Gods genadewerk, langs de weg des Woords
(Dordtse Leerregels Hoofdstuk V, Art. XIV)
„Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren"
Wie zal zeggen, hoe dikwijls deze bede van Habakuk, hetzij met dezelfde, hetzij met andere woorden, in de loop der eeuwen is opgezonden.
Opgezonden door enkelingen in tijden van bestrijding en van geestelijke verdorring. Opgezonden door Gods kerk in tijden van vervolging, maar ook in tijden, waarin de leer, die naar de godzaligheid is, bedreigd werd door valse leringen, vaak onder een schijn van rechtzinnigheid.
Habakuk's bede is een bede, die ook in 1950 wel op haar plaats is.
Op haar plaats, omdat enerzijds een geweldige afval valt te constateren. Onder de leuze : Ni Dieu, ni maïtre, geen God en geen meester, wil men zijn leven in eigen hand nemen. Het is de Adam's keuze. Zelf als God willen zijn. Europa, door het kruis groot geworden, keert het kruis in overgrote meerderheid de rug toe. In toenemende mate zal echter ondervonden worden dat men zich niet straffeloos van de Levensbiron verwijdert. Het Boek der Openbaringen leert het ons, dat God geen ledig Toeschouwer is, maar dat Hij Zijn oordelen op aarde zendt over volken, die het beeld van het beest aanbidden.
Temidden nu van zulk een grote afval gaat er van de zijde der wereld een zuigkracht uit op Gods kerk. En niet alleen een zuigkracht, maar ook een stormloop, om zo mogelijk haar muren tot een vervallen puinhoop te maken. Of te trachten de kerk in een schijnkerk te veranderen, die haar wezen verloochent. Zou in zulk een tijd de bede niet passen : „Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven" ?
Op haar plaats is deze bede anderzijds, omdat niet alleen de vijand van buiten Gods gemeente bedreigt, maar er ook van binnen uit verleidende geesten zich gaan openbaren, die onder een schijn van godsdienstigheid het Evangelie van Gods vrije genade gaan verdraaien, tot verderf van zichzelf en van anderen. Gods gemeente heeft hiermede altijd te kampen gehad. Denk slechts aan, de Remonstranten, de Pelagianen, de Wederdopers enz., waarbij we in onze dagen o.a. nog kunnen voegen het Barthianisme. En gelukkig, als er nog van een strijd tegen deze verleidende geesten gesproken kan worden. Wanneer inzonderheid de leiding der kerk de wacht op de muren en bij de poorten van Sion betrekt, zoals dit het geval was in de dagen der Dordtse Synode.
Bedroevend echter wanneer, zoals thans, geconstateerd moet worden dat juist zovelen, die een vooraanstaande plaats bekleden in het kerkelijk leven, niet alleen hand- en spandiensten verlenen bij het verbreiden van de „nieuwe leer", maar zelf daarvan vaak vurige verbreiders zijn.
„Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren". Dat blijft de bede, die telkens weer dient op te steigen èn voor het leven van Gods gemeente in haar geheel èn voor het geestelijke leven van de enkele gelovige apart.
Over Gods genadewerk en de weg, waarlangs God werkt, handelt ook art. XIV van Hoofdstuk V der Dordtse Leerregels. Het vangt immers aan met: gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in, ons te beginnen.
We willen direct reeds onderstrepen de woorden : Zijn werk der genade in ons. Het is niet overbodig, dit te doen. Want het is helaas zo, dat dit genadewerk Gods in de mensenziel in zo menige prediking en in het gedachtenleven van zo menig gemeentelid verwaarloosd wordt, Men wil er dikwijls absoluut niet van weten. Wijzelf behoeven niets te bezitten, zo leraart men, alles is in Christus. En als men nu maar in Christus gelooft, dan is het goed. Maar hierbij wordt vergeten het toepassende werk van Gods Heilige Geest. Het zal toch niet gaan zonder een verbroken hart en een verslagen geest ? Een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid v/erkt, zal toch gekend moeten worden ? Niet om in dit alles een grond te zoeken, maar omdat het nu eenmaal onmiskenbare vruchten zijn van het genadewerk Gods in de ziel. Hierin komt Gods werk openbaar.
