Nadruk op het historische accent
Volgen wij het artikel over bevinding verder, dan staan wij een ogenblik stil bij wat prof. V. R. noemt het historische accent.
De gereformeerde bevinding heeft steeds respect voor de geschiedenis getoond. Dat is ook zo. De gereformeerde leer heeft reeds krachtens het geloof in het goddelijk gezag der Heilige Schrift een positieve waardering van de historie, omdat de historie in de scheppende daad Gods is begrepen. Deze leer ziet de mens door God geschapen als hoofd der mensheid. De mens is geschapen als een ontwikkelingswezen. Zowel individueel als sociaal is hij bestemd om langs de weg van een historische ontwikkeling naar de realizering van de volheid van zijn wezen te streven. Reeds daaruit volgt een positieve waardering der geschiedenis in tegenstelling met het Lutheranisme, dat het standpunt inneemt, als had Adam reeds zijn bestemming bereikt.
Het behoeft niet gezegd, dat de gereformeerde opvatting niets te kort doet aan het feit, dat de mens goed geschapen werd. Dit sluit geenszins een ontwikkeling naar zijn bestemming uit en evenmin sluit dit in, dat de mens zijn bestemming reeds had bereikt. Bovendien wordt de gereformeerde opvatting door de Schrift zelf bevestigd. Adam komt tot het besef, dat hij een wezen naast zich mist. Voorts is de huwelijksorde op zich zelf een klaar bewijs, dat de ontplooiing der mensheid in de orde der schepping is gegeven.
De positieve waardering der historie spreekt ook in de geschiedenis der openbaring, in het paradijs, door de patriarchen, door de dienst der schaduwen, door de profeten en in de vleeswording des Woords. (Catech. vr. 19).
Het is daarom niet vreemd, dat diezelfde trek ook in de toepassing des heils wordt aangetroffen. De bevinding is historische beleving van het werk Gods in Christus gewrocht, gemeenschap met Zijn lijden en sterven, gemeenschap met Zijn opstanding.
Prof. V. R. omschrijft dit als volgt : „Op geestelijke en eschatologische wijze van de praedestinatie wordt het offer van Christus gerepresenteerd en herhaald (cursivering van ons, S) en wordt de mens „gelijktijdig" met Golgotha", blz. 76. Wij zien niet in dat dit duidelijker is. Het is wel zo, dat de mens bij de werkelijkheid van Golgotha wordt betrokken in het „met Christus gestorven zijn" en „met Hem opgestaan" zijn. Wil men dat uitdrukken als „gelijktijdig" worden met Golgotha, het zij zo. Het is in ieder geval een in het offer begrepen zijn, dat Christus heeft gebracht.
Van „herhaling" te spreken komt ons nog minder onschuldig voor. Het offer wordt niet herhaald, omdat de persoon van de mens door de onderrichting van de Heilige Geest deel krijgt aan dat offer, evenals had hij alle gehoorzaamheid volbracht, die Christus Voor hem volbracht heeft. God herhaalt het offer niet, als Hij een mens ontdekt aan zijn verkiezing in Christus en de mens herhaalt het niet als hij de Hogepriesterlijke weldaad van Christus in het geloof omhelst. De mens heeft op Golgotha geen offer gebracht.
Het offer op Golgotha schuilt niet daarin, dat de mens in Christus sterft, want de bezoldiging der zonde is de dood. De dood is voor de gevallen mens geen offer, maar vergelding, straf der zonde, een straf, welke allen wacht, die uit Adam geboren zijn, en welke reeds is ingegaan. Door de overtreding van één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, welke is doorgegaan tot alle mensen. (Rom. 5 : 12).
Neen, het offer van Golgotha ligt in het feit, dat de Zoon als Middelaar Gods en der mensen onze dood is gestorven. Het offer ligt aan Gods zijde.
Daarom wordt het niet herhaald, als een mens door de Heilige Geest leert ontdekken, dat hij met Christus gestorven is, maar hij wordt daardoor onttrokken aan de vloek van zijn eigen dood. Het afsterven van de oude mens is leven uit de kracht van Christus' opstanding.
