De genademiddelen door de Heilige Geest gehanteerd.
Alléén in de handen van de Geest, zijn zij (de genademiddelen), wat zij zijn, zo merkt prof. van Ruler in zijn „bevinding" op (blz. 73). De genademiddelen (woord en sacrament) worden door God zelf, namelijk door God de Heilige Geest, gehanteerd. „Laat men deze dimensie van de Geest er uit, beperkt men zich tot de prediking of de sacramenten, dan blijft men in het laag-kerkelijke steken en komt niet tot de volle, katholieke ruimte : er ontbreekt een dimensie aan, de ruimte wordt een plat vlak", (blz. 73 v.)
Gaarne willen wij de goede bedoeling waarderen, maar de uitdrukkingswijze lijkt ons toch niet zeer gelukkig, omdat o.i. deze meetkundige vergelijking ongeschikt is. Wij leven weliswaar in een wereld van drie dimensies (lengte, breedte en hoogte), en wij belijden dat God een drieënig Wezen is, (Vader, Zoon en Heilige Geest), doch wij hebben in het geloof met geestelijke dingen van doen.
Deze vergelijking doet 't voorkomen, alsof wij mensen uit de bediening des Woords en der Sacramenten, de Heilige Geest konden weren of binnenhalen.
De auteur van deze vergelijking spreekt trouwens van prediking en sacrament, als waren dit twee dimensies, een plat vlak, en daarom laag-kerkelijk, terwijl de Geest dan de diepte- of hoogte-dimensie zou zijn.
Het schijnt ons toe, dat verschillende gedachten hier dooreen gaan. Hij spreekt n.l. over het „trinitarische" en wij hopen hem niet mis te verstaan, als wij dit zo begrijpen : Het werk der verzoening is een werk van de drieënige God in Christus, en dat geldt ook van de toepassing in het hart der gelovigen : Vader, Zoon en Geest komen daarbij te pas. „Ook in de kennis- en zekerheidsvraag moet God zélf er aan te pas komen", (blz. 73).
Maar dan komt er een andere gedachtengang : „Daar kan men niet blijven steken in de prediking of in de sacramenten". „Deze middelen worden door God zelf, namelijk door de Heilige Geest, gehanteerd". De vraag rijst, hoe kan men blijven steken, of „de dimensie van de Geest er uit laten", indien God zelf deze middelen, prediking en sacramenten, hanteert ?
Wie kan de Geest Gods weerhouden ? Wij kunnen de Heilige Geest wederstaan en bedroeven, maar weerhouden kunnen wij Dien niet.
Zo kan prof. v. R. het niet bedoelen, en dat zal ook wel niet, maar dan kan hij alleen een opvatting van een prediker op het oog hebben, die de prediking en het sacrament verkeerd en onschriftuurlijk opvat, alsof deze aards uit de aarde zou zijn.
De ambtelijke bediening des Woords kan dat nimmer zo stellen, omdat het Woord wordt bediend op het bevel van de Christus. Christus is de grote Apostel, de grote Herder der schapen, die Zijn apostelen in de wereld heeft gezonden en ook bidt voor degenen, die door hun woord geloven zullen. (Joh. 17).
Maar als de bedoeling is, tegen een verkeerde opvatting der prediking te ageren, is de uitdrukkingswijze bedenkelijk onduidelijk, en schijnt de geachte schrijver dupe geworden van zijn mathematische vergelijking. Dat kan dan ook gelden van de woorden : „laag-kerkelijk" en „katholieke ruimte".
Er is in deze gedachtengang iets dat wringt. Letten wij op de volgende zinsnede: „Deze dimensie blijft er echter alleen in, wanneer men de Heilige Geest in Zijn eigenheid en zelfstandigheid, in Zijn subjectiviteit en vrijheid zorgvuldig respecteert, - derhalve Zijn werk niet zonder meer vereenzelvigt met, althans niet beperkt tot zijn gebruik van de genade- of kennismiddelen der kerk, en zo voor de mens zelf ook ruimte laat, om wezenlijk aan bod te komen".
Het is de auteur te doen om zorgvuldig respect voor de eigenheid en zelfstandigheid van de Heihge Geest in de toepassing des heils. Dit wordt gesteld als voorwaarde, op-, dat de dimensie des Heiligen Geestes er in blijve. Wij kunnen dit alleen waarderen, als het gaat tegen onjuiste opvattingen, maar is er geen gevaar, dat op deze wijze een nadruk wordt gelegd op de eigenheid en zelfstandigheid van de Heilige Geest, welketoch weer geen recht doet aan de goddelijke huishouding in het werk der verzoening en zijn toepassing ?
Het is toch niet zo, dat de Heilige Geest de weldaden verwerft, maar het werk der heihgmaking, aan de Heilige Geest opgedragen, kan niet gescheiden worden van het werk van de Vader en' de Zoon. Dat wil prof. Van Ruler ook vasthouden, blijkens zijn nadruk op het trinitarisch karakter.
