De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een troostwoord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een troostwoord

13 minuten leestijd

En schrijf aan de Engel der Gemeente van die van Smyrna : „Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood geweest is, en weder levend is geworden". Openbaring 2 vs. 8.

Smyrna, voorheen een grote handelsplaats in Klein-Azië, is nu een der grootste steden van het Turkse Rijk. In deze grote stad had de Heiland in het begin slechts een kleine schare, die Hem en Zijn Evangelie was toegedaan. Het waren gedeeltelijk Joden, gedeeltelijk heidenen. De Opziener van dit kuddeke schijnt door de Heere tot martelaar verkoren te zijn, want de gehele inhoud van de brief, en in het bijzonder de woorden :

„Wees getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens", schijnen daarop te doelen, dat hem om de naam van Jezus, een geweldig einde te wachten stond. Ook verhaalt ons de geschiedenis, dat Polycarpus, die een leerling is geweest van de apostel Johannes, en Opziener was van de Gemeente te Smyrna, zijn belijdenis van Christus met de marteldood bezegeld heeft.

Hij werd in zijn 86ste jaar, bij een vervolging der Christenen, gevangen genomen, voor de Romeinse stadhouder gevoerd, en toen hij op de vraag of hij de Naam des Heeren Jezus verloochenen wilde, standvastig bij de belijdenis van zijn Heere bleef, tot de brandstapel veroordeeld werd. Zijn ziel ging in de vlammen ten hemel. Deze was het hoogstwaarschijnlijk, aan wie de brief gericht was ; zij moest een troostbrief, een toespraak zijns hemelsen Konings zijn, opdat hij mocht volharden en getrouw blijven tot aan het einde.

Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood is geweest en weder levend is geworden.

Welk een heerlijke titel, welke de Heiland zichzelf geeft. Hij noemt Zich de Eerste en de Laatste. De Opziener te Smyrna moest zijn erfdeel onder de martelaars ontvangen, dat is, hij zou verwaardigd worden, met de grote eer, zijn getuigenis van Jezus, met zijn bloed te bezegelen, en voor de naam van Jezus zijn tijdelijk leven op te offeren. Hij zou daarin het voetspoor drukken van zijn grote Meester en Voorganger, die Zich óók door een bende boosdoeners liet wegvoeren, gelijk een lam ter slachting en gelijk een, schaap, dat stemmeloos is voor zijn scheerders. Hij zou in zijn dood zijn Heere en Verlosser gelijk worden, gelijk hij Hem in zijn leven gevolgd was, opdat hij ook in de opstanding Hem mocht gelijken in heerlijkheid. Hij zou de voetstappen treden van de apostelen ; in de voetstappen van Stefanus en zovele andere belijders van Christus, die hun leven niet hadden liefgehad tot de dood, die overwonnen hadden door het bloed des Lams en door het woord Zijner getuigenis.

Welk een zware strijd stond de volgelingen des Heeren te wachten. Overeenkomstig het bevel des keizers, deden de landvoogden onderzoek, wie christen was, terwijl zij in hun navorsingen ondersteund werden door velen, die het zich tot een vreugde maakten, de aanvoerders te zijn. Ja, het Woord des Heilands moest vervuld worden : „Verwondert u niet, indien de wereld u haat, want weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, dan zou de wereld het hare liefhebben ; maar dewijl gij niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld". Zij, die verdacht waren de christelijk leer te zijn toegedaan, werden gevangen gezet, dikwijls in duistere, vochtige holen geworpen, en door folteringen en slagen en andere dwangmiddelen geperst, ten einde hun de bekentenis van misdaden af te dwingen.

Dewijl de eerste christenen meestal slechts in de stilte van de nacht en op verborgene, afgelegen plaatsen konden vergaderen, teneinde elkander uit Gods Woord te stichten. werd door de listige aanblazingen des Satans, de verdenking opgewekt, dat hun vergaderingen slechts ten doel hadden om de grootste misdaden ongestraft te kunnen begaan. Voornamelijk werden zij van de ontzettende misdaad beschuldigd, dat zij mensenvlees aten en mensenbloed dronken, waartoe aanleiding gaf het gebruik van het Heilig Avondmaal, door hetwelk zij zich in hun verdrukkingen en angsten, dikwerf versterkten en verkwikten. Bleven zij vasthouden aan hun belijdenis, lieten zij zich folteren, zonder zich te laten bewegen hun geloof te verzaken, dan werden zij andermaal vóór de landvoogd gesleept en alles werd beproefd om hen tot afval te bewegen.