Calvijn begint zijn Institutie met er op te wijzen, dat Godskennis en zelfkennis noodzakelijk zijn. Dat ze de twee hoofdbestanddelen uitmaken van de ware wijsheid. Maar van geestelijke zelfkennis wil men in onze dagen zo weinig meer weten. Een zelfkennis die verkregen wordt door de werking van Gods Geest, Die Geest, Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Zelfkennis die het leert belijden : onbekwaam tot enig goed te zijn en die met het hart schuldbewust Amen leert zeggen op het getuigenis Gods : uit u geen vrucht in der eeuwigheid.
Het Evangelie van Gods souvereine genade is wel vóór de mens, maar niet naar de mens. En nu wil men zo graag een Evangelie naar de mens. Dan krijgt men een pleisteren met loze kalk. Een zaaien onder de doornen, terwijl God juist gebiedt: Braakt uheden een braakland en zaait niet onder de doornen. Het zaad des Evangelies zal overeenkomstig Gods bevel eerst daar uitgestrooid mogen worden, waar er aan vooraf gegaan is de ploeg van Gods Wet.
Zelfkennis en Godskennis.
Geopende ogen zijn daartoe nodig in de weg van wedergeboorte. Wedergeboorte, dat is het grote werk Gods in de ziel. Zonder dat, spreken we over zonde en genade, over Wet en Evangehe, over de Blijde Boodschap en het geloof, in één woord, zonder wedergeboorte spreken we over de geestelijke dingen, als een blinde over de kleuren.
Gods Boodschap moet doorleefd worden. Doorleefd door een van nature dood mens. En dus zal er een geestelijke opstanding moeten plaats vinden. Christus' opstandings kracht zal ervaren moeten worden, waaraan onafscheidelijk verbonden zal zijn het kennen van de gemeenschap Zijns lijdens. Zijn dood gelijkvormig wordende. Christus als lijdende Borg, zowel als opgestane Levensvorst moet gestalte in de ziel krijgen, zodat het de levende belijdenis wordt: al wat aan Hem is is gans begeerlijk.
Gods genadewerk in de ziel. Wie zal de waardij daarvan uitspreken. Gods genadewerk. Er is niets van de mens bij. Genadewerk, 't Is vrije gunst alleen, die eeuwig Hem bewoog. En terecht kan er van een werk gesproken worden. Want de Drieënige God heeft arbeid, veel arbeid met de levendgemaakte zondaar. En door alle afbraak van de oude mens heen, wordt de oprecht gelovige opgebouwd tot een levende tempel des Heiligen Geestes.
De arbeid Gods bestaat volgens art. XIV daarin, dat Hij het werk Zijner genade in de Zijnen begint, bewaart, achtervolgt en volbrengt. Dit is het troostrijke, dat God geen half werk doet. Dit is ook de troost, die geput kan worden uit de belijdenis van de volharding der heihgen. Wat God begint bewaart Hij. En Hij schenkt achtervolgende genade. Door die achtervolgende genade is het dat Gods kinderen bij het vallen weer worden opgericht. Dat een David weer komt tot de bede : gena, o God, gena, hoor hoe een boeteling pleit. Door die achtervolgende genade was het dat Petrus, die zijn Heiland zo smadelijk verloochende, straks naar buiten gaat, bitterlijk wenende en bedroefd zijnde. De blik van zijn Borg, was een blik van achtervolgende genade.
Achtervolgende genade — de Bijbel staat er vol van en het leven van Gods kinderen getuigt er van op elke bladzijde van hun levensboek.
Niet altijd openbaart deze achtervolgende genade zich op dezelfde wijze. Vaak komt deze in een vorm, die helemaal niet op achtervolgende genade gelijkt. Het kan zijn een weg van verdrukking, doch waarvan achteraf getuigd moet woren, dat het goed was, verdrukt te zijn geweest. Het kan zijn het snoeimes van de hemelse Hovenier, opdat de ranken meer vruchten zouden dragen.
