
Maar, nu moeten wij wel ernstig letten op wat anders. Namelijk op het hart van de velen. Dan komen we bij de oorzaak, die we zoeken. En dat hart wordt door Jezus gekend. Van Zichzelf uit, zonder enige hulp van anderen, weet Hij wat er in ons is. Want Hij heeft de wortel van de boom al gezien, nog eer wij uit de vruchten de boom leren kennen. Daarom laat Jezus zich door de buitenkant niet misleiden. Wat was de buitenkant van die velen ? Wel, verwondering, ontzag, geestdrift door al die tekenen.
Neen maar, die rabbi moest wel een profeet zijn, een leraar, zoals Nicodemus zegt, van God gezonden. Want zulke tekenen waren in Israël nog nooit gezien. 't Was buitengewoon. Dat was nu net iemand om de beloofde Messias te zijn. Om later koning te worden. Zijn woord en Zijn daden waren met macht. En dat nu legt op de velen beslag. Daar kunnen ze niets tegen inbrengen. Aan de invloed daarvan kunnen ze zich niet onttrekken. Ze geloofden in Zijn Naam. En, wat dunkt u, is dat ook niet zo bij de velen in onze dag ? Daar is nog wel beslag, dat Woord en Sacrament legt. Ook nog we! eerbied voor dit alles. We willen niet tegen het getuigenis, dat daarvan uitgaat, optrekken.
We hebben geen enkele reden om geen Christen te zijn. Om de Bijbel als leugenboek te verwerpen. Christus als Verleider te vervloeken. Jezus is de Verlosser, ge gelooft het. De Gezondene des Vaders, ge gelooft het. Gestorven om de zonden, ten derden dage opgestaan om onze rechtvaardigmaking, ge gelooft het. In Wien alle heil is, ge gelooft het. Ge gelooft alles. Ge hebt zo goed als nergens bezwaar tegen, 't Gaat alles even gemakkelijk. En als 't zó is, dan bewijst dat juist, dat het niet in orde is. Dat Jezus zich daarom ook niet geven kán tot redding en zaligheid. Het is dan bij ons net als bij de velen in Israël. Bij al ons geloof is ons hart hetzelfde gebleven in boosheid. Zijn wij dezelfde gebleven, die we in Adam zijn. Dat moet bij duizenden het geval zijn. Dat moeten we ook weten voor onszelf. Hoe het daarin met ons persoonlijk staat. Daarin hebben we ons te onderzoeken. Laten we daartoe elkander hetzelfde maar eens vragen, wat we in gedachte vragen aan de velen, die op het Paasfeest in Jezus' Naam geloofden.
Vertel het toch eens : ge hoort naar Jezus' Woord, ge komt telkens weer luisteren ; ge arbeidt wellicht voor Hem. Ze moeten aan Hem niet komen, nietwaar, ook niet aan Zijn Woord, Zijn Kerk, Zijn volk. Maar, wat doet ge toch met die Jezus ? Welke plaats neemt Hij in in uw hart. Wat lieeft Hij voor u te betekenen. Wat hebt ge met Hem meegemaakt in uw leven. Wat heeft Hij u geleerd, u geschonken. Wat zoekt ge bij Hem. Wat hebt ge bij Hem gevonden ?
Hebt ge daarop, mijn vrienden, een antwoord ? Dat er mee dóór kan. Omdat God liet u leerde. Zulk een antwoord bijvoorbeeld : Hij is ons geschonken tot wijsheid van God, rechtvaardigheid, heiligmaking en een volkomen verlossing. Kunt ge dat zeggen ? Of worstelt ge er om, deze belijdeni de uwe te mogen noemen, omdat ge dat alles in Christus ziet en nodig hebt ? Ik vrees, dat niet aller antwoord bevestigend zal zijn. Ik vrees, dat velen met wat algemeenheden komen aandragen. Dat we toch Jezus nodig hebben. Dat we toch niet buiten Hem kunnen. Dat het toch op het geloof aankomt. Inderdaad, zo is het zo dikwijls. We kunnen over alles praten. Ook over Jezus. Ook over Hem hebben we onze beschouwing. Op alle vragen weten we een antwoord. Ook op de vraag aangaande ons geloof. We zijn toch geen ongelovigen, geen heidenen, nietwaar ?