Het is met Christus' werk als met de scheppende kracht Gods. Wij zien toch, dat het scheppende Woord nog altoos spreekt: dat de aarde uitspruite !Wie zal nu zeggen, dat God Zijn scheppend woord herhaalt, omdat de aarde nog altijd vruchten voortbrengt ?
Maar daarin is de positieve waardering der historie gegrond, dat het oor des geloofs nog altoos het scheppende Woord beluistert en de werking Zijner eeuwige kracht en goddelijkheid schouwt.
Zo werkt ook de kracht van Christus' dood en opstanding voort in de toevergadering der gemeente, als de voortgaande geschiedenis des heils door de Geest van Christus.
Het enige moment, dat aan herhaling doet denken, is de wedergeboorte. De Heilige Geest is voortdurend werkzaam in het wekken van de nieuwigheid des levens in degenen, die daartoe geordineerd zijn. Dat is een proces, hetwelk de Heilige Geest op Zijn wijze door de eeuwen heen in de verkorenen voltrekt. Men kan dit echter geen herhaling van het offer van Golgotha noemen, omdat Christus niet andermaal in de persoon van de wedergeborene gekruisigd wordt (Hebr. 7 : 27). Doch uit de kracht van Christus' opstanding wordt een nieuwe mens in hem opgewekt. Maar ook deze herscheppende daad is geen herhaling van Christus' opstanding.
De gedachte van herhaling zou er toe leiden, de wedergeboorte te verstaan als een voortgaande vleeswording des Woords, en zou feitelijk betekenen, dat de wedergeborene een Christus zou zijn.
In Christus echter is een nieuwe mens opgestaan, welke de Heilige Schrift van de aardse mens onderscheidt als een pneumatische (geestelijke) mens. (1 Cor. 15:45v.v.) De verkorenen zullen het beeld van deze pneumatische of hemelse mens dragen, zoals zij naar hun geboorte uit Adam het beeld van de aardse mens gedragen hebben.
Wie in Christus is, is een nieuw schepsel. Op deze nieuwe schepping in Christus komt het aan. (Efeze 2 : 10). De in Christus herschapen mens Jezus is het Hoofd van een nieuw, geestelijk geslacht. Zijn gemeente, degenen, die Hem van de Vader gegeven zijn. Zo is het dus de herscheppende daad Gods in de vleeswording des Woords, welke in de wedergeboorte der Zijnen tot de volheid van Christus' gemeente wordt uitgewerkt. (Dordtse leerregels III-IV, 12).
Men beschouwe het niet als zucht tot vitten en haarkloverijen, als wij bezwaar maken tegen het woord , .herhaling" van het offer van Golgotha, omdat iedere gedachte in deze richting moet leiden tot de onderstelling van een herhaling of voortzetting van de vleeswording des Woords en riekt naar Roomse leringen.
De gemeenschap met Christus, de unio mystica, houdt ongetwijfeld gemeenschap met Hem, het vleesgeworden Woord in, als een levensbetrekking van geestelijke aard. Die gemeenschap wordt door de Heilige Schrift ook verklaard als de gemeenschap Zijns Lichaams. Die van Christus zijn, zijn leden van Zijn verheerlijkt Lichaam. Zij zijn in Hem geschapen. Zij worden Zijn broeders geheten. Huisgenoten en kinderen Gods. ,
Anderzijds zegt de Heere : Wij zullen woning bij hen maken, zodat de gemeente wordt voorgesteld als een levende tempel Gods. Ook worden zij levende stenen genaamd. En de apostel Petrus spreekt van de goddelijke natuur deelachtig worden (2 Petr. 1:4). Nu wordt het voor ons wel heel moeilijk om daarover heldere voorstellingen te maken, laat staan te „begrijpen", hoe dit zijn zal. Het is bovendien niet geopenbaard, wat wij zijn zullen! (1 Joh. 3:2).