In de éne schaal legde men vrijheid, leven, eer en rijkdom in de andere marteling en dood. Men eiste niets anders van hen, dan dat zij een handvol reukwerks in de offerschaal zouden strooien, die voor een afgodsbeeld of voor een borstbeeld des keizers geplaatst was. En nu moesten zij kiezen.

Voorwaar, een moeilijke toestand.

Aan de éne zijde alles wat de mensen het meest aan het leven doet gehecht zijn : vader, moeder, vrouw en kinderen, huis en hof.

Aan de andere zijde, een pijnlijke, schandelijke dood.

O, hoe menigeen werd er, hetzij door schone beloften, hetzij door verschrikkingen des doods, aan het wankelen gebracht, zodat zij Christus verloochenden en de keizer gehoorzaamden.

Velen nochtans zijn standvastig gebleven in het geloof en hebben alles ten offer gebracht om de Heiland voor de mensen te belijden.

Dewijl het echter zulk een hevige strijd lostte, omdat hij, die overwinnen wilde, de blik geheel hemelwaarts moest richten, dewijl het wel een eer bij God, maar een grote schande voor de mensen was, een martelaar te worden, bereidde de Heiland Zijn dienstknecht zo getrouwelijk voor tot hetgeen hem te wachten stond en trachtte zijn moed op te wekken en hem de blik te doen vestigen op de kroon der overwinning, opdat hij in de dag des kwaads mocht kunnen weerstaan en overwinnen.

Ik ben de Eerste en de Laatste. Wat zijn toch de mensen tegenover Hem, de eeuwige Koning der ere ? Al de volken zijn voor Hem geacht als een droppel aan de emmer, en als een stofje aan de weegschaal.

Hoe gewichtig is dat woord, vooral voor onze tijd. De Heilige Schrift zegt immers duidelijk, dat er in de laatste tijden een grote nood over de Kerk van Christus zal uitbreken, en er zware vervolgingen zullen komen over de ware gelovigen. Want de afval zal komen, en de mens der zonde, de zoon des verderfs, zal geopenbaard worden, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt; alzo, dat hij in de tempel Gods als een God zal zitten, zichzelf vertonende dat hij God is ; en hij zal heersen en regeren en de mensen tot ongeloof en tot afval verleiden en dwingen.

Wij mogen dan wel bedenken, dat de Heiland de Eerste is, en ons het geklank der bazuin herinneren : „Vreest God, geeft Hem de eer, want de tijd Zijner oordelen is nabij gekomen". Hij, die dan de mensen meer zal vrezen dan God, die zich niet door de Heere tot een held laat maken, wiens blik niet onwrikbaar gericht is op het onzichtbare en eeuwige Koninkrijk Gods, wie het niet klaar en levendig voor de ziele wordt, dat Christus de Eerste is, die zal de verzoeking niet uithouden, maar afvallen en eeuwige schande en pijn inoogsten.

Ik ben de Eerste, zegt de Heiland. En deze Heere der heerlijkheid is de Zelfde, die aan 't kruishout heeft gebloed. Dezelfde over Wien zij het hoofd geschud, Wien zij met hoon en spot begroet hebben. Hij is Dezelfde, die tot in de diepste vernedering, in de grootste smaad en in het lijden des doods. Zijn God gehoorzaam was, gehoorzaam tot de dood des kruises.

Hij is Dezelfde, die nu verhoogd is boven alle naam. Wiens eer en roem bezongen wordt door al de engelen, door de Cherubijnen en Serafijnen.

O ! welk een Koning hebben wij, zoó rijk en toch zó arm ; zó groot en toch zó klein ; zó heilig en toch zó vertrouwen inboezemend.

Hij, die Hem tot zijn God heeft, is welgeborgen; die de Eerste tot zijn Vriend heeft, die staat op een goede grond. Deze grond zal blijven, ook als de golven der verdrukking tegen hem aanbruisen, ook als de baren tegen hem aanslaan.

