De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Fundamenten en Perspectieven van belijden”

Bekijk het origineel

„Fundamenten en Perspectieven van belijden”

Referaat, gehouden op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond te Utrecht, op 27 April 1950.

13 minuten leestijd

Deze proeve van beschrijving, zijnde het resultaat van de arbeid ener subcommissie, door de Commissie voor de kerkorde in het leven geroepen, werd door de Generale Synode der Ned. Hervormde Kerk aangeboden als een „proeve van hernieuwd reformatorisch belijden".

Het zal dus niemand bevreemden, dat het Hoofdbestuur heeft gemeend de aandacht daarvoor te vragen op onze jaarvergadering en naar een referaat uit te zien. Als ik deze taak op mij genomen heb, wil ik U reeds bij de aanvang mededelen, dat teleurstelling hem wacht, die de gedachte koestert, als zou het mogelijk zijn in een kort bestek meer dan een summier oordeel te geven. Een volledige uitwerking en beoordeling van dit geschrift, zou zonder overdrijving een boekdeel vragen. Wij zullen ons derhalve tot enkele algemene beschouwingen moeten bepalen.

Zoals het daar ligt, en bij oppervlakkige lezing zal het velen niet verwonderen, dat het niet ontbreekt aan mensen, die zich verheugen over dit resultaat van de arbeid der Commissie, welke zich daarmede heeft bezig gehouden, wijl zij de blijde overtuiging delen, waarvan het moderamen der Synode namens haar getuigt, „dat hiermede een verantwoorde poging is gedaan om te spreken in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der vaderen".

Nauwkeurige bestudering van deze „proeve van hernieuwd reformatorisch belijden" echter kan niet nalaten de indruk te wekken, dat deze hernieuwing van reformatorisch belijden uit een geestelijk klimaat opkomt, dat haar eigen normen van verantwoording met zich brengt voor wat betreft ,„gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift" en „de gemeenschap met de belijdenis der vaderen".

In ieder geval geeft dit geschrift een proeve van verklaring, welke opvatting de Synode omtrent de formule : „gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" meent te kunnen huldigen. Een opvatting, die wij — vergun ons dit te zeggen — niet in overeenstemming achten met, wat men zou kunnen noemen de religie der belijdenis.

Wij stellen er prijs op, omdat deze uitdrukking nog wel eens op onze naam wordt gezet, mede te delen, dat wij onder de religie der belijdenis geen andere verstaan dan die, welke ons uit iedere bladzijde van Calvijn's werken tegenademt, als de religie der Schriften.

Het komt ons dan ook voor, dat de samenstellers met hun onderscheiding van de letter der belijdenisgeschriften en de reformatorische geest, — van „de formele geldigheid" en' , de religie der belijdenis zelf" — (blz. 11 en 12) ruimte maken voor wat huns inziens het , .eigenlijke" is, waarom het in de Drie Formulieren gaat. Wij zijn echter van oordeel, dat die ruimte meer recht doet aan het inzicht der Heren, dan het eigenlijke, waarom het gaat, verdragen kan.

Daarmede hangt het ook ongetwijfeld samen, dat zij een methode hebben toegepast, welke krachtens haar uitgangspunt geen beroep kan doen op de gemeenschap met de vaderen. Deze zouden het zeker anders hebben gedaan. Wij komen daarop nog terug, om ons eerst bij de doelstelling te bepalen, aangezien dit ook van belang is voor de gevolgde methode.

De doelstelling :

Dank zij een artikel van Prof. Fischer, Hoogleraar in de Volkenkunde te Utrecht, in het Nederlands Theologisch Tijdschrift, dd. Februari '50, blz. 227, die de vraag stelt :

Welke zijn de doelstellingen ? kunnen wij de beantwoording van deze vraag overnemen uit de door hem geciteerde plaatsen. „Wat wij te beoordelen hebben, zo schrijft hij, is : „een getuigenis van de Waarheid Gods" (blz. 3) ; een „proeve van beschrijving", die echter geen vervanging van een belijdenisgeschrift is (blz. 3) ;

„een verantwoorde poging om te spreken in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" (blz. 3) ;

een geschrift, waarin „de Waarheid Gods vertolkt en beleden wordt" (blz. 3) ; „een leidraad voor het gesprek" (blz. 3) ;

„Onze Commissie ziet het belang van het door haar subcommissie ontworpen geschrift op dit ogenblik vooral hierin (cursiv. van mij, F.), dat het kan dienen als inleiding, tot uitgangspunt voor en leidraad bij het gesprek onzer Kerk over haar belijden (blz. 6—7) ; „een werk, dat niet zozeer het onderricht der Kerk, als wel haar belijden dienen" moet (blz. 10) ; „een geschrift, dat „kort en eenvoudig" de leer der Kerk" weergeeft" (blz. 10) ;

