Als de kerkorde wordt aangenomen...?
Herhaaldelijk wordt ons deze vraag gedaan. Als deze kerkorde wordt aangenomen, wat dan? Wat zal dan de positie van onze gereformeerde belijders zijn?
't Is met name deze laatste vraag, die de aandacht heeft. Mogelijk verraadt zich daarin het gevoel, dat de nieuwe kerkorde de positie, welke zij onder de organisatie van 1816 hadden, wel enigermate zal wijzigen.
Al onthouden wij ons liever van voorspellingen, kan er toch wel iets geantwoord worden aan zulke vragers, waarmede zij hun voordeel kunnen doen.
Als deze kerkorde wordt aangenomen?
Men moet daarbij onderstellen, dat zij zó zal worden aangenomen, als zij daar ligt, zonder ingrijpende en principiële wijziging op de door ons aangevochten punten:
a. de belijdenis! Art. X.
b. de veelheid van raden en commissiën met de daaraan toegedachte bevoegdheden.
c. de ouderling-kerkvoogd en de financiële regeling.
Aangenomen, dat daarin geen principiële wijziging zal komen, hetgeen op het ogenblik nog niet kan worden uitgemaakt, omdat de voorgestelde procedure nog niet ten einde is, moet voorts worden bedacht, dat het van groot belang is, hoe de leiding zal zijn. Ook dat valt op het ogenblik nog niet te zeggen, zodat wij voor de waardering van ons antwoord ook nog moeten opmerken, dat er nog een onderstelling bij' moet: n.l., dat de leiding in geest en streven hetzelfde karakter zal vertonen, als de huidige.
Met die veronderstellingen dan nog eens de vraag: „Als deze kerkorde wordt aangenomen, wat dan?
Wat wij dan kunnen verwachten?
1e. Ontnuchtering, om niet te zeggen ontgoocheling, bij velen, die zich weinig of niets van de dingen hebben aangetrokken. Dezulken zijn ongetwijfeld onder verschillende groepen en richtingen. Er zijn er, die zonder zichzelf rekenschap te geven van de aan de orde gestelde ontwerpen, in blind vertrouwen alles prijzen, wat de heren wijzen. Zij menen, dat het alles zó deskundig en weloverwogen is voorbereid door de krachten, welke de leiding heeft aangezocht en aangewend, dat zij zich daarover geen zorgen maken. Zij zijn zonder voorbehoud „synodaal".
Indien onverhoopt overeenkomstig de boven aangenomen situatie deze kerkorde gaat vigeren, en dezulken de gevolgen daarvan ervaren, zullen er ongetwijfeld zijn, die te laat ontdekken, dat zij door hun houding hebben medegewerkt aan dingen, die zij niet kunnen verantwoorden. En dat — terwijl de leiding niet heeft opgehouden op de verantwoordelijkheid van allen jegens allen te wijzen en te beweren, dat zij prijs stelde op critiek en consideraties.
Wij laten in het midden, hoe zij zich tegenover de critiek gedraagt, en hoe zij haar houding jegens de uitgebrachte critiek meent te kunnen verantwoorden.
Van meer belang is de vraag, wat er onder de voorgestelde omstandigheden van de kerk zal worden. Wij spreken naar de mens, gelijk ook de gestelde vraag naar de mens is. Eerlijk gezegd, kunnen wij ten aanzien van de toekomst der kerk onder de voorgestelde orde geen optimistische verwachtingen koesteren. De symptomen zijn niet weinige, welke op de grootste verwarring wijzen. Vooreerst heeft men voorbij gezien, dat alle kerkewerk, hetwelk men zo niet præmatuur, dan toch al te voorbarig heeft opgezet en aangegrepen, op een weinig vruchtdragend activisme moet uitlopen, als het niet wordt gedragen door een gezond kerkelijk leven. Een kerkidealisme, dat niet rekent met het geestelijk leven der gemeente van Christus, en daardoor niet wordt gedragen, moet op teleurstelling en mislukking uitlopen.
In dit verband is het een veeg teken, dat men voor onze waarschuwingen en opmerkingen daaromtrent geen oor heeft en naar wij moeten onderstellen, geen begrip, als zou dat alleen maar een richtingsbelang gelden, hetwelk men niet dienen wil.
Men zal niet kunnen weerspreken, dat de hoofdzaak, de kerk zelf, veronachtzaamd wordt. Want hoewel men bij de voorbereiding van een nieuwe kerkorde, gereformeerd en presbyteriaal, allereerst de grondvergaderingen der kerk had behoren te herstellen, om haar vervolgens op presbyteriale wijze en op de grondslag harer belijdenis kerkelijk aan het werk te zetten, om geleidelijk tot een nieuwe orde te komen, — en dan de dringende vragen te behandelen, wil de leiding daarvan niet weten. Zij wil alles zelf bedisselen en treedt zelfs buiten de bevoegdheid dezer Synode, als zij telkens weer vooruitloopt op de taak der kerk, en inzake haar belijdenis een beslissing neemt, welke aan deze de plaats en de betekenis, die haar wettig toekomen, ontzegt. De aanbieding van „Fundamenten en Perspectieven" als proeve van „hernieuwd reformatorisch belijden", getuigt daarvan en zet de belijdenis feitelijk aan de kant.