Hij is de goede Herder, die Zijn leven heeft gegeven voor de Zijnen, die ons is voorgegaan in nood en dood. Op Hem mogen al degenen hopen, die om Zijns Naams wille smaad en verachting en vervolging lijden, want Hij is de Eerste.

Hij is de Eerste, maar ook de Laatste.

Hemel en aarde zullen voorbijgaan, zij zullen als een kleed verouden ; de sterren zullen van de hemel vallen als bladeren van de bomen, ja, de hemel, zon en maan en sterren zullen voor Hem vlieden, en er zal voor hen geen plaats meer gevonden worden, maar Hij blijft; Hij is de Laatste.

En wat zijn de mensen ? Zij zijn van gisteren, zij gaan voorbij als een gedachte, als een ogenblik; zij zijn stof, dat tot stof wederkeert, ja, gelijk een bloem van het gras, die voor korte tijd bloeit, en snel verwelkt.

Waar zijn de vijanden van Christus, die tegen Hem zijn opgestaan, die tegen Zijn Evangelie hebben gestreden, die tegen Zijn Gemeente hebben gewoed ? Hun plaatsen vindt men niet meer. Hun zielen zijn heengegaan naar hun plaats en worden bewaard tot op de dag des oordeels, wanneer het woord van de apostel vervuld zal worden :

„De Heere Jezus zal geopenbaard worden met de engelen Zijner kracht, met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen en over degenen, die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn". Zij zijn allen de weg van alle vlees gegaan, maar onze Heere Jezus Christus, onze Algenoegzame Verlosser, is gebleven, en met Hem allen, die Zijn Woord geloofden. Zijn Woord is gebleven en zal blijven tot in eeuwigheid, want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

Hij is de Laatste. Niet zo, alsof eens alles zal ophouden, en Hij alleen overblijven. Ongetwijfeld zal er veel vergaan ; de aarde zal eens vluchten voor de adem des Heeren.

Ook de hemel zal veranderd worden. Ja, wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Veel zal er vergaan, wanneer de stemme Gods zal weerklinken : „Zie Ik maak alle dingen nieuw ; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden".

Nochtans zal er ook veel blijven : de zielen der mensen zullen blijven, en hun loon met hen. De rechtvaardigen zullen ingaan in de eeuwige woningen des vredes, de goddelozen in de eeuwige pijn.

„Ik ben de Laatste" wil zoveel zeggen als: „Ik ben boven alle tijden verheven". Ik ben de Eeuwige, door Wien alles geschiedt. Ik ben het eeuwige voorwerp van het verlangen, van de lof en de aanbidding van alle schepselen.

Ware Hij niet eeuwig, dan hadden de Zijnen geen hoop, tot, Zijn eeuwige heerlijk­ heid geroepen te zijn. Nu echter is Hij de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste, in één woord „Jehovah", en daarom zullen ook zij leven van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Hij is de Eerste en de Laatste ; welk een grote, heerlijke Naam. Welk een troost zal dit woord opgeleverd hebben voor de Opziener te Smyrna, die met het oog op de naderende verdrukkingen zichzelf kon toeroepen : „Ik behoor Hem toe, Wiens Naam Jehovah is".

De Heiland voegt echter bij die grote en heerlijke naam, welke Hij zichzelf gegeven heeft, nog iets bij. Hij zegt: „Die dood is geweest en weder levend is geworden", en daarin ligt ook een grote troost.

Want waarom is Hij dood geweest ?

Waarom heeft Hij Zijn bebloed en doorwond hoofd stervende gebogen ? Alleen uit loutere, vrije gunst alleen.

En waarom is Hij weder levend geworden ? Dewijl Hij de Vorst des levens is, dewijl Hem de banden des doods niet konden houden. Hij heeft de dood de macht ontnomen, en het leven, de onverderfelijkheid en de onsterfelijkheid aan het licht gebracht.

