De Puritein van de Hertenpolder
49
Eens op een avond, toen hij de brug heeft laten zakken voor de schapen, is het hem echter zeer bang geworden. Hij is in strijd met allerlei duistere inwerpselen en hij poogt die te weren, omdat ze onschriftuurlijk zijn. Maar dan komt hem een inval in de gedachte, die hem moeite geeft.
Hij weet zich een groot zondaar, en is daar opnieuw over verontrust. Dan fluistert er iemand : Jij bent wel een groot zondaar, maar nog niet groot genoeg, nog niet zo groot, dat ge ui waarlijk diep kunt verootmoedigen. Je moet nog méér en gróter zonde bedrijven, dan hebt ge meer reden u te bekeren. Want dan is er voor de grootste der zondaren genade. Nu hebt ge nog te wei nig gezondigd om recht vernederd onder te worden. Kom, zoek het vermaak nog eens opnieuw en werp u in de armen van de wereld, van de goddeloze wereld. Want gij moet eerst een groot zondaar zijn, dan moet ge tot God gaan.
Deze fluisteringen klinken als stemmen in Janus' ziel. En zó overtuigend, dat hij er geloof aan hecht. O, wat is hij in zichzelf een blinde en weet hij niets. Hij redeneert, dat hij werkelijk nog te weinig gezondigd heeft, om zich diep genoeg voor God te kunnen verootmoedigen.
Hierover is hij bezig, als hij schijnbaar geen aandacht voor de schapen heeft, terwijl hij ze toch over de brug ziet tippelen.
De dieren laten graag hun oude wei in de steek om onder de koeien te grazen. Nu hoeven ze niet om de brug heen te draaien of er aan voorbij te rennen. Ze ijlen het ruime veld in.
En de ram gaat van hotse, hotse, met z'n zware staart.
Hij is het die, in tegenstelling met de ooien, achterdochtig op een afstand blijft staan.
Nog staat Janus bij de brug. Nog houdt) dat grote probleem hem gevangen. Hij moet met God verzoend worden, maar kan niet uitkomen. Hij is niet volkomen neergebogen vanwege zijn zonde.
Dan opeens wordt 't hem duidelijk ; wat is zijn geestelijke strijd, wat is zijn arbeidzaamheid anders, dan een trachten te komen tot God, om er zelf beter van te worden. Is het hem wel om God te doen ? Zoekt hij niet veeleer zijn eigen welvaren ? Is hem de ere Gods wel het hoogste ?
Dan is hij teleurgesteld. Hij zoekt Gods ere niet! Fel grijpt het verdriet hem aan. — O God, wat is de mins, as hie wat vreut in de geestelijke gesteldheid van z'n hart, verzucht hij.
Ut goddelukke waark is niet te keren, mer ut minselukke zal zeker vurkeren.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's