Art. XIV spreekt o.a. ook van vermaningen en bedreigingen. Achter deze vermaningen en bedreigingen klopt echter het genadevolle liefdehart Gods. Want Hij vermaant en bedreigt met het doel te behouden. Hij vermaanti tot een blijven in Hem. Hij vermaant om te waken en te bidden, om niet te verachteren in de genade, om te blijven in het geloof, gefundeerd en vast en niet bewogen te worden van de hope des Evangehes.
Gods vermaning is een herinnering en een roeping tegelijk. Ze wijst de dwaalwegen aan voor hen, die op het smalle pad wandelen en roept tot een blijven wandelen achter de Voleinder des geloofs aan. En in Gods bedreigingen blijkt het dat God ernst maakt met de zonde en de afkerigheid der Zijnen. „Ik heb tegen u" zo klinkt het van Godswege — „dat gij uw eerste liefde hebt verlaten. Gedenk dan, waarvan ge uitgevallen zijt en bekeer u en doe de eerste werken, en zo niet. Ik zal u haastelijk bijkomen en zal uw kandelaar van uw plaats weren, indien gij u niet bekeert".
De bewarende en achtervolgende genade komt echter ook in de vorm van beloften en het gebruik der Heilige Sacramenten openbaar. Al naar het nodig is, komt de Heere dus de Zijnen met vertroostende of met vermanende, bedreigende en bestraffende genade tegemoet.
Waar art. XIV nu vooral de nadruk op wil leggen, is de weg waarlangs de Heere tot de Zijnen komt. Gelijk het God — en zegt dit artikel — nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan.
De prediking des Woords, het horen van Gods Woord, het lezen en overleggen daarvan, blijkt dus wel, wanneer dit op de rechte wijze geschiedt, van onuitsprekelijke betekenis te zijn voor het leven des geloofs in zijn begin, voortzetting en voltooiing. Het is alsof we de psalmdichter hier horen zingen :
Hoe wonderbaar is Uw getuigenis, Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren. Want d' oopniiïg van Uw woorden zal gewis, Gelijk een licht het donker op doen klaren. Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis Van zulk een glans een eeuw'ge nacht zou baren.
De betekenis van Gods Woord in het midden van Zijn gemeente — de helft kan daarvan niet worden gezegd. Gods Woord, en de zuivere bediening daarvan: welk een' Godsgeschenk. God heeft niets kostelijkers dan dat. Hij hecht er Zelf de hoogste betekenis aan en eist van ons, dat we voor dat Woord de grootste eerbied zullen hebben. Door dat Woord regeert Christus Zijn kerk, ontvangt Zijn gemeente profetisch, priesterlijk en koninklijk onderwijs.
Gods Woord is het zaad der wedergeboorte, de scepter van de Koning, de Herdersstaf en de staf des geloofs, het licht op het pad en de lamp voor de voet, het lichtende spoor, dat heenwijst en heenleidt tot het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
Het was dan ook een van de rijkste vruchten der kerkreformatie, dat Gods Woord weer de plaats herkreeg in het midden van Gods Kerk. De leer des Evangelies verscheen in een ongekende geestelijke klaarheid, die als het ware een storm over Europa ontketende, maar tegelijk was als het suizen van een zachte stilte in de vertroosting der zielen.
Het volle, onverkorte Evangelie, Gods Woord alleen, maar ook Gods Woord geheel, werd den volke weer verkondigd. Het opende een venster, dat een onbedriegelijk uitzicht gaf op de genade Gods in Christus geopenbaard. Dit Evangelie is uitgegaan in een wereld der zonde en door het herscheppende Woord Gods, dat een daad Zijner almacht is, werden zielen getrokken van de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Het Evangelie, we kunnen ook zeggen, het Woord des Heeren, want hiet Evangelie beperkt zich niet tot de vier Evangeliën en tot het Nieuwe Testament, doch is onlosmakelijk met het Oude Testament verbonden — het Evangelie is de reine prediking van God die de zonden om Christus' wil wenst te vergeven. Het is de Blijde Tijding dat de heilsbeloften Gods onder het Oude Verbond gegeven, in Jezus Christus vervuld zijn.