Zo wilde de verheerlijkte Koning der Kerk door dit woord de Opziener Zijn onuitsprekelijke liefde, maar ook Zijn heerlijke en goddelijke kracht in het geheugen terug roepen. Hij wilde hem toeroepen: „Zie, gij zult om Mijns Naam wille sterven, maar vrees niet, want Ik ben ook dood geweest". Acht het daarom voor vreugde, uit dezelfde beker met Mij te mogen drinken, en u te laten dopen met dezelfde doop, waarmede ik gedoopt ben. Lijd met Mij, dan zult gij ook met Mij heersen ; strijd met Mij, dan zult gij ook met Mij overwinnen. Ik ben dood geweest, en ben weder levend geworden, daarom zal Ik, het Hoofd, u, het lid, ook niet in de dood laten, maar gij zult met Mij zijn in de woningen der onvergankelijkheid.

Want waar Ik ben, daar zullen ook Mijn dienaren zijn, want Ik leef, en gij zult leven.

M. L. Zijn wij ook van degenen, waartoe de Opziener van Smyrna behoorde, n.l. dienstknechten van Christus, kinderen des levenden Gods, die uit liefde tot Hem, hun leven ook in de dood kunnen geven ?

Wat een vreselijke zaak zou het toch voor onszelf zijn, onbereid een heilig en rechtvaardig God te ontmoeten.

Daarom, laat ons toch getrouw handelen met onze arme ziel en laat ons onszelf toch geduriglijk die hoogst nodige vraag voorhouden ; „O, mijn ziel, is het al wèl met u ? "

Hebt gij al leren vluchten tot Christus ? Zijt gij al van nieuws geboren, of leeft gij nog, zoals gij in de wereld gekomen zijt ? Nu is het nog de tijd dat God Zich in Zijn Woord openbaart als een God, Die de goddeloze rechtvaardigt. Nu worden wij nog genodigd door een minzame, vriendelijke, barmhartige en almachtige Heere Jezus. Zal het ons een zaak van weinig gewicht zijn of eenmaal de boom naar het hemelse Zuiden of naar het Noorden der hel zal vallen ? Wij lezen van Saul, dat hij stierf in zijn overtreding, en wee onzer, als ook wij in onze overtredingen komen te sterven, want waar de dood ons brengt, daar zal het oordeel ons vinden, en vreselijk zal het zijn om in een onverzoende staat met God te doen te krijgen. Laat ons dan naar de waarheid in het binnenste staan en niet rusten voor wij ons aan Jezus kwijt bevinden.

En gij, kinderen Gods ! Welk een heerlijke, zalige hoop is de hoop eens christens. Wij zullen weliswaar ontslapen en rusten in onze graven. Maar de Heiland heeft ook het graf geheiligd door Zijn nederdalen in het graf, en Hij is opgestaan. Alzo zullen ook wij, te Zijner tijd, bekleed met de mantel Zijner gerechtigheid, te voorschijn treden, om Hem eeuwiglijk te prijzen en te verheerlijken met een nieuw lichaam.

De grote God en Vader van onze Heere Jezus Christus schenke ons allen deze blijde hope. Hij bewerke ons, door de kracht Zijns Geestes, opdat wij, zolang wij nog in deze tabernakel wandelen, geestelijk met de Heiland mogen opstaan, opdat, wanneer dit aardse huis onzes tabernakels verbroken wordt. Hij ons Zijn beeld gelijkvormig make en wij reeds hier met Paulus zeggen : „Onze wandel is in de hemel, waaruit ook wij verwachten onze Heiland en Koning, - Jezus Christus, die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het Zijn verheerlijkt lichaam' gelijkvormig worde naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelf onderworpen heeft".

Dan is het wèl met u. Gij hebt Jezus tot uw Deel. God is uw God, en de hemel is uw erfenis. Uw recht op de hemelse kroon kunt gij niet verliezen ; waar of wanneer gij valt, gij valt in de armen van uw Jezus, en gij zult eenmaal naast Hem zitten op Zijn troon. Komen er dagen van ellende en druk, zij worden om uwentwil verkort; komen er Verleidingen, gij kunt niet verleid worden, de grond, waarop gij staat, die is en blijft voor eeuwig vast.

Laat dan uw bede zijn aan de Troon der genade :

Och, daalde 't heil uit Zion spoedig neer
Voor Israël! Als God Zijn volk uit lijden
En banden redt, zal Jakob zich verblijden.
En Israël al juichend geven d' eer
Aan zijnen Heer'.

B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een troostwoord

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's