De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Advies van de kerkorde-commissie van de Geref. Bond inzake de overgangsbepalingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Advies van de kerkorde-commissie van de Geref. Bond inzake de overgangsbepalingen

10 minuten leestijd

Voor 15 September a.s. zullen de Classicale Vergaderingen haar consideraties moeten geven over de aangeboden Kerkorde. Daar deze Kerkorde vervat is in een boek van 233 bladzijden, is het begrijpelijk, dat talrijke verzoeken gedaan werden de tijd van bezinning op deze Kerkorde te verlengen. Deze verzoeken zijn vrijwel afgewezen.

Voor 15 September zullen bovendien ook de Overgangsbepalingen bij de aangeboden Kerkorde moeten behandeld worden.

Van verschillende zijden is de Synode medegedeeld, dat er alle aanleiding is ook met het oog op de Overgangsbepalingen, deze termijn over het jaar 1950 uit te strekken. Volgens velen kan de Synode in 1950 die Overgangsbepalingen in 2e lezing zelfs niet vaststellen, zonder in strijd te komen met de invoeringsbepalingen. „Doet de Synode dit toch, dan handelt zij hierin onwettig en zal de nieuwe Kerkorde geen rechtskracht hebben" — zo is veler oordeel.

De Generale Synode heeft daarover een andere mening en verlangt daarom van de Classicale Vergadering voor 15 September consideraties.

Daarom wil de Kerkorde-commissie niet nalaten om eenige adviezen te geven inzake de Overgangsbepalingen.

Het is reeds gebleken, dat de Kerkordecommissie veel bezwaren ingebracht heeft tegen de aangeboden Kerkorde, omdat zij brengen zal:
a. Vaagheid op het punt van de Belijdenis der Kerk; een vaagheid, die het leven der Kerk dodelijk bedreigt en haar gereformeerd karakter aantast;
b. miskenning van de rechten der plaatselijke kerk;
c. episcopale dreiging door een stelsel van Raden en Commissies;
d. een oplossing van bestuur en beheer in de vorm van de ouderling-kerkvoogd, die onrechtmatig is en uitlopen zal op één centraal beheer van boven af, met al de bezwaren, daaraan verbonden.

Deze bezwaren zijn namens de Gereformeerde Bond ter kennis gebracht aan de Generale Synode en aan de gehele Kerk. Maar het zal duidelijk zijn, dat aangezien de Overgangsbepalingen bedoelen het kerkelijk leven over te schakelen van de huidige toestand tot een verkeer onder de Kerkorde, in de Overgangsbepalingen regelingen aangetroffen worden, waartegen wij dezelfde principiële bezwaren hebben.

Het leek de Commissie overbodig, deze bezwaren nog weer te noemen, hoe ernstig deze voor ons ook zijn.

Ordinantie 1.
Overgangsbepaling 103 ad 1, 27, 8.

De Commissie wil opmerken, dat het geen aanbeveling verdient dat de Kerk een eigen Uitgeverij en Boekhandel bezit. Behalve dat dit voor de Ned. Uitgevers en Boekhande­laren een ongewenste concurrentie kan zijn, is het niet in overeenstemming met Ord. 1, no. 103 en ligt het niet op de weg der Kerk om als uitgeefster op te treden en zich zodoende op economisch terrein te gaan bewegen. Liever zoeke ze voor haar uitgaven een uitgever. In de practijk zal dit waarschijnlijk ook voordeliger uitkomen

Deze bepaling kan trouwens niet een overgangsbepaling genoemd worden. Zij behelst een aparte zaak, die niet voortvloeit uit de aangeboden Kerkorde.

Ordinantie 4.
Overgangsbepaling 155–158.

Het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Zendingsbond is van oordeel, dat het Zendingswerk vanwege de Kerk behoort gedreven te worden en zou haar arbeid ook gaarne laten incorporeren in het Zendingswerk der Kerk. Haar bezwaar daartegen in de huidige situatie is evenwel, dat art. 10 der Kerkorde geen binding aan de Belijdenisgeschriften voorschrijft, zodat er geen waarborg is, dat het Zendingswerk vanwege de Kerk gedreven wordt in de geest van haar Belijdenisgeschriften, waarom het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Zendingsbond zich geroepen acht de zorg voor de Zendingsarbeid op de terreinen, die aan haar waren toebetrouwd, in eigen hand te moeten houden. Tot verdere motivering voor de erkenning van dit standpunt meent het Hoofdbestuur er op te moeten wijzen, dat dit gefundeerd is in de geest der Kerkorde, die het bestaan van modaliteiten erkent. Weliswaar wordt hierover gehandeld in de Overgangsbepalingen no. 227, doch het karakter van deze regeling is niettemin permanent. Intussen is aan deze voorgestelde bepaling reeds bij voorbaat uitvoering gegeven. Het Hoofdbestuur meent tevens onder het oog te moeten brengen, dat het juist de arbeid van de Gereformeerde Zendingsbond is, die het vertrouwen van vele gemeenten in onze Hervormde Kerk bezit. Daarom dringt het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Zendingsbond er bij u op aan er in mede te werken, dat na invoering der Kerkorde haar zelfstandigheid gewaarborgd blijft binnen het raam van de Raad voor de Zending. Om de samenwerking met uw Raad vast te leggen, moge het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Zendingsbond u voorstellen, dat 5 leden