Maar......... op de vraag, of ge iets van het verlossende werk van Jezus kent aan uw ziel, dwalen uw ogen van de vrager af. Verschuift ge wat op uw stoel........ Want het vreselijke kan er zijn, dat we gevoelen „neen" te moeten zeggen. Zo zijn er in de kerk. Velen of weinigen ? Vraag eerst maar, of ge er zelf zo nog voorstaat. Dan schenkt Jezus zich nog niet aan u weg. Hij komt u nog niet bemoedigen. Zeggen, dat alles wel in orde is. Dat is dan het oordeel over ons hart, ons leven, ons „geloof". Dit komt ons nu vlak bij. We willen zo graag het geloof, en we willen zo gaarne gelovige, vrome mensen zijn, die veel bidden en die vertrouwelijk omgaan met de hemelse Vader, maar we willen niet dat hart hebben, waarin alleen de bloem des geloofs kan opbloeien. Ziet eens, dan is het zo evenals bij de velen. Dan geloven we met het natuurlijk hart, d.w.z. zonder ooit verbroken, arm te zijn geworden. Zonder ooit te hebben ervaren wat het zeggen wil zondaar te zijn voor God in schuld en oordeel en verlorenheid. Daar is niet de levende kermis Gode en de naaste een vijand te zijn.
Daar is nooit gekomen het missen van God. Nooit is de bede opgezonden : „Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden". Daar is in het hart niets veranderd. En het is niet zo, dat wij dezelfde kunnen blijven, gaande beter worden en tenslotte zó goed worden, dat we ook, nog gaan geloven. Daar is maar één soort mensen, waartoe gij ook behoren kunt, in wier hart het ware geloof in Jezus geboren wordt, en dat is het arme , het nooddruftige, het verbroken, het verloren soort. Dat geen uitweg meer heeft. Dat wil weten en wil belijden : „'t Is van mijn kant een afgesneden zaak".
Als het zó in wezen niet is, kan het geloof niet echt zijn. Want dan laat ge uzelf niet los. Dan geeft ge het zelf niet op, om de zaak uwer Redding geheel te leggen in de hand van de Borg, Jezus Christus.
Gij betrouwt uzelf dan niet aan Jezus toe als arm zondaar. Dan kan Jezus zich ook niet als Verlosser aan u wegschenken. Dan zegt Jezus, dat het bij u niet in orde is.
Zie, mijn vrienden, dat moet ge u nu eens laten gezeggen. U niet wrevelig afkeren. U zelf op dit punt nauwkeurig onderzoeken. Nu moet ge er eens niet bang voor zijn dat u alles, ook uw „geloof", wordt afgenomen. Want als dat werkelijk kan...... dan hebt ge nooit geloof gehad. Dan hebt ge altijd u bedekt met een mantel van eigengerechtigheid.
Laat u dan de ogen openen. En u aan uw armoede ontdekken. Ziet ge ze, bedek ze dan niet op uw manier voor Gods aangezicht.