„De vurige wens der samenstellers van dit leerboek is, dat de Heilige Geest hun werk moge gebruiken, opdat wij tezamen tot eenheid van geloof, prediking en belijdenis mogen komen" (blz. 11) ;

De schrijvers willen „de eenheid onzer Hervormde Kerk en, kon het zijn, van heel de Christelijke Kerk in Nederland dienen en bevorderen" (blz. 11);

Zij willen tevens „bevorderen, dat de strijd rondom de geldigheid der belijdenisgeschriften een strijd zij over de vraag niet naar een formele geldigheid, maar aangaande de religie der belijdenis zelf" (blz. 11—12).

„Bij alle verscheidenheid" (zo vervolgt Prof. F.) „van formulering, meen ik in bovenstaande citaten één doelstelling Ie herkennen. De kerk wil uitspreken wat zij belijdt en als een wegwijzing daartoe moet dit geschrift dienen. „Het klare overtuigde belijden in de 20ste eeuwse bewoordingen is de beste dienst aan de wereld van nu", (blz. 14)."

Een tweede doelstelling ontdekt genoemde beoordeling in de volgende citaten :

„De leden onzer Kerk vragen voorlichting — afgeleid uit en dus gebouwd op de bodem der vroegere (wij cursiveren, S.) belijdenisgeschriften — in vele vragen van geloof, gees-i telijk leven, zedelijk oordeel en levenshouding, waarop de Kerk een klaar en zuiver geluid moet doen horen, opdat het volk van Nederland, in de Kerk en daarbuiten, wete wat de Heer der Kerk ons zegt en ons vraagt" (blz. 5—6 en 9).

„De schrijvers willen uitdrukken : „wat onzes inziens de Kerk van Christus in deze tijd zeggen moet, opdat de moede en wanhopende mens onzer dagen duidelijk wete, waar zijn heil gelegen is" (blz. 11).

„Het (geschrift) wil uiteindelijk het apostolaat dienen, maar zo, dat het allereerst de Kerk dient, opdat deze door de eenheid des geloofs tot het apostolaat bekwaamd worde", (blz. 12).

„Dit is de tweede doelstelling : binnen en buiten de Kerk „zijn mensen, die moe en wanhopend zijn. Hun zal de weg tot het heil gewezen moeten worden". „Ik zei het reeds", zo vervolgt Prof F., „de schrijvers zien beide doelstellingen in samenhang en het geciteerde wijst dat duidelijk uit. Maar zij, die in en buiten de Kerk moe en wanhopend om voorlichting vragen van de Kerk, zullen in zeer vele gevallen slechts met melkspijs gevoed kunnen worden en het zal de taak zijn van de Kerk hun die te geven. Het is een vergissing te menen, dat zij er door geholpen zullen zijn, wanneer wat de kerk belijdt in zulk een voor leken onverteerbaar brok doorwrochte theologie als ons in de artikelen, waaruit het geschrift bestaat, geboden wordt, of iets dergelijks, is vastgelegd". (blz. 228 v.), (cursivering van ons, S.).

„De toelichting op de artikelen, hoewel in redelijke taal geschreven, is voor mij grotendeels een onverteerbaar en weinig toelichtende beschouwing', (blz. 229).

Tot zover Prof. Fischer.

Wat deze tweede doelstelling betreft, zijn wij het volkomen met hem eens, dat deze proeve van beschrijving een mislukking moet heten. Voor zover dit een leerboek wil zijn en voorlichting wil geven, is dit een onverteerbare catechese. Dit verwijt zal de Commissie dan ook bezwaarlijk van zich kunnen afstoten, aangezien zij zelf reeds nodig heeft gevonden „toelichtingen" op de artikelen te geven. Doch ook deze zijn voor hem, die niet op de hoogte is met de theologische situatie van deze tijd, weinig verhelderend. In sommige uitlatingen geven zij een merkwaardige illustratie van de moeizame pogingen der Commissie om „ingrijpende verschillen" te overvleugelen, hoewel deze nooit de „hoofdzaak" zouden raken en zelden of nooit met de „geijkte" richtingsverschillen zouden samenhangen, (blz. 12).

Desniettemin zegt de toeüchting op blz. 44, zo hebben wij getracht, op Schriftuurlijke wijze oude (wij curs., S.) richtingsverschillen te boven te komen. Die „Schriftuurlijke wijze" vindt klaarblijkelijk haar demonstratie in uitdrukkingen als „bevrijdende greep naar een schuldige en verloren wereld" en „beslissende doorbraak" van Gods Koninkrijk.

