De Puritein van de Hertenpolder
50
Er schrijnt een felle pijn in zijn ziel. Hij wil van nu en voortaan niet meer aan een stelsel hangen. Christus moet hem alles worden. Maar hij kent deze gezegende Heere Jezus niet, van God gegeven en gesteld. Wel heeft hij Hem van verre gezien en hij durft niet ontkennen dat Gods vertroostingen hem hebben gesterkt, maar Christus is hem nog niet geworden tot een Zaligmaker in leven en sterven.
Met grote weedom denkt hij terug aan 't ogenblik dat hij bij de overvloeiende waterbak stond, die hij had volgepompt, en met z'n geest vertoefde in de nabijheid van het zalige leven.
Toen was het hem beter dan nu. En toch, het waren de lentebloesems, die de zomer aankondigden, en nu zijn die lentebloesems verwelkt en de piasregen is over ; hij is over gegaan, maar de zangtijd is niet genaakt en de stem der tortelduif is niet gehoord in het land.
Maar wat ook waar is, hij heeft een sterke troost gevonden in de weeklacht van Frans van Luik. Er is toch nog hoop. Doch als hij zelf de weg wil uitwerken, dan gaat hij redeneren dat hij nog te weinig een groot zondaar is.
Hierover tobt hij tot de avond.
Mia deelt zijn lot. Zij bemerkt wel, dat hij innerlijk weer in moeilijkheden zit. Daarom wordt zij ook in zichzelf gekeerd.
Tegen achten komt er een meneer uit het dorp de weg op fietsen. Hij groet beleefd en stelt zich aan Janus, die juist uit de schuur komt, voor, als meneer Sloot, onderwijzer van de Christelijke School.
— Ik zal maar direct met de deur in huis vallen, Veldstroo, begint hij. Van Delvenaar, de metselaar, hoorde ik dat jullie met elkaar over boeken gesproken hebben. Hij zei, dat u nog een boek bezat van Trigland over de Kerkelijke Geschiedenissen. Ik heb mij door studie in de historie van het kerkelijk leven omtrent 1618—'19 een beetje ingeleefd in die tijd. En nu ben ik geboeid daardoor, en zoek ik alle werken te bestuderen, die handelen over het kerkelijk leven uit de tijd der Reformatie. Het is werkelijk interessant, die verschillende historie-schrijvers te raadplegen over de strijd der Contra- Remonstranten met de Remonstranten.
— O juust, antwoordt Janus, da boek kun u mit plezier kriegen. Dan brengt ut meer rente op as noe. Loop d'r mer in.
— Kijk eens aan. Dus u kunt het wel een poosje missen ?
— Jaowel. Over die historie ? Ik hê d'r nogal in gegrasduind in die ouwe boeken. Van Motley las ik „De opkomst van de Nederlandse Republiek". Een heel mooi waark. Hierin wor de Prins van Orange zo schitterend in beschreven en het ik gezien waorum ze hem de Zwijger hen geneumd.
— 't Is erg mooi om die geschiedenissen na te gaan aan de hand van speciale vaklieden op het gebied van de historiebeschrijving. Dat is ook nog een verschil met die lui ! De één is droog en taai, de ander fris en boeiend. En bovendien, de ligging van de schrijver heeft natuurlijk een grote invloed op de beschrijving van de geschiedenis.
B.v. bij de historicus Jan Wapenaar is dit sterk 't geval. Hij is nu verouderd en schuilt in menige boekenkast onder het stof op een vergeten plek. Hij verzwijgt het één, om zijn kleur aan de geschiedenis is geven, en beschrijft het andere, zodat hij de lezer zijn denkbeelden over de personen geeft en hen stuwt in de richting van zijn gevoelens.
Dus daar is een willekeur, al naardat men Gereformeerd of Remonstrant is.
— O zo, zegt Janus geïnteresseerd, da snap ik. Ik hê gedurig opgemaarkt, dat de intellectuëlen over 't algemeen, de pursoon van Oldebarnevelt in een mooi daglicht stellen en Prins Maurits in een lilluk.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's