De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN EN TWEE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN EN TWEE

10 minuten leestijd

....... en Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.Jeremia 3 vs. 14b.

Meer dan één van de andere profeten is Jeremia een eenzaam man geweest, die met een schier bovenmenselijk zware taak in het midden van het volksleven van zijn dagen stond. Hij is door de Heere uitgezonden om uit te rukken en af te breken, om te verderven en te verstoren ; het kon moeilijk anders of de boodschap van het gericht stond op de voorgrond. Zó kon het niet blijven gaan in Juda ; daar was een oordeel zich aan het ophopen. Het volk had de Heere verlaten: Daarom zal Ik mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven ; Ik ben des berouwens moede geworden, (hoofdst. 15 vs. 6). Jeremia ziet het verkeerd gaan : de stroom gaat van God af en van Hem en Zijn genade moet het volk leven. De ijdelheden loopt men na, en als een wachter staat de profeet op zijn post, alleen met het Woord van zijn Zender : Wie weet, het volk mocht zich wenden en berouw hebben en weerkeren tot de God der Vaderen.

Het zag er in de dagen van Jeremia verre van rooskleurig uit; in de internationale verhoudingen was het inderdaad schrik van rondom ; het onweer kwam opzetten en al mochten velen in ijdele rust en onverwoestbaar optimisme menen, dat de bui wel zou overdrijven, dat de Heere Zijn volk wel zou ontzien en dat Jeruzalem er wel goed zou afkomen — de profeet wist beter : het zou niet goed gaan, tenzij dan dat er een terugkeer kwam tot de God des Verbonds.

Het is Jeremia niet meegevallen om voortdurend datzelfde te laten horen : honger en zwaard en pestilentie zullen het land teisteren en er zal geen redden aan zijn.

Maar Gods Woord spreekt niet alleen van oordeel, nu niet, in deze dagen, waarin velen zich losmaken van de dienst des Heeren, zelfs nu niet; ook nu is er die andere kant: de verkondiging van leven en vrede, zoals Jeremia zelfs in zijn dagen ook een roeping had om te bouwen en te planten. Want de Heere zal blijven bouwen naar Zijn gemaakt bestek en Hij zal blijven planten dei wijngaard, waarin Hij zich zal verlustigen.

Kan dat echter wel, dat de Heere zulk een volk genadig is en zulk een volk nog zegent ? Is het niet te ver gegaan in de zonde ?

Het is een grote genade, als een volk, als ik persoonlijk gezet word voor die geweldige vraag : Kan het nog wel goed komen tussen mijn Schepper en mij ? Voor velen is dit geen vraag meer. En anderen vinden het een vanzelfsprekende zaak, dat God 't goed maakt met de mensen, en men zet zich rustig over de zonde heen en over zoveel, dat krom en onheilig is in het leven ; men vergeeft zichzelf de zonde, en dan vergeeft de Heere de zonde niet. Men vergeet de zonde, en dan zal de Heere die nimmer vergeten.

Als ik de zonde niet vergeten kan en mijzelf de zonde nimmer vergeven kan, als mijn zonde gedurig voor mij staat, aanklagend en beschuldigend, omdat ik zo de Heere heb vergeten en Hem moeite gedaan heb met mijn dwaasheid. Hem, die met zoveel goedheid en genade mij in mijn leven heeft omringd, dan voltrekt zich het wonder van de vergeving, daar vergeet de Heere zó goddelijk volkomen, dat de zonde nooit meer door Hem wordt opgehaald, een koninklijk en goddelijk vergeten en vergeven. En zo is er redding mogelijk en alleen in de weg van hernieuwing van het Verbond is er uitzicht en toekomstverwachting, voor een volk — voor Juda — zelfs voor Israël, al is dat reeds jaren in ballingschap, — en ook voor ons arme ontredderde leven.