Zo verklaart de toelichting op blz. 53, dat men getracht heeft op Schriftuurlijke wijze de tegenstelling op te heffen tussen hen, die de antithese en hen, die de solidariteit tussen gemeente en wereld, voorop stellen. Intussen ontbreekt ook hier iedere aanjvijzing van Schriftuurlijke bewijsvoering.

Ook gewaagt art. 13 (over de Kerk) van de volheid en uitsluitendheid van het profetisch-apostolisch' getuigenis, en van de toets van het Christusgetuigenis, waaraan men alle scheidende leringen en gebruiken wil onderwerpen.

Een en ander illustreert op een opvallende wijze de tweeslachtigheid van een doorbraak-ideaal en de werkelijkheid van „scheidende leringen" en traditie. Overal speelt door deze structuur van belijden een eenheidsideaal als een hogere en verborgen eenheid, welke in het bewustzijn der gelovigen (blz. 31) gelijk het reine zonnehcht in een veelkleurig spectrum, zo ook in veelheid van cultus, leer en kerkorde uiteenvalt.

De aantrekkelijkheid van dit beeld schuilt o.i. in de betrekkelijke waarheid, welke in de veelvormigheid van cultus, leer en kerkformatie van het Christendom in de wereld openbaar wordt.

Het ligt ook voor de hand, dat deze betrekkelijke waarheid wordt aangegrepen door het oecumenisch streven, dat in deze , , proeve" van hernieuwd reformatorisch belijden een leidende rol wil spelen.

Vandaar, dat het idealisme zich richt op het Christusgetuigenis. Wij zijn wellicht niet ver van de waarheid af, als wij menen, dat daarmede is aangeduid, wat men als het „eigenlijke" en de „hoofdzaak" heeft genoemd, waaraan soms zelfs ingrijpende verschillen in de Commissie gezegd worden nooit te hebben geraakt, en welke bovendien zelden of nooit met de geijkte richtingsverschillen zouden hebben saamgehangen. (Vgl. blz. 12).

De roeping der kerk wordt dan gezien in de taak „om deze eenheid voor het bewustzijn der gelovigen en voor het oog der wereld tot openbaring te brengen door alle scheidende leringen en gebruiken aan de toets van het Christusgetuigenis te onderwerpen", (blz. 31).

De hoofdzaak is dus, wat men met dat Christusgetuigenis op het oog heeft. Het schijnt een goede klank te geven, als dat Christusgetuigenis nader als de volheid en uitsluitendheid van het profetisch-apostolisch getuigenis wordt aangeduid, (blz. 31).

Naar de letter, zoals het hier staat, „het profetisch-apostolisch getuigenis als Heiland en Heer" (blz. 31), kunnen wij dit onderschrijven.

Toch ontgaat het niemand, dat wij hier iets van de z.g. basis-formule der oecumene beluisteren, welke wij ook op zich zelf genomen niet afwijzen, wijl niemand in één woord de inhoud van ons geloof anders zou kunnen uitdrukken dan ]ezus Christus, onze Heiland en Heere.

Wij belijden ook van harte, dat er onder de hemel geen andere naam gegeven is, door welke wij moeten zalig worden, dan die Naam, waarvan de apostelen en profeten getuigen en dat de Kerk uit dat getuigenis leeft. Wij kennen geen ander getuigenis van Christus dan het apostolisch-profetische, gelijk dit door de heilige mond van Christus wordt bevestigd.

Er blijft dan geen andere toets over dan het Christusgetuigenis, n.l. het getuigenis der apostelen en profeten, zijnde het enige en voor ons goddelijk gezaghebbende Woord, gelijk wij ook in gemeenschappelijk geloof met de vaderen belijden. (Art. 2^-7 Ned. Geloofsbel.).

De onderwerping aan de toets van dit getuigenis zal dan ook alleen geschikt zijn om „de eenheid en gemeenschap des geloofs" tot openbaring te brengen. Immers de gemeenschap des geloofs zo met de vaderen als met de kerk der eeuwen, de ware oecumene, wordt openbaar door de heerschappij van dat getuigenis in de harten der gelovigen, in overeenstemming met het Woord, ons uit de mond Gods toegekomen en door de Christus toevertrouwd. (Joh. 17 vs. 14).

Nu valt het niet te ontkennen, dat deze proeve op dit allerbelangrijkste punt zwevende blijft, ondanks enkele welklinkende uitdrukkingen.

