Met Christus gestorven zijn en met Hem leven
„Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven ; wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven ; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere". Romeinen 6 vers 8—11.
De Heere is waarlijk opgestaan !
Dit is de blijde boodschap, vol van genade en waarheid, die ons op de Paasdag werd verkondigd ; want de opstanding van Christus is de levensbron der Zijnen ; het fundament, waarop de Kerk rust in haar geloven en belijden, in haar strijden en in haar hopen.
Immers de opstanding van Christus is niet slechts een op zichzelf-staand feit, maar ook een feit, dat andere feiten tengevolge heeft. Ze beheerst het leven der gemeente, want Hij, Die opstond, dóét ook opstaan tot een nieuw leven. Ze beheerst het lot der mensheid, want aan de opgestane Heiland, die nu leeft in de hemel, is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ze beheerst ook de toekomst der schepping, want „wij verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde".
Dood en opstanding van Christus behoren bij elkaar ; ze hebben beide dezelfde strekking, n.l. om de uitverkorenen aan de heerschappij der zonde en van satan te onttrekken, en voor hen de mogelijkheid te scheppen om in verzoende gemeenschap met God te, wandelen tot Zijn eer, op aarde, en straks in de hemel.
Dit kan alleen door degenen, die de Heere vrezen, recht verstaan en beleefd worden, omdat zij alleen door de verborgen gemeenschap met Christus, door het geloof, uit deze waarheid vermogen te leven.
Dit kan alleen geschieden, doordat zij door de genadewerking des Heiligen Geestes met Christus in levensverband zijn gezet, op de wijze, zoals Christus het uitdrukt : „Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken". Die ranken leven en dragen vrucht. „Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel". Wanneer de mens door de werking des Heiligen Geestes in levensrelatie met Christus wordt gezet, dan brengt dat zijn kentekenen mee. Dan is er in ons een scherp achtgeven op de zonde, met smart en onvrede daarover, een rusteloze drang des harten om vrede met God in Christus te mogen vinden. Dan komt er ook, door gebed en door ernstig gebruik maken van Gods Woord, een heerschappij des Heiligen Geestes in het hart, zodat men de zonde hartgrondig gaat haten en vlieden, en gaat begeren dat de vreze Gods ons innerlijk en uitwendig moge leiden.
In deze verschijnselen openbaart zich de kracht der wedergeboorte, de kracht, die voortkomt uit geestelijke vereniging met Christus. In dit licht moeten we de bovenstaande tekstwoorden beschouwen. Als Paulus zegt : „Indien wij nu met Christus gestorven zijn........", dan spreekt hij tot hen, van wie hij aannemen mag, dat ze één zijn met Christus ; en met het woord „indien" bedoelt hij te zeggen : aangezien het dan zó gesteld is, dat wij met Christus gestorven zijn.
Toen ons eerste verbondshoofd Adam de gehoorzaamheid aan God opzegde en alzo de levensband met Hem verbrak, stierf hij, en stierven wij allen, in hem, van het ware leven van God af. De zonde is tot alle mensen doorgegaan. Maar, mogen we nu de blijken hebben, dat we van Christus zijn, dan zijn we losgemaakt van de gevolgen van Adam's val, en in levens- en lotgemeenschap met Christus gesteld ; dan zijn we ook in Christus gestorven, toen Hij op Golgotha stierf ; maar dat is een juist tegenovergesteld sterven als het sterven in Adam. In Christus is het een sterven aan de zonde, een sterven aan het leven buiten God. Want Christus droeg, als Borg, de uitverkorenen in Zich; de gelovigen zijn door God in Christus gerekend. Waar wij door genade als leden van Christus worden gerekend, daar geldt het ons : „de Heere heeft' ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen ; ......de straf, die òns de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden".
Al het Zijne is dan het onze. Zo is dan voor allen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest, op Golgotha de schuld betaald, en een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Dit is de vaste grond van hun vertrouwen. En God schenkt in Christus niet alleen gerechtigheid, maar ook leven. Gerechtigheid en leven behoren bij elkaar.
Van de zonde in haar veroordelende macht zijn ze ontheven, maar evenzeer van haar heerschappij-voerende macht. Want Christus is hun ook geworden tot heiligmaking. „Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel".
Dit betekent, dat de kracht en de vrucht van Zijn sterven ook hierin openbaar wordt, dat Hij hun Zijn Geest schenkt, die hen opwekt tot een nieuw leven, en de heerschappij der zonde metterdaad in hen verbreekt. Dit voltrekt zich in de wedergeboorte en bekering. Dit wordt daarin openbaar, dat er droefheid over de zonde komt ; dat we met innige behoefte der ziel een toevlucht zoeken onder de borggerechtigheid van Christus ; dat er geestelijke werkzaamheid komt met het volbrachte werk van Christus, waaruit vrede met God in de ziel daalt, en dat daarmee gepaard gaat een haten en vlieden van de zonde.