De unio personalis (De eenheid van de Persoon des Zoons en van de menselijke natuur, die Hij aangenomen heeft) maakt het zo moeilijk te onderscheiden tussen het eigene van de Zoon in de vleeswording en de nieuwe mens. Toch maakt de Schrift onderscheiding : Zij zullen met Hem heersen. Met Hem, d.w.z. Hij is de Koning, terwijl de verkorenen gemeenschap zullen hebben aan Zijn heerschappij.
De gemeente heet ook de Bruid des Lams.. Het Lam Gods wijst ongetwijfeld op de Middelaar als het vleesgeworden Woord, en dus' op het Lam in Zijn goddelijke en menselijke natuur. De Bruid, de gemeente des Heeren, welker Hoofd Hij is, zijnde de herschapen, de pneumatische mens, die Zijn beeld zal dragen, staat dus in een betrekking tot Hem, welke in de verborgenheid des huwelijks een vergelijking en aanwijzing vindt.
Dat wil dus zeggen, dat de Bruid weer onderscheiden is van het Lam, m.a.w., dat de personele unie van de goddelijke en menselijke natuur in Christus, een geheel enig karakter draagt, zodat men niet mag beweren, dat de Bruid in diezelfde eenheid des Persoons staat, als de mens, die de Zoon in de vleeswording heeft aangedaan.
Wat de Schrift ons leert van de schepping der vrouw uit Adam, kan ons ook hier tot een richtsnoer zijn, omdat deze dingen evenals de huwelijksorde profetische betekenis hebben. De vrouw is uit de man genomen en 20 is ook de Bruid des Lams uit de Christus, waarom zij een nieuw schepsel wordt genoemd.
Johannes wijst er op, dat de uitverkorenen uit God geboren zijn en ziet daarbij op het vleesgeworden Woord. (1 Joh. 4 : 7 v.v.).
Deze dingen wijzen dus wederom op een orde van deze nieuwe schepping, welke een beeld vindt in de schepping van Adam en Eva, en het daaraan verbonden geboorteproces. Eva is de moeder der levenden en Jeruzalem dat boven is wordt een moeder genaamd (Gal. 4 : 26).
Het is daarom volkomen in de lijn der Schrift, dat de gereformeerde belijdenis met zoveel nadruk op de noodzakelijkheid der wedergeboorte wijst en daarmede hangt vanzelf ook de „bevinding" saam, terwijl het verband met de uitverkiezende genade Gods voor de hand ligt.
Gelijk wij aardse mensen door opvoeding en onderwijs en door de groeiende levenservaring allengs inzicht gaan krijgen in ons aardse bestaan en vragen naar onze oorsprong, zo leert Gods kind door het onderricht van Gods Woord en Geest zijn bestaan zien in het licht, dat de Heilige Schrift daarover doet opgaan. De mens valt met heel de wereld onder God. Die God is niet maar een begrip, een algemeen besef, ook geen bijzondere God, maar de Schepper van hemel en aarde, de levende God, met Wien wij van doen hebben, de Rechter der ganse aarde, die de zonde thuis zoekt en gerechtigheid doet.
Wanneer de kracht der Waarheid zich doet gevoelen in zulk een mens, — en dat is reeds bevinding — vinden vele levensvragen een antwoord, dat benauwend is vanwege de oordelen Gods. Daaruit komt de nood op, die naar de Christus der Schriften gaat vragen, als een Middelaar en Verlosser, die men niet missen kan, omdat er buiten Hem geen hoop is.
De weg der genade in die Christus wordt allengs klaarder gezien en de Heilige Geest laat niet na Gods kind in die weg persoonlijk te betrekken. Christus voor hem gestorven, als hij er geen besef van had, en nog in zijn zonde volhardde, maar hij met Christus gestorven, in Zijn dood mede der zonde gestorven. Dat is een wonder van genade, en dat is bevinding, maar dat is geen herhaling van het offer van Golgotha. Het is openbaring van het werk Gods in Christus, openbaring van Gods verkiezende genade jegens hem, openbaring van wat hem in Christus is toegerekend en geschonken en waarvan hij deelgenoot is gemaakt.
Zo laat de Heilige Geest ook het licht schijnen over de wedergeboorte, welke in Christus is voorbereid, opdat de Zijnen in die weg zouden wandelen en geheiligd worden.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's