Ge kunt toch beter hier geheel ontledigd voor God komen als straks, wanneer het voor altijd te laat is. Weest dan niet bang om hier door te gaan onder het alziend oog van die Jezus, Die leest in uw hart. Daar kunt ge niets anders dan het leven bij winnen. Laat dit vooral ook niet aan u voorbijgaan, wanneer ge niet vreemd zijt aan het werk Gods in Christus Jezus, maar wanneer ge nog zo weinig blijdschap kent in de Heere. Wanneer er nog zoveel bangheid is. Zoveel twijfel. Zoveel donkerheid. Ge zegt wellicht : „'k Heb al zo dikwijls verlangd naar het komen in de ruimte. Dat Jezus zich nu eens geheel aan mij weg zou schenken. Dat ik Hem in Zijn Woord hoorde spreken ook tot mij. Dat mijn zonden vergeven waren. Dat ik kon heengaan in vrede. Dat Hij als Borg en Zaligmaker de mijne was. Maar 't is nu net alsof Hij zich niet wil geven. Alsof Hij van verre blijft staan. Alsof Hij Zijn hand niet op mij wil leggen. Als ik mijn handen tot Hem uitbreid, is het alsof Hij terugwijkt". Zoek de oorzaak daarvan niet bij Jezus, maar bij uzèlf. Want overal, waar een geheel verbroken hart is, snelt Jezus toe ter hulp. Hij wil u beproeven. Hij wil wellicht nog wat bij u wegbreken. 't Kan zó zijn, dat ge u nog, niet geheel en al aan Hem wilt geven. Dat ge uzelf nog wilt vasthouden. Dat ge nog niet geheel zondaar zijt. Nog niet geheel arm. Geheel verloren. Geheel verbroken. En nu weet Jezus precies, wat er bij u aan hapert. Wellicht kunt ge daar zelf ook wel wat van zeggen. Hóé dan ook, stel u voor Gods aangezicht en bid, dat God uw hart doorgronde en kenne en u leide op de eeuwige weg.
We kunnen het ook anders zeggen. Wie ge dan ook zijt, ga met een Nicodemus, die óok onder de indruk gekomen was van Jezus' woord en daad, tot deze Jezus. Al is het dan in het verborgen. En als ge dan u zet aan de voeten van Christus, dan zult ge door Hem geleerd worden. Het eerste wonderlijke is al dit, dat Jezus u niet wegstuurt.
Dat Jezus met u wil spreken. Ja, méér nog. Jezus gaat u ontdekken. Neemt alles weg, waardoor ge niet zaagt, wie ge innerlijk waart. Dan wordt u onbarmhartig getoond, dat er in u niets goeds is. Ge wordt afgebroken, geheel en al. Want Jezus drijft in de nood der verlorenheid. En dat niet om te verderven. O neen. Maar om ons vatbaar te maken voor deze nodiging : „Laat uzelf nu los en geef u in Mijn hand, met al uw schuld". Om ons vatbaar te maken voor de prediking van Zijn verhoging aan het kruis. Voor Zijn volkomen verlossing. Voor Zijn lokstem, ons toch tot Hem te wenden. Dan laat Jezus niet af. Neen. Hij blijft roepen totdat we waarlijk in de nood tot Hem leren vluchten. Jezus' alziend oog wordt ons dan tot troost. Nu weet Hij ook wat er leeft in ons hart. Nu speurt Hij onze dorre, dorstige ziel. Dan zullen we bevinden, doordat Gods Geest ons houvast schenkt aan Gods getuigenis, dat Jezus zich zo gaarne geeft. Dan is in dat Woord Jezus, Die op ons toetreedt. Jezus, Die de hand naar ons uitstrekt. Jezus, Die onze schuld op zich neemt. Ja, als we dan gelovig de hand op Hem mogen leggen, op Zijn Woord, dan weten we dat Hij ons vrijspreekt. Dan is het feest in de ziel. Want Jezus geeft zich aan ons. Jezus zegt : Gij zijt Mijn discipel. Ik ben uw Meester, uw Verlosser. En gij moogt dan belijden : mijn Heere en mijn God !
O, als Jezus tot u sprak in uw totale verlorenheid, hoewel ge Hem zo lang vaak liet wachten, zeg het dan toch anderen, zeg hét aan de velen, dat Jezus zich zo gaarne geeft. Zeg het ze, dat ze Hem niet laten wachten tot het voor goed te laat is.
V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's