Voorlichting?
Onlangs werd ons een nummer toegezonden van „de Rotterdamse Kerkbode", tevens officieel orgaan van de Ned. Herv. Gem. Feijenoord en IJsselmonde. Het was het nummer van 2 Maart j.l.
De redactie stelde er klaarblijkelijk prijs op, dat wij nota zouden nemen van enkele zinsneden, welke rechtstreeks of zijdelings de Gereformeerde Bond raken, in een artikel van (ds.) Kl(üsener) : „De Kerkorde in bespreking". Dit artikel zegt iets over art. VIII en X der Kerkorde en schrijft naar aanleiding van het rapport van onze Kerkorde-commissie het volgende :
En nu art. X. We willen u voorleggen wat de Kerkorde-commissie van de Geref. Bond in deel I van de door haar gepubliceerde Rapporten hierover opmerkt. Men heeft bezwaar tegen de plaats in het geheel : het artikel van het belijden dient onmiddellijk na art. 1 en 2 te volgen.
In 13 korte paragrafen worden dan allerlei opmerkingen gemaakt, die we hier niet kunnen weergeven. Wel de conclusie, waartoe men komt: voorgesteld wordt n.l. de navolgende redactie van art. X : „In gehoorzaamheid aan de H. Schrift als enige bron en maatstaf der prediking en als enige regel des geloofs, handelt de Kerk in al haar ambten, vergaderingen, organen en bedieningen bij al haar werkzaamheden in overeenstemming met haar belijdenis, doende belijdenis van haar geloof in de Drieënige God. De belijdenis der Kerk is vervat, zowel in het Apostolicum, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius......... geestelijk eigendom van de algemene Chr. Kerk.......... als in de Heidelbergse Catechismus en de Ned. Geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels........ door de Reformatie aan de Kerk in de Nederlanden geschonken. Te dien einde heeft de Kerk, terwille van de vervulling van de opdracht van haar ambtsdragers en gemeenteleden, de roeping naar de regel van het Woord Gods en haar belijdenis opzicht te oefenen over de verkondiging, de catechese, de opleiding en vorming van de dienaren des Woords. De Kerk bestrijdt en weert wat haar belijdenis weerspreekt. Bezwaren inzake het belijden der Kerk kunnen door lidmaten — onder beroep op Gods Woord en de belijdenis — worden voorgelegd aan het oordeel der Kerk, die zich daarover uitspreekt. Bezwaren tegen de belijdenis kunnen worden ingediend met beroep op Gods Woord". Wat men vaagheden achtte (een uitdrukking als „de weg van het belijden der Kerk" b.v.), is geschrapt ; de binding aan de belijdenis der Kerk (i.pl.v. der Vaderen) verstevigd ; de term „belijden" bijna steeds vervangen door „belijdenis", zodat het, wat vreemd aandoet, dat er toch nog éénmaal onderscheid gemaakt wordt tussen het belijden en de belijdenis der Kerk in verband met bezwaren, die zowel tegen het belijden als tegen de belijdenis kunnen rijzen. Wat is dan het belijden der Kerk ? Als men n.l. vervallen laat, dat de Kerk, levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der vaderen, telkens opnieuw belijdt in haar prediking, getuigenissen, herderlijke brieven, kerkliederen, gebeden, formuheren, leerboeken en belijdenisgeschriften Jezus Christus als Hoofd der Kerk en als Heer der wereld".
We zouden willen opmerken, dat hier het dynamische vrijwel geheel plaats heeft moeten maken voor het statische; dat men tevreden is met een „belijdenis-kerk", terwijl toch van een voortgaand belijden niet gerept wordt.
Maar, wat er ook op te merken en te discussiëren overblijft, we willen gaarne waarderen, dat ook dezerzijds aan het gesprek deelgenomen wordt".
Wij stellen ons op het standpunt, dat de schrijver een en ander bedoelt als inlichting en voorlichting der gemeente Feijenoord en IJsselmonde, om haar in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van het ontwerp-Kerkorde en haar strekking en van de beoordeling, welke daaromtrent van verschillende zijden, o.a. van de kant van de Gereformeerde Bond, wordt gehoord.
Het is toch een zaak, waarbij de gemeente nogal belang heeft, waarin zij mede verantwoordelijk is voor de beslissingen, die ook voor de ontwikkeling van het kerkelijk leven in de toekomst uitermate gewichtig kunnen zijn.
Daarom zou men van de redactie hebben kunnen verwachten, dat zij wat meer belangstelling toonde voor de principieel zo geheel verschillende achtergrond, waaruit de formulering van art. X opkomt, en die, waardoor de redactie van de Studie-commissie wordt bepaald.
Het komt ons voor, dat er in de gemeente Feijenoord vele mensen zijn, die daaromtrent gaarne meer inzicht zouden wensen, omdat zij er nog altijd aan vasthouden, dat de belijdenis der Vaderen, vervat in de Drie Formulieren, de belijdenis der Ned. Hervormde Kerk is en als zodanig behoort erkend te worden.
Wij willen niet onderstellen, dat ds. Kl. de belijdenis der Vaderen niet als de belijdenis onzer kerk beschouwt, of dat hij zou menen, dat zij tot op heden rechtens niet de officiële belijdenis der kerk zou wezen.