Zie, dat is een sterven met Christus, een afsterven van de oude mens.
Nu zullen degenen, die in hun leven de bestiering van de vreze des Heeren bemerken, vaak met bezorgdheid gewaar worden, dat de zonde toch nog telkens bij hen opwelt, zodat ze het met smart uitroepen : „ik ellendig mens, wie zal mij verlossen........." Wat kan het hun bang te moede zijn, als ze zo telkens gewaar worden dat de zonde zich zo inmengt in hun overleggingen en . gezindheden. Maar dan is het hun roeping om uit de overwinning van Christus gedurig kracht te putten om de zonde te doden, om er om Gods wil tegen te strijden, en op te wekken de gave, die in hen is om als nieuwe schepselen uit te komen.
Dit is alleen mogelijk door het geloof, dat aan Christus vasthoudt, en dat versterking zoekt bij Woord en Sacrament. Bij zichzelf kan niemand vasthouden, dat hij een levend lidmaat van Christus is. Bij zichzelf vindt hij het getuigenis : „tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd, geen van dezelve gehouden, en nog steeds tot alle boosheid geneigd......." Maar langs de weg van Woord en Sacrament wil de Geest des Heeren Zijn volk bezoeken met Zijn troost.
De apostel zegt verder : „indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij ook, dat wij met Hem zullen leven".
Heeft Christus' dood u in beginsel doen sterven aan de zonde, dan is ook Zijn opstandingskracht werkzaam geworden in uw hart om u te doen opstaan tot een nieuw geestelijk leven.
Al woelen er, tot uw smart, nog vele zonden in u, de wortel waarop ge zijt ingeplant, is gezond.
Christus leeft, en gij zult leven.
Hij, die het leven van Zijn volk is, sterft niet meer, en dat is het behoud voor degenen, die in Hem geloven.
Het komt er op aan, dat ge waarlijk van Christus zijt. En is dit zo, dan moet ge er op zien hoe in Christus voor u uw zaak ten opzichte van de zonde in orde is gebracht. Christus is der zonde eenmaal gestorven. De zonde is veroordeeld in het vlees, en aan Gods recht is voldaan. Nimmer zal de zonde ook maar enige verdoemende kracht kunnen hebben voor Christus, en dus ook niet voor degenen, die in Hem zijn.
„En wat Hij leeft, dat leeft Hij Gode", om de werken Gods, ook in het hart der Zijnen, steeds meer tot voltooiing te brengen.
„Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat ge wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onze Heere".
De in u overgebleven zonde zou u weleens kunnen 'verleiden om de rekening anders op te maken, zodat ge zoudt twijfelen aan uw eigen vernieuwing. Als ge ziet op uzelf, dan ontzinkt 'u alle moed.
Maar — zie op Christus !
De apostel wekt u hier op om uzelf te bezien, niet naar de zonde die in u nog woelen kan, maar naar hetgeen ge in Christus zijt. In Christus zijt ge der zonde dood, d.w.z. ge zijt onder de verdoemende kracht der zonde weg, en ge zijt óók los van haar heerschappij.
Daarom hebt ge de roeping, door de kracht van Christus de zonde uit te bannen uit uw leven, en Gode te leven. Het beginsel der Godverheerlijking is er dan, en dit zal als een drijfveer in u werkzaam zijn tot dagelijkse bekering, tot doding van de zonde, tot heiligmaking. Uw harte-neiging zal daar gestadig heenliggen. Dit is geen wetticisme, geen eigengerechtigheid, geen werkzaamheid van het „vrome vlees" om u zelf het leven te verwerven, maar ge moogt dan werkzaam zijn uit het leven, dat in Christus uw deel geworden is.
Welnu, zijt ge in Christus ? Leeft ge uit de gemeenschap met Hem ? Of zijt ge soms 'n rank aan de Wijnstok, die geen deel heeft aan de sappen van de wortel, en dus geen vrucht draagt ? „Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg".
Zijt ge door een levend geloof ingeplant in de Wijnstok Christus — oefent u heilbegerig in dat leven, dat niét naar het vlees is, maar uit Christus naar de Geest.
Zo zult ge ook eenmaal, volkomen van de zonde verlost, deel hebben aan de opstanding tot heerlijkheid, en daar mogen zijn waar Christus is ; om te verkondigen de heerlijkheid van onze gekruiste, maar ook opgestane Koning, waardoor de Drieënige God alles is in allen.
Emst.
C. STREEFKERK.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's