Christus is het leven, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament. Het Oude Testament doet Hij leven, omdat Hij er in leeft als belofte. Het Nieuwe Testament leeft, omdat Hij er in leeft als de vervulde belofte, als de Gekomene en ook als de Komende ten jongsten Dage. En nu heeft de gemeente des Heeren die door de Heilige Geest uit Christus leeft, niet anders nodig dan het Woord haars Gods om Hem. te kennen. Aan dat Woord is zij onafscheidelijk verbonden en zonder dat Woord is zij eenvoudig niet denkbaar.
Het wonder van de Blijde Boodschap van Gods genade is, dat de hoge, verhevene, heilige God in Christus een God van nabij wil zijn. De profeet Jesaja omschrijft dit aldus : „ alzo zegt de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is : Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden".
Onze overleden professor, dr. J. A. C. van Leeuwen, schrijft in zijn „Openbaring en Cultuur" in verband hiermede het volgende : „Wanneer de Hoge en Verhevene, de Heilige, nabij komt en in de ziel intrekt, dan is er altijd dit dubbel? : dat zulk een ziel als verbrijzeld wordt, èh wonderlijk wordt getroost. Zij wordt overweldigd en zou willen wegschuilen, om niet te bezwijken voor Hem, die een verterend vuur is; èn zij wordt getrokken, om te horen "naar de stem van Hem, ' die komt met het le^eri.
Dit is de God der openbaring, dit is de God der H. Schrift.- In Zijn heihgheid en recht wordt Hij openbaar, en als Hij komt met Zijn licht, staat: de mens voor Hem als zondaar, hij weet geen uitweg en geen verontschuldiging.
De nabijheid Gods zou dodelijk voor hem zijn, als een zengende gloed, als die God niet was de God van nabij, die „alzo hef de wereld heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".
In Gods Zoon, die mens werd, is Zijn recht èn Zijn genade openbaar.
De verbrijzeling van de toorn Gods, Hij heeft ze ervaren ; Hij is er door gestort in de dood, de gescheidenheid van de Eeuwige, van de Vader, die Hem verHet. En daardoor, in en door Hem is de verzoening, is er vergeving van zonden.
Wanneer de werkelijkheid Gods zich stelt voor de ziel, dan is er alleen hierom geen enkel verpletterende werkelijkheid, omdat Hij komt in en door Christus ; alleen zo wordt Hij als Vader gekend, die door de Zoon de weg heeft gebaand. En als het geloof naar de Schrift God kent en belijden mag, kan Hij alleen gekend en beleden worden door de werking en inwoning van de Heilige Geest.
God de Vader openbaart en geeft Zich in de Zoon. De Zoon wordt niet gekend en geëerd dan in de gemeenschap van de Heilige Geest. Die Geest woont in het hart derge nen, die God kennen, „veelmeer, van Hem gekend zijn", en maakt voor de gelovige God tot een God van nabij".
Tot zover prof. van Leeuwen.
Dit is dus de boodschap des Evangelies, dat God die vanwege onze zonden een God van verre moet zijn, nochtans in Christus een God van nabij wil zijn.
Gods Woord vertolkt Gods recht en Gods genade.
Wie zal de diepte en hoogte, de lengte en breedte, van het Woord des Heeren weergeven ? En dit was da grote dwaling der Wederdopers, dat zij Gods Woord gingen veronachtzamen en meenden alleen door de Geest geleid te moeten worden.
Wel is het waar en het kan niet genoeg beseft worden, dat het Woord pas recht levend voor ons wordt, wanneer de Heilige Geest het toepast aan het hart. Maar laten we nooit vergeten dat Gods Geest naar het Woord henenleidt en dat omgekeerd Gods Geest uit het Woord herkend wordt. Gaan Woord en Geest samen, dan zullen de gezegende, godverheerlijkende vruchten niet uitblijven. Het Woord wordt vruchtbaar, wanneer het een ziel aantreft, die bewerkt is door Gods Geest.
Laten we Gods Woord nooit veronachtzamen. Het is een licht, ook al brandt het onder blinden. Het is niet dood en koud, maar wij, en daarom moeten we ontvankelijk gemaakt worden om dat levende Woord te verstaan.
Nu belieft het Gode, zo leert art. XIV, het werk Zijner genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, te bewaren, te achtervolgen en te volbrengen door het horen, lezen en overleggen daarvan.