Maar daarom juist doet het wat eigenaardig aan, dat hij zich van deze dingen zo gemakkelijk afmaakt. Wij vragen, wat hebben de mensen van Feijenoord en IJsselmonde aan een opmerking over „het" dynamische, dat hier vrijwel geheel plaats heeft moeten maken voor „het" statische ? En wat wordt de gemeente wijzer, als hij zegt: dat men tevreden is met een „belijdenis-kerk" ?
Ten eerste zijn dit begrippen, welke, in de theologische discussie zelfs niet altijd klaar en duidelijk of van meerzijdige betekenis, zeker niet binnen het bereik van het gemiddelde lidmaat liggen. Dit geldt ook van het woord „belijdenis-kerk". Dat kan de kerk zijn, welke in de belijdenis aan het woord is en omtrent haar aard, wezen, roeping en toekomst getuigt, en dat is onze opvatting en bedoeling met dat woord. Maar sommigen schijnen daaronder wat anders te verstaan, zoiets als confessionalisme, een kerk, die haar belijdenis boven de Schrift stelt, of wat anders men daaraan verbinden wil.
Doch wàt ook ds. Kl. bedoelen wil, wij nemen alweer niet aan, dat hij het belijden der kerk zozeer dynamisch ziet, dat het in zijn weg door de tijd geen gestalte kan vinden. Dan zou hij meer dynamisch zijn dan de dynamici van de nieuwe koers, die aan, wat zij houden voor de „leer der kerk" blijkens „Fundamenten en Perspectieven", gestalte zoeken te geven.
De kerk is nu eenmaal confessioneel bepaald, omdat Christus gezegd heeft : „Gij zijt Mijn getuigen" ! en omdat Hij Zijn Woord aan de gemeente heeft toebetrouwd.
Dat bewijst ook zelfs de nieuwe koers, die op de belijdenis der kerk, de stempel „verouderd" drukt, en naar het inzicht, hetwelk die koers drijft, een proeve van beschrijving geeft, waaraan de Synode het zegel hecht: „hernieuwd reformatorisch belijden".
Waar de zaken zo staan, kan het toch wel nuttig zijn voor de gemeente, dat zij door haar Herders en Leraren wordt onderwezen omtrent de betekenis van deze verschijnselen en de vraag, of dit naar de regel des geloofs, d.i. de Heilige Schrift, zoals de Vaderen daarvan getuigenis hebben gegeven, recht is en of het waarachtig reformatorisch karakter met deze nieuwigheden niet ten enenmale wordt prijs gegeven.
Ds. Kl. zegt: „Waar het Woord Gods, n.l. het gezag herneemt en herkrijgt, gaat de belijdenis weer klinken !"
Hoe wil hij dit nu verstaan hebben ? Het is volkomen juist en ook onze overtuiging, dat daar, waar Gods Woord zijn gezag laat gelden, zodat men er voor leert buigen, als een kind, de belijdenis weer gaat klinken.
Wij weten niet, wat ds. Kl. met „de" belijdenis hier bedoelt, maar wij bedoelen, dat hij, die het Schriftgeloof der Vaderen mag delen en door het geloof verstaan, dat de Heilige Schrift Gods Woord is, ons door de zorg Gods toegekomen, geen ernstige gravamina tegen heel de belijdenis der Vaderen, die nog...... nòg de belijdenis onzer kerk is, kan hebben.
Als ds. KL dat nu ook bedoelt, hoe gaat hij dan aan de kant staan van degenen, die de belijdenis der Vaderen als verouderd goed beschouwen ?
En hoe kan hij er tegen hebben, dat er mannen zijn, die hun waarschuwende stem laten horen, terwijl hij dat ook zelf behoorde te doen ?
Hij spreekt van stemming kweken tegen de Kerkorde, terwijl n.b. de kerk bezig is te considereren. Mag de kerk alleen maar considereren in de zin van te prijzen, wat de heren van de leiding wijzen ? Zelfs, als het gaat om het reformatorisch karakter der kerk ? Of zouden wij moeten aannemen, dat ds. Kl. geen oog heeft voor deze dingen ?
„Er moet een leven zijn uit de religie der belijdenis", zo eindigt hij zijn artikel. Alweer de belijdenis, kennelijk de belijdenis der kerk, welke de Vaderen ons hebben overgeleverd. Goed, leven uit de religie der belijdenis, d.i. derhalve; en kan niet anders bedoelen, het geloof, waaruit de belijdenis is ontsproten, waaruit en waarvan zij getuigt.
Welaan dan, zal iemand, die uit de religie der belijdenis leeft, dan kunnen medewerken met degenen, die de belijdenis dier religie aan de kant pogen te zetten en te vervangen door een leer van mensen, die apert weigeren de gemeenschap met de Vaderen te delen in de belijdenis van het goddelijk gezag der Heilige Schrift, zoals zij het beleden ?
Dat sluit in, dat zij niet minder apert weigeren de gemeenschap te delen met de brede kring van gereformeerden binnen (en buiten) de kerk, die met art. 2—7 Ned. Geloofsbelijdenis hartelijk instemmen en zich in oprechte vroomheid beroepen op het getuigenis des Heiligen Geestes in hun harten.
Men zou het de Gereformeerde Bond kunnen verwijten, als hij zich niet in de bres stelde, maar wat voor nuttigheid en kracht er voor de gemeente in steekt er op te wijzen, dat er nog wel enige predikanten kunnen genoemd worden, die lid zijn van de Gereformeerde Bond, of voor zodanig worden gehouden, ofschoon zij zich in feite van de Bond distantiëren, is niet duidelijk.
Het ware beter zich meer rekenschap te geven van de belangen, die op het spel staan.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's