Voorbarig en ontijdig werd door de Synode tot de oprichting van een seminarie besloten en werd dit in werking gesteld, hoewel de ordiantie, welke zulk een inrichting in de opleiding voorstelt, nog ontwerp is. De voorgestelde eenheid des geloofs naar het bestek van „Fundamenten en Perspectieven" moet daarbij een rol hebben gespeeld.
Het doet dan ook ietwat vreemd aan, dat prof. Van Ruler, die, als wij ons niet vergissen, het zijne er toe heeft bijgedragen in de Synode door voor dit seminarie te pleiten, alsof het welzijn der kerk er van af hing, in zijn artikel over „De bevinding", opkomt voor „een positieve waardering en inschakeling in het geheel van het kerkelijke en theologische leven, van datgene, wat de Gereformeerde Bond c.a. wil".
„Wanneer dat niet gebeurt', zegt hij, „zullen wij ook de confessionele, apostolische, sacramenteel-liturgische en politiek-culturele gezichtspunten, waaronder de kerk tegenwoordig gezet en gezien wordt, niet zuiver kunnen houden".
Dit alles is reeds het geval, omdat men geen ernst maakt met de belijdenis der kerk.
Verwarring moet ook de voorgestelde wijze van invoering van de kerkorde brengen, omdat men zich voorstelt het ganse apparaat, dat men voor de kerk bereid heeft, op één dag in gang te zetten. Of dit ook onder het begrip dynamisch valt? Het wordt klaarblijkelijk niet gewaardeerd, als er uit verschillende classes een andere gang van zaken wordt voorgesteld. Men wil alle organen nieuw bemannen, en wel volgens aanbeveling van boven af, van naar het schijnt, met de verborgen bedoeling „de kerkelijke organen te zuiveren van hen, wier gezindheid niet ten voordele geacht kan worden van de koers, die de Kerk onder haar nieuwe kerkorde wenst in te slaan". (Vgl.: het „Ingezonden" uit „Philalethes", overgenomen in dit blad).
Wie is het, die hier de koers bepaalt, welke n.b. de Kerk (met een hoofdletter) onder de nieuwe Kerkorde wenst in te slaan? In ieder geval geeft dit te denken voor degenen, die vragen, als de nieuwe kerkorde wordt ingevoerd, wat dan? Dan zal „men" uitmaken, wie de kerk in haar organen wenst te kiezen. Ziedaar, waartoe zij komen, die moord en brand roepen, als de Dordtse Synode alleen gereformeerde mannen — dat is dus kerkelijk volkomen juist — wilde afgevaardigd hebben.
En dan de financiën! De eigenlijke bedoeling van de financiële paragraaf, zoals die in het ontwerp der betreffende ordinantiën ligt, is heel duidelijk uitgesproken: De Synode heeft geld nodig voor al het kerkewerk, dat zij heeft aangevat en dus moet zij een apparaat hebben om het geld ter beschikking te stellen.
Over de figuur van de ouderling-kerkvoogd, welke hieraan dienstbaar moet zijn, behoeven wij thans niet te spreken. De kerkvoogden zijn gewaarschuwd.
Het kan ons alleen maar verwonderen, dat het Hoofdbestuur der Vereniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Hervormde Kerk, het met de vrijheid der kerkvoogdijen en haar verantwoordelijkheid voor het beheer der hun toebetrouwde goederen van de plaatselijke gemeenten blijkt te willen verenigen, om aan de oprichting van het „voorgestelde financiële apparaat der Kerk" mede te werken, waarbij de kerkvoogden zich met het aan hun zorg toebetrouwde beheer over de goederen, onder de Synode en haar ordinanties stellen. (Blijkens een brief, in April 1950 aan de leden dier vereniging verzonden).
In het licht van de boven getekende onzekerheid en willekeur, is deze houding schier onverklaarbaar, welke vrijwillig wil medewerken aan een overheveling van het beheer der kerkelijke goederen naar de Synode, terwijl deze zelf in de overgangsbepalingen (Ord. 16 no. 304) blijk geeft van het besef, dat zij daartoe geen recht heeft.
Dank zij het optreden van enige predikanten en kerkvoogden, worden kerkeraden en kerkvoogden opmerkzaam gemaakt op een en ander en van advies gediend om deze toeleg zo mogelijk te voorkomen. (Zie elders in dit nummer).
Wat zou het gevolg zijn, indien het financieel apparaat in werking trad en naar het gelieven der bewindhebbers fungeerde?
Wij vrezen, dat binnen afzienbare tijd de kerkelijke fondsen zouden worden uitgeput, en de ervaring zou leren, dat de geestelijke welstand een onmisbare voorwaarde is voor de uitwendige welstand.
Voor ons zijn al deze bezwaren zo ernstig, als wij op de waarachtige belangen der kerk zien, dat wij geen verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de gang van zaken, en het ontwerp-kerkorde zó onaanvaardbaar achten.
Wat dat alles voor de positie van de gereformeerde belijders mogelijk betekenen kan? Daarover een volgende keer.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's