Het Woord des Heeren horen, lezen en overleggen. Langs de weg des Woords door prediking. Bijbellezing en overdenking, wil de Heere Zijn gemeente dus onderwijzen, vertroosten, vermanen en indien nodig. Zijn bedreigingen doen horen. En tevens door middel der Heilige Sacramenten, die niet los van het Woord staan, doch 't Woord Gods bekrachtigen.
Het Woord Gods horen. Niet voor niets zong de Psalmdichter en met hem al Gods kinderen : Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, o Heer der legerscharen God, zijn mij Uw Huis en tempelzangen. Zij allen wisten en weten uit eigen zielservaring, welke een zegen de Heere verbinden wil aan de zuivere verkondiging des Woords, waarbij de menigerlei genade Gods mag worden uitgedeeld, zodat er getuigd kan worden : bij deze dingen leeft men en is het leven van mijn geest. Het is wel een zeer droevig teken van verval, wanneer in onze dagen de diensten des Woords steeds meer ingekrompen worden tot diensten van ongeveer een uur. Het getuigt èn tegen de betreffende predikers èn tegen de hoorders, die aan zulke korte diensten de voorkeur geven. Zou het misschien al te zeer ontbreken aan harten vol van heilsbespiegelingen, die het schoonste lied van de Koning der kerk wensen te zingen en te horen zingen ?
Het Woord Gods lezen. Gods Getuigenis is wonderbaar. Hoe dikwijls zullen er bij het lezen van Gods Woord zielen zijn gegrepen.
Zó gegrepen, dat zulke ontmoetingen met het levende Woord voor hen ten eeuwigen zegen waren, tot verootmoediging en vertroosting beide. Waar het Woord des Konings is, daar is heerschappij. Hoe menig heilbegerige ziel zal de waarheid hiervan kunnen beamen.
Het Woord Gods overleggen. Van Maria staat geschreven, dat ze al hetgeen zij van de geboren Christus hoorde, bewaarde en overlegde in haar hart. Dit is de weg, die de Heere door de Zijnen wenst te zien bewandeld. Gods Woord is immers het overleggen wel waard. En die biddend Gods Woord overlegt, zal zeker gezegend worden. Hij zal o.a. ogenblikken gaan kennen, waarin Gods beloften hem zullen grijpen en zo, door Gods beloften gegrepen, zal hij wederkerig Gods beloften aangrijpen. Dan ontstaan door de werking des Geestes de oefeningen des geloofs.
Werden er in onze dagen maar meer oefeningen des geloofs gekend. Het zou Gode tot verheerlijking strekken en het geestelijke leven van enkeling en gemeente zou er door bloeien.
Gods genadewerk in ons gaat langs de weg des Woords. Laat ons dan die weg biddend bewandelen, want het is de koninklijke weg, waar de Koning der kerk ontmoet kan worden. Godsontmoetingen vinden daar plaats.
Langs die weg worden de Bethels, Pniëls en Ehms gevonden ; zijn er enerzijds de donkere diepten van zelfkennis en zondekennis, maar anderzijds de lichtende hoogten van Gods souvereine genade in de Heere Jezus Christus ; ziet het oog des geloofs bij Doopvont, bij Brood en bij Beker de aanbiddelijke Verbondstrouw van een God, Die Zijn Waarheid in eeuwigheid niet zal krenken.
Langs die weg voert de Goede Herder Zijn kudde in de grazige weiden ; gaat Gods pelgrim, door God getrokken, geleid en geleerd, omgeven door Gods beginnende, bewarende, achtervolgende en volbrengende genade, Jeruzalem tegemoet. En waar Gods genadewerk in zijn ziel hem niet vreemd is, kent Gods pelgrim de band aan Gods Woord. Dat Woord is hem lief geworden en biddend pleit hij :
Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.
Dit is mijn troost, in druk mij toegezegd;
'Dit leert mijn ziel U achterna te kleven ;
Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
Vertroosting, geest en leven, dat zijn de hemelse vruchten, die de ziel mag plukken uit het Woord des Heeren.
Zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen en Hetzelve bewaren.
F. TROOST.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's