Het is wel waar, dat men in de weloverwogen tekst van dit geschrift telkens in wat hier en daar, zus en zo wordt gezegd, een gouden draad van reformatorisch belijden schijnt te kunnen opmerken, dooh, als men die wil vervolgen, stuit men telkens weer op de inslag van een synthetisch kunstproduct, dat meer het vernuft van een theologische techniek, dan de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift in gemeenschap met het geloof der vaderen eert.

Men vlucht voor de schimmen „belijdenisvrees" en „belijdeniskramp" en weigert de hechte grondslag en de enige regel des geloofs, de Heilige Schrift, als de waarheid Gods met de vaderen te erkennen.

Eigenmachtig maakt men de Heilige Schrift van de Christus los, zodat ook het Christusgetuigenis onzeker, twijfelachtig, benaderend en zwevend, zijn alleen gezaghebbende plaats in de kerk inboet.

Het houdt daarmede verband, dat men zich opzettelijk heeft onthouden van een „aparte leer van de Heilige Schrift" en dat met een beroep „op het feitelijk gezag, dat de inhoud der Schrift op ons uitoefent", (blz. 14).

Niettemin vangt art. 1 aan met de woorden : Wij geloven met het hart en belijden met de mond „dat de aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid". (Psalm 24 : 1), (blz. 19).

In artikel 6 (blz. 22) luidt het: Hij (Jezus Christus) is geen leraar van waarheden, die ook buiten Hem om zouden gelden, maar Hij spreekt de waarheid uit, die Hij zelf is.

Wij vragen : is dan de door Hem uitgesproken waarheid geen waarheid ? Ja, kan er enige waarheid, op welk gebied des levens ook, kan er enige waarheid onder de mensen gestalte aannemen buiten Hem om ?

Of is de waarheid afkankelijk van ons erkennen, van onze menselijke eigengereidheid, van ons al of niet beamen ? Zal niet het getuigenis, dat God in de wereld zet, waarheid zijn, ondanks ons al of niet erkennen ?

„De aarde des Heeren", is dat een waarheid, alleen voor het geloof en voor de Christgelovige ?

Zou dan de waarheid geen waarheid zijn, omdat Pilatus zijn schouders optrekt en omdat er mensen in de wereld zijn, die de kentekenen van Gods Majesteit verachten en naar het apostolisch getuigenis de waarheid ten onder houden ? (Rom. 1 VS. 18 V.V.).

Wij theologiseren niet, zeggen de samenstellers, maar blijven practisch. (blz. 42).

Intussen delen zij ons mede, dat in de zin : „Wij zijn onmachtig " (art. 2) gezegd is, dat er geen natuurlijke Godskennis bestaat.

Men zou zo zeggen, dat moogt gij er wel bij aantekenen. Wij kunnen alweer vragen, is dat een waarheid of niet ? Welke waarde en betekenis heeft dit beweren ? Zij blijven echter schuldig om te verklaren, wat zij onder „natuurlijke Godskennis" begrijpen.

O.i. zou dit alleen maar kunnen betekenen, dat de mens op en voor zichzelf beschouwd, onmachtig zou zijn enige kennis of enig besef van God te hebben. Maar, als de aarde des Heeren is, mitsgaders haar volheid, bestaat er geen schepsel op en voor zichzelf, buiten de Schepper om, en is het hele begrip ener natuurlijke Godskennis volmaakte onzin.

„Wij zijn onmachtig", zal dus bedoelen, dat wij, aardse mensen, niet vermogen in de hemelse dingen in te dringen, en dat wij God niet tot object van ons onderzoek kunnen maken, zoals wij dat met de dingen van deze wereld doen. Indien wél, dan zouden wij niet alleen heerschappij hebben over de verschijnselen in deze wereld, maar zou deze heerschappij zich ook over God uitbreiden.

Dit is trouwens ook Calvijn niet ontgaan.

De toelichting gaat echter verder : De vraag, in hoeverre en in welke zin we van een openbaring Gods in de natuur mogen spreken, wordt in het midden gelaten, (blz. 42).

Wij laten de ongelukkige redactie: „Openbaring Gods in de natuur" rusten, hoewel zij op een geheel foutief begrip van de zaak kan wijzen. Art. 2 spreekt niet van een openbaring in de natuur, maar door de schepping, onderhouding en regering der wereld. De belijdenis beroept zich ook op de Heilige Schrift, die zelfs van het kennelijke Gods getuigt, hetgeen in de mensen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. (Rom. 1 vs. 18 v.).

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Fundamenten en Perspectieven van belijden”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's