Maar dat woord van de tekst dan ? Vinden we hier niet een benauwende beperking van de genade des Heeren ? Het moet maar op je aankomen, één of twee, dat is niet veel en zal dat dan mij gelden ? Hebben we hier een belofte, die zo weinig algemeen is, dat ik er eigenlijk niets aan heb ? Eén uit een hele stad ? Zo wordt dit woord wel eens opgevat, en valt het zwaar op uw ziel. Zou het dan waar zijn, dat het maar een enkeling is, die zalig wordt! Neen, we bedoelen niet voorbij te gaan aan de woorden des Heeren, die gezegd heeft: wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan, want de poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt en weinigen zijn er, die dezelve vinden.

In de practijk van het leven ziet ge dit woord des Heeren bewaarheid en in de dagen van Jeremia was dat niet anders. Gewaarschuwd was men wel, maar men bleef volharden op het verkeerde pad en het einde was de ondergang. De macht der zonde en der duisternis is wel groot, dat zij de mens zó in haar ban heeft, dat er meer dan menselijke overredingskracht nodig is om hem te doen ontwaken tot de ernst des levens.

De noordelijke stammen zijn allang in ballingschap als Jeremia deze woorden spreekt ; alle verwachting voor de vele uit Samaria weggevoerden schijnt afgesneden. Een uitzicht van terugkeer is er niet, en nu moet Jeremia over de hoofden van de inwoners van Juda en Jeruzalem heen, zich richten tot de ballingen en zeggen, dat er voor hen hoop is.

Al zou er maar één zijn uit heel Samaria, die het Woord des Heeren zou verstaan, al zou er maar één uit één van de geslachten van de weggevoerden van Israël zich bekeren, dat zou den Heere niet te min zijn.

Wij zien dikwijls naar het aantal, en daaraan meten wij af of iets geslaagd is of niet. Het leeft soms al te weinig, dat de Heere daar is, waar twee of drie in Zijn Naam zijn vergaderd ; wij denken bij het werk van de Zending er aan, hoevelen zijn toegebracht, en dan zeggen wij : maar tien ? of maar 20, hier of daar? Wij denken bij de arbeid onder wie van de Kerk vervreemd zijn en vragen : als er één of twee tot het Woord zijn gebracht : Is dat alles ? En dan voor zoveel moeite en dan met zoveel kostten ? Maar de Heere doet het anders : één of twee is Hem niet te weinig ! We mochten verwachten, dat de ballingen uit Israël bij drommen zouden komen, moede van hun nood, om de uitkomst te zoeken bij de God van Israël. Had dit volk dan niet geleerd wat er van terecht komt als een mens de Heere verlaat ? Nu zullen ze het toch begrijpen, dat het alleen goed komt, als het goed is tussen de Heere en ons.

Maar evenmin als weleer de zegeningen tot God hadden gebracht, dreef nu de nood in de armen des Heeren met boete en berouw over de verlating en verbreking van het Verbond. De nood op zichzelf, de nood van de bezetting en de nood van ziekte en de nood van de dood, zonder meer en op zichzelf, brengt niet tot God.

Een volk, dat in nood zit en zich niet verootmoedigt, en dan de roepstem des Heeren en de nodiging : Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht.

Misschien hebt u wel eens getobd over dit woord en gedacht : ik ben de enige van ons gezin en ik kan niemand mee krijgen.

Ook Christen in Bunyan's Pelgrimsreis is aanvankelijk alleen ; zijn vrouw en kinderen willen hem terug houden, maar hij steekt de vingers in de oren en snelt voort, terwijl hij roept : leven, leven, eeuwig leven.

Misschien is er nog een enkeling in uw geslacht; maar al zouden allen achterblijven en het Woord des Heeren verwerpen, al zouden er maar twee of drie de oproep tot boete en berouw verstaan, dan zal de Heere hen in genade aannemen.

Het volk in ballingschap mocht denken : Maar hoe kan ik er komen : de weg van de plaats der ballingschap naar de stad des groten Konings is ver ! Maar de Heere zegt toe: Hij zelf zal een verootmoedigd volk thuis brengen. Hij staat er zelf voor in, dat ze er komen.