Er kan geen tegenstelling zijn tussen het werk van de Heilige Geest en het werk des Vaders in schepping en herschepping. Uit de wezenseenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest volgt ook, dat er geen tegenspraak kan zijn tussen het werk van de Zoon en de Heilige Geest. De Zoon en de Heilige Geest worden door Calvijn dan ook als de handen Gods voorgesteld, die het werk Gods naar Zijn wil volbrengen.
Er is daarom nog wel plaats om van de eigenheid en zelfstandigheid van de Heilige Geest te spreken, maar men vergete niet, dat de Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat, in een zeer bijzondere relatie tot de Christus wordt gebracht. Niet alleen, dat Hij met de Heilige Geest is gezalfd, maar dat de Heilige Geest ook de Geest van Christus wordt genoemd.
Christus heeft alle gaven des Geestes ontvangen, het is Zijn Geest, door Welke Hij ook Zijn gemeente vergadert en regeert.
De Heilige Geest neemt alles uit de Christus en past het in overeenstemming met de orde des heils toe, opdat Hij de volheid van Christus in Zijn gemeente doe wonen.
Het trinitarisch verband nu ook in de toepassing des heils, moge aanleiding zijn om bedachtzaam te staan tegenover de nadruk op de eigenheid en zelfstandigheid van de Heilige Geest, en, dit te meer, omdat prof. Van Ruler op blz. 75, van de vrijmacht van de Geest gewaagt: „De Geest schept in Zijn vrijmacht de geschiedenis ; Hij doet historische daden, welke even zovele oordelen Gods zijn ; Hij zet deze naar Zijn welbehagen uiteen ; "
Van de eigenheid en zelfstandigheid des Geestes te spreken heeft evenveel recht als van de eigenheid en zelfstandigheid van de Zoon en van de Vader te handelen, zonder de eenheid van het goddelijk Wezen uit het oog te verliezen, maar van de vrijmacht des Geestes te spreken in verband met de schepping der geschiedenis, gaat, naar wij vrezen, te ver.
Wij willen daarmede niet tegenspreken, dat de Heilige Geest in de geschiedenis op velerlei wijze werkzaam is buiten zijn heiligende toepassing van het genadewerk van Christus in de gemeente Gods. Doch hoe breed men dit werk ook moge zien in zijn omvatting v.an de geschiedenis der mensheid als geheel, zal het toch altoos vervulling van de Raad van de drieënige God, en dus van de wil des Vaders zijn.
Neemt men in aanmerking, dat de Zoon en de Geest in alle werken Gods samengaan en dat Hij de Geest van Christus is, dan kan de leer van de Heilige Geest, zodra het aan de werken Gods komt in de schepping en de herschepping, niet van de Christologie wórden gescheiden, gelijk zij beide daarin niet kunnen worden gescheiden van de wil des Vaders.
De rijke stof van de Christologie is ook de volheid van de pneumatologie en de rijke inhoud van de theologie of kennisse Gods. Die Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Daarom kan de vrijmacht van de Heilige Geest nimmer een andere zijn dan de vrijmacht van de drieënige God, naar welke Hij Zijn Raad vervult.
Het komt daarmede overeen, dat prof. V. R. op de leer der predestinatie wijst in verband met de bevinding.
Indien wij een en ander voor ogen houden, kunnen wij er mede instemmen, dat de genademiddelen door de Heilige Geest worden gehanteerd. De Heihge Geest, welke de Vader zenden zal, die zal u alles leren en indachtig maken, wat Ik u gezegd heb. Dat kan dus worden aangemerkt als een eigen en zelfstandig werk, maar toch niet als een vrijmachtig werk van de Heilige Geest.
Hoe nadrukkelijk heeft de Heere Jezus Christus vóór en bijzonderlijk na Zijn opstanding der discipelen aangetoond, dat het alles geschieden moest, hetgeen door Mozes, de profeten en de psalmen was geschreven ?
Hoe blijkt ook b.v. in de dagen van eendrachtig samenzijn in afwachting van de Heilige Geest en uit de prediking der apostelen, dat zij deze les hebben leren verstaan en de Heilige Schrift als regel des geloofs hebben aangegrepen, omdat het gaat over het werk van de God der Schriften in de Christus volbracht en weggelegd en om het verstand en deelgenootschap daarvan, om de kennis van in dat werk begrepen te zijn.
In de Christus toch is de gemeente geschapen, (geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft) en daarvan een levend lidmaat te mogen zijn, stelt een levensbetrekking tussen Christus en de Zijnen, welke in Christus gewrocht, door de Heilige Geest wordt verwezenlijkt in de weg der wedergeboorte. Hij zal het uit de Christus nemen. Aan dat werk is de bediening van Woord en Sacrament dienstbaar gemaakt naar het bevel van Christus onder de leiding van Zijn Geest. In zoverre kan men zeggen, dat de Heilige Geest de genademiddelen hanteert.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's