De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Fundamenten en Perspectieven van belijden”

Bekijk het origineel

„Fundamenten en Perspectieven van belijden”

15 minuten leestijd

De samenstellers menen nu, dat zij met de bewering, dat er geen natuurlijke Godskennis bestaat (waarmede wij het eens zijn) en door de belijdenis van Art. 2 in het midden te laten, aan de strekking van Rom. 1—3 recht te doen.

Het is ten enenmale misleidend, want de in het geding zijnde vraag betreft niet in de eerste plaats de strekking van Rom. 1—3, of wat men daarvoor wil houden. Het gaat over de vraag, of de aardse mens, ondanks zijn onmacht, toch enige kennis, enig besef van God, de Schepper heeft, m.a.w. of er een openbarende daad Gods is, die tot alle mensen doordringt, of nog anders, of er van een kennelijke Gods kan worden gesproken. Des mensen onmacht om in de hemel door te dringen, doet niets af van het welbehagen Gods om het gevoelen van Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid aan alle mensen in te druppen.

Derhalve mochten de samenstellers de vraag aangaande een algemene openbaring niet in het midden laten, terwijl de Heilige Schrift daaromtrent een getuigenis geeft, dat uitermate duidelijk is.

Wij vragen verder, wat bedoelen de samenstellers met het feitelijk gezag, dat de inhoud der Schrift op ons uitoefent (blz. 14), en welke waarde heeft dat voor ons geloven en belijden, als men haar op zulk een wijze hanteert en over haar duidelijke uitspraken heen bazelt ? Dit komt nog te meer uit in verband met de toespeling op de burgerlijke gerechtigheid, welke het oordeel van Rom. 3 : 23 : „Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" niet verzacht, zoals de toelichting verklaart op blz. 43.

In deze passage wordt de waarde van een goed leven naar onze zedelijke maatstaven ook weer in het midden gelaten, en hoewel wij geenszins willen betogen, dat deze gerechtigheid voor God zou kunnen bestaan, wordt door Paulus in Rom. 2 : 14, 15 teruggewezen op het werk der wet ook in het hart der heidenen, die de wet niet hebben, en op het geweten.

Toe gestaan, dat de strekking van Rom. 1—3 in het zoeven aangehaalde vers mede uitdrukking kan vinden, moet toch worden opgemerkt, dat de algemene openbaring van het kennelijke Gods en het betonen van het werk der wet in de harten — en niet de burgerlijke gerechtigheid — door Paulus worden aangevoerd tot een oordeel. „Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt, veroordeelt gij uzelven, want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen."

Uit een en ander blijkt, dat de Heilige Schrift niet in het midden laat of de onzienlijke dingen Gods van de schepping der wereld aan, uit de schepselen worden verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Deswege tekent zij de openbaring van de toorn Gods over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, omdat zij de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.

Zo ontmoeten wij de uitdrukking „in het midden laten" telkens weer, b.v. op blz. 53 : In het midden wordt gelaten i( evenals in het slot van artikel 2) of de biologische dood van de mens al dan niet in Gods scheppingsplan thuis hoort, dus of er een natuurlijk sterven denkbaar is.

Wat betekent nu in het licht van deze uitspraak het feitelijk gezag der Heihge Schrift, die in Rom. 5:12 zegt: „Daarom gelijk door één mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood ; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben" ?

Wat kan de grond zijn van het feit, dat men Ps. 24 : 1 en Rom. 3 : 23 aanvaardt als feitelijk gezaghebbend en dat men dit niet doet ten aanzien van de in het geding gebrachte plaatsen, zoals ook Rom. 5 : 12. Er is toch geen twijfel aan, dat de Schrift overal verband legt tussen de geestelijke dood en de biologische dood. Wij denken ook aan het bekende hoofdstuk der opstanding (1 Cor. 15).

Wie de biologische dood als thuishorende in Gods scheppingsplan, dus als in de scheppingsorde thuis horende, wil vermoeden, moet ook de opstanding daaraan verbinden. En dat niet alleen, hij moet de zonde, zijnde de dood door de zonde ingekomen in de wereld, ook in de scheppingsorde thuisbrengen.

Hoe zij dan in de wereld is ingekomen, welke dan buiten deze scheppingsorde zou vallen, is weer een vraag.

Daartegen zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de Schriftgelovige tot voorzichtigheid wordt gemaand, als de gedachten zich willen uitstrekken naar Godd scheppingsplan, wijl dit alleen in Zijn Raad en voornemen ligt, en naar scheppingsorden, omdat de zonde in de wereld is ingekomen, waardoor de orde werd verbroken.

In de tweede.plaats kunnen biologische beschouwingen op dit punt geen argumenten aanbrengen, omdat de verborgenheid van leven en dood buiten het bereik van ons kenvermogen ligt. Bovendien gaat het bepaaldelijk over de dood van de mens.

In de derde plaats en dat is de voornaamste tegenwerping, heeft de apostel Paulus niet gesproken uit een legendarische of mythische opvatting van Genesis 1—3.

Het in het midden laten van de vraag omtrent de biologische dood handhaaft intussen de mogelijkheid, welke men als zodanig stelt in de uitdrukking: „door de zonde gequalificeerd sterven" (blz. 55). Toch wordt daaraan weer toegevoegd : dat sterven is in ieder geval „de bezoldiging der zonde". Dit neemt niet weg, dat de dood als zodanig in zulk een gedachtengang niet de straf der zonde zou zijn.

Deze voorbeelden mogen genoegzaam zijn om aan te tonen, dat het beroep op het z.g. feitelijke gezag der Heilige Schrift ter vermijding van een aparte leer grond heeft niet alleen in de bedoeling van dit geschrift, maar in een onder dat feitelijk gezag schuilende niet uitgedrukte leer der Heilige Schrift, welke aperte afwijzing betekent van de belijdenis der vaderen in Art. 2—7 der Ned. Geloofsbelijdenis.

De betuiging van dat feitelijk gezag heeft inderdaad niet meer zin dan de betoning van het feit, welke in de peroratie van iedere critische Schriftbeschouwing een plaats zou kunnen vinden : n.l. dat deze verzameling van geschriften in de historie der mensheid — ondanks alles wat men, daartegen heeft ingebracht — werkt als orgaan van Godsopenbaring.

Het behoeft voorts geen nader bewijs, dat de in deze proeve aan het woord zijnde Schriftbeschouwing zijn invloed doet gelden in alle stukken der leer en omgekeerd ook wordt bepaald door allerlei factoren, welke een rol spelen in wat men zou kunnen aanduiden als de problematiek van kerk en wereld in onze tijd. Daarin vinden doelstelling en methode van dit geschrift grotendeels haar verklaring.

Nochthans moet het als een fundamentele fout worden aangerekend, dat dit „leerboek", zoals het op blz. 11 heet, niet allereerst handelt over de leer der Heilige Schrift. Deze betreft toch het allervoornaamste stuk des geloofs.

„Dit moet onveranderlijk vastgesteld blijven", zo schrijft Calvijn, „dat zij, die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de Schrift, en dat deze haar geloofwaardigheid in zichzelf heeft, en niet onderworpen mag worden aan bewijsvoering en redenering, en dat zij niettemin de zekerheid, die zij bij ons verdient te hebben, door het getuigenis des Heiligen Geestes verkrijgt". (Calvijn Inst. I, 7, 5, Sizoo).

„Indien deze zekerheid, die hoger en sterker is dan elk menselijk oordeel, niet aanwezig is, zal het gezag der Schrift tevergeefs door bewijzen verdedigd, of door het eenparig gevoelen der kerk bevestigd, of door andere hulpmiddelen versterkt worden, aangezien het altijd twijfelachtig blijft, tenzij dit fundament gelegd is". (Inst. I, 8, 1).

Calvijn stelt alzo de Heilige Schrift „als vallend buiten de gewone orde". (Inst. I, 8, 1). Zij bezit door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer zij geloven, dat zij uit de hemel is voortgekomen, even alsof de levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden. (Inst, I. 7, 1).

Het geloof begint met Schriftgeloof te zijn, d.w.z. „de Kerk erkent, dat de Heilige Schrift de waarheid van haar God is, en vereert haar zonder dralen, gelijk de plicht van haar Godsvrucht haar voorschrijft, om met Calvijn te spreken. (Inst. I, 7, 2). Alle verwijt van boekreligie ten spijt, houden wij vol, dat geen Schriftbeschouwing, maar de erkenning van en de onderwerping aan de Schrift als waarheid Gods het kenmerk is dergenen, die van de Kerk zijn en delen in haar geloof.

Dat wil niet zeggen, dat het geloof, hetwelk wij in de Schriften stellen, afhankelijk zou zijn van de willekeur en

het oordeel der Kerk, maar, dat zij, die nog niet door Gods Geest zijn verlicht, door de eerbied voor de kerk tot leerzaamheid gebracht worden om het geloof in Christus uit het Evangehe te leren (Calvijn, Inst. I, 7, 3).

Wij brengen deze dingen nadrukkelijk naar voren, omdat dit fundamentele stuk des geloofs alleen door het geloof kan worden beleden en geleerd, en deze leer in de „Fundamenten" opzettelijk wordt vermeden.

Ten tweede, omdat dit geschrift pretendeert : „kort en eenvoudig" „de leer der Kerk weer te geven".

Over het „kort en eenvoudig" werd reeds gesproken aan de hand van het artikel van Prof. Fischer en behoeven wij niet verder uit te wijden, maar wij vragen : Welke leer en van welke kerk ?

Tegen het getuigenis des Heiligen Geestes, waarop Calvijn en de belijdenis der vaderen, wij mogen zeggen, waarop de Kerk van Christus zich beroept, kunnen geen menselijke redeneringen worden ingebracht.

Bedoelt men de Hervormde Kerk en een leer, die inzonderheid als „Hervormd" wordt aangeprezen, en dat weer bijzonderlijk voor deze tijd ?

Of bedoelt men de leer, welke in de Hervormde Kerk van heden, geleerd wordt met al haar verschillen en tegenstellingen, in hogere eenheid te grijpen en deze in de gestalte van het hier gebodene als leer der kerk voor te stellen ?

Of heeft men de gemeente van Christus op het oog, welke ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld, om met haar belijdenis te doen van het geloof, dat den heiligen is over-, geleverd ?

Wie dit geschrift bestudeert en deze vragen stelt, kan niet ontkomen aan de indruk, dat men dit alles tegelijk in een begrip : „leer der Kerk" tracht te verenigen en dat dit pogen begeleid wordt door de hoop, dat de Heilige Geest deze proeve gebruiken wil om naar dit recept de bonte verscheidenheid van leringen en gebruiken in de Hervormde Kerk tot eenheid te brengen van geloof, prediking en belijdenis, (blz. 11).

De schijn dringt zich daarbij op, dat men allerlei staketsels en menselijk geachte bindingen als biblicisme, confessionalisme, dogmatisme, nomisme, moralisme en hoevele „ismen" meer heeft willen opruimen om de Heilige Geest, tegemoet te komen en Hem de vrijheid te verschaffen om deze proeve tot Zijn orgaan te maken, teneinde de door samenstellers gewenste eenheid tot stand te brengen.

In ieder geval kan dit enige verklaring geven van het karakter van dit geschrift, dat doet denken aan een theologische kaleidoscoop, waarin het kleurenspel van de z.g.n. nieuwe theologie en der zich opdringende Rijk-speculatie behoedzaam wordt getemperd door het gebroken coloriet van reformatorische traditie.

Opdat wij dit pogen niet al te zeer overschatten zullen, hebben de samenstellers zo nu en dan een waarschuwend „onzes inziens" geplaatst. Zij willen uitdrukken, wat „huns inziens" de Kerk van Christus in deze tijd zeggen moet (blz. 11).

Zij willen Calvijn's „Soli Deo Gloria" en Luther's „Hoe krijg ik een genadige God ? ", of wel het theologisch en soteriologisch gezichtspunt, let wel gezichtspunt, vanuit de prediking van het Rijk op Schriftuurlijke wijze met elkander verbinden, (blz. 41).

Volkomen onverantwoord in het licht der reformatorische theologie worden Calvijn en Luther van elkander afgescherind binnen de grenzen van het door samenstellers ingenomen gezichtspunt alsof het „Soli Deo Gloria" bij Luther ontbrak en de soteriologie bij Calvijn er slechts armoedig afkwam.

Van uit deze verenging kan men het doen voorkomen, alsof men het ontbrekende sluitstuk der reformatie heeft ontdekt in de verbinding van het theologisch en soteriologisch, gezichtspunt.

In werkelijkheid wordt deze visie bepaald van uit de gezichtspunten, welke zich in de moderne ontwikkeling der theologische wetenschappen laten ontdekken.

Onder de invloed van de negentiende-eeuwse geest, kwam de Schrifttheologie in het gedrang. Niet het geloof in de schepping, maar de leer ener natuurlijke evolutie beheerste het denken, zodat niet alleen de Bijbelse anthropologie, maar met haar de leer der zonde en der verlossing op de achtergrond geraakten en ook in de kerk van menige kansel niet meer gepredikt werd.

„Het leven der Kerk en der theologie ging zich steeds meer ontwikkelen buiten de belijdenisgeschriften om", merken de samenstellers op. (blz. 11).

Wat men daarmede zeggen wil, zou kunnen worden uitgedrukt in deze zin : Er is een grote distantie, een klove tussen toen en nu. En zoals de ontwikkelingsgang historisch verlopen is, heeft het ontbroken aan de blijvende toetsing der belijdenis door de levende Kerk aan de leer der Schriften.

Deze situatie dreef er toe een wég te zoeken om het verband te reconstrueren. Vandaar de trilogie, gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, gemeenschap met de belijdenis der vaderen, verantwoordelijkheid voor het heden. (blz. 11).

De eigenlijke verbinding wil tot stand gebracht zijn in de structuur van het „Rijk", en dat naar men meent op Schriftuurlijke wijze. (blz. 41).

De hier ontwikkelde Rijk-gedachte wil het raam zijn, v/aarin deze leer der kerk wordt geplaatst. Met de Rijkgedachte hangt het ook samen, dat men een tweetal artikelen aan Israël heeft gewijd, waarin men een toepasselijke handleiding wil geven voor het lezen van het Oude Testament. (Zie art. 3 en de toelichting daarop, blz. 20 en 43).

Art. 17 geeft een soortgelijke handleiding voor de gewenste uitleg van Rom. 11 in verband met de toekomst van Israël, in het kader der Rijk-gedachte, terwijl ook een nieuwe lezing van art. 36 wordt gegeven, welke mede onder invloed van de Rijk-structuur al evenmin een verbetering kan heten als de paragraaf over de voleinding, (art. 18) een geslaagde correctie van art. 37 der Ned. Geloofsbelijdenis.

De tijd ontbreekt ons om aan te tonen, dat deze Rijkstructuur, in verschillende punten een theologische speculatie, door de Heilige Schrift niet wordt gerechtvaardigd en dat zij weinig blijk geeft van het inzicht in het rein-geestelijk karakter van het Koninkrijk der hemelen, waarvan het Evangelie getuigt.

Wellicht heeft de nieuwe inzet van deze proeve van een leer der kerk, aanleiding gegeven om haar als hernieuwd reformatorisch belijden te waarderen.

Komen wij tot onze conclusie, dan behoeft het geen nader betoog, dat wij deze waardering niet kunnen delen.

Kan dit geschrift naar de vorm niet voldoen aan de doelstelling, ook naar de inhoud achten wij het om verschillende redenen ongeschikt om tegemoet te komen aan de nood van moe en wanhopig vragende mensen.

De gewenste eenheid van conceptie in het kader van het Rijk in deze proeve laat niet na, de indruk te maken van een greep, die de gedachte wekt aan een theologische toepassing van Bergsons „evolution creatrice".

Voor ons besef blijft ook voor de tegenwoordige mens de allerbelangrijkste levensvraag, dezelfde die de zestiende-eeuwse mens heeft beroerd : de vraag naar de zaligheid Gods.

Die vraag vindt een antwoord in de reformatorische belijdenisgeschriften, inzonderheid in de Heidelbergse Catechismus, op een zo voortreffelijke wijze, welke in dit geschrift in geen enkel opzicht wordt geëvenaard.

Daarbij komt, dat de veelvuldige gezichtspunten van de doelstelling aan de betekenis en de waardering een onzeker karakter verlenen moeten. Het bedoelt geen belijdenisgeschrift te zijn, maar pretendeert een leer der kerk te geven.

Enerzijds wil het richting geven aan het gesprek om tot eenheid van belijden te komen, anderzijds spreekt het van vroegere behjdenisgeschriften.

Aangezien de als vroegere belijdenisgeschriften gekwalificeerde formulieren de belijdenis der vaderen vertolken, leidt dit tot de consequentie, dat met de geldigheid van die formulieren voor de kerk van heden, ook de belijdenis der vaderen als uitgediend en afgedaan wordt beschouwd.

Het gevolg is, dat op dit standpunt, de kerk van heden noch in feitelijke, noch in formele zin een belijdenis zou hebben, tenzij deze proeve daarvoor gehouden zou worden.

Op die wijze wordt de gemeenschap met de belijdenis der vaderen een luchtspiegeling gelijk, evenals het confessioneel karakter der kerk, hetwelk haar als getuige van de Christus der Schriften nooit kan ontbreken en waaraan zij door Woord en Geest gebonden, uitdrukking moet geven.

Daarom hebben wij naast de bezwaren tegen vorm en inhoud, ook op de methode gewezen. Het kan zeker wel gegrond zijn, als iemand meent, dat de belijdenisgeschriften der vaderen op een of ander punt, zeg omtrent het Koninkrijk Gods, Israël, de laatste dingen, tekort schieten.

Maar zou dan de gemeenschap met de belijdenis der vaderen niet eisen, dat men naar hun voorbeeld ^- denk aan de Dordtse leerregels — met eerbiediging en behoud hunner belijdenis — zulk een punt afzonderlijk in onderzoek nam en daaromtrent tot een gewijzigd of aanvullend formulier zocht te komen ?

Mogelijk zou dit ook bij uitstek centrale stukken kunnen betreffen als de leer der Heilige Schrift; die het reformatorisch karakter in het geding brengen, en misschien tot scheuring leiden, als men zich daarvan bewust wordt. Dan gaat het toch niet aan, dat men terwille van doelstellingen in een proeve als deze de geldigheid der kerkelijke belijdenisgeschriften zonder vorm van proces als opgeheven beschouwt, als gold het een afgedane en kerkelijk uitgemaakte zaak ?

Derhalve gaat uit deze dingen een roep van waarschuwing en vermaning uit tot allen, die de belijdenis der vaderen liefhebben, omdat zij in eigen leven de gemeenschap des geloofs met hen gevoelen.

Inzonderheid gaat die roep uit tot de Dienaren des Woords en de ambtsdragers, die in de vergaderingen der kerk hun stem hebben te verheffen, wijl zij mede verantwoordelijk zullen zijn, indien door hun zwijgen en nalatigheid de vaste grond, waarop alleen de kerk als een pilaar der vastigheid kan staan, wordt prijs gegeven.

Wij allen hebben pal te staan, opdat door Gods genade moge verhoed worden, dat de kerk de belijdenis van de Heilige Schrift als de waarheid van haar God niet prijsgeve en — overgegeven aan allerlei wind van leer — haar reformatorisch karakter zou inboeten.

Zij zou daardoor de enige grondslag en regel voor haar leven en belijden op aarde verloren hebben, waarop de kerk der reformatie werd gebouwd en waardoor zij werd geleid.

Weest daarom wakker, opdat gij getrouw moogt worden bevonden in de benaarstiging van de zaak des Heeren en stelt u in de bres.

Bewaar het pand, u toebetrouwd.

Zo waarlijk helpe God !

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Fundamenten en Perspectieven van belijden”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's