Ik zal u aannemen en Ik zal u brengen te Sion. Dan ruimt de Heere zelf alle hinderpalen op. Hij ruimt alle beletselen weg, want Hij staat in voor Zijn eigen werk en dat werk mislukt nooit. Het heeft u wel eens getroffen, hoeveel malen in de Schrift gesproken wordt over dat goddelijk vrije en vrijmachtige doen.

Hebt u geleerd wat het betekent in ballingschap te zijn ? Voor de Israëliet was dat niet maar verre zijn van huis en hof, maar veel meer ver van de God des Verbonds, verre van des Heeren altaren, en daarom dat smartelijke klagen en daarom dat heimwee ; want het ging om Sion, als plaats, waar zich de Heere openbaarde. En wat is onze ballingschap ? Dat we verre zijn van God, en dat is de nood van óns leven en daaraan ontdekt, leert ge vragen : Hoe kom ik ooit terug ? Hoe kom ik wederom tot genade ? En daar gaat de Heere in Zijn neerbuigende genade beloven, dat Hij een zondaar wil en kan en zal terugbrengen. Want de Heere Jezus Christus kwam om de schuld te boeten en de zonde der wereld weg te nemen.

Maar we moeten een tekst lezen in het verband, waarin deze voorkomt, zegt u. Inderdaad, dat heb ik getracht. Calvijn schrijft over deze plaats : „Ook al komt er slechts één uit een stad tot Mij, hij zal een geopende deur vinden; ook al zullen er slechts twee uit een stam tot Mij komen, Ik zal ze aannemen." Ook vandaag hebben wij profijt van deze leef. Want wij zien, dat velen door hun dwaasheid van de hope der zaligheid worden buitengesloten of zichzelf de toegang versperren, omdat de een kijkt naar de ander".

U bedoelt evenwel iets anders. Aan wat hierboven staat afgedrukt, gaat iets anders vooraf : we namen slechts de ene helft van het 14e vers. En dat begint met: Bekeert u ! Is dat niet een voorwaarde, waaraan ik eerst moet voldoen en dan pas wordt de belofte waar ? Is de eis van bekering niet iets, wat van mijn kant moet komen, en dan zal de Heere wat geven en wat doen ? Eerst ik aan het werk dus en dan zal de Heere Zijn al­ macht openbaren door mij terug te brengen naar het Sion en Zijn genade-gemeenschap ? Eerst dus ik berouw over mijn zonden, en dan komt het berouw des Heeren ?

Zo is het zeker niet juist. Ongetwijfeld, het gaat niet om buiten berouw en bekering ; Jeremia's prediking is één aaneenschakeling van vermaning tot bekering, zie maar in hoofdst. 3. En een groot voorrecht is het, waar ik onder dat woord val, waar ook de eis van bekering klem krijgt op mijn consciëntie. Alle redding kan slechts van Boven uit geschieden. De Heere begint om Zijns zelfs wille; Hij zet door om Zijns zelfs wille en Hij zal voltooien om Zijns zelfs wille. Maar het gaat niet buiten de mens om ! „God doet geen beroep op de kracht van het volk, maar Hij roept dat volk op tot vertrouwen. Op Gods kracht, waardoor het onmogelijke mogelijk wordt".

Gods Woord heeft altijd twee kanten — het is altijd als bij de boodschap van Jeremia, zegen en vervloeking, oordeel en behoudenis. Zelfs in deze rijke belofte ligt iets benauwends ; als gij dit leest, kunt gij u er niet aan onttrekken : velen zullen Jeremia laten praten en zijn woord zal volkomen langs hen heen glijden ; geen last van hun zonden, geen last van het verre zijn van de Heere ; geen heimwee naar God. Zij zullen nooit komen in Sión, hun hart is elders en derzulker verdoemenis zal rechtvaardig zijn.

Apeldoorn.
H. BOUT.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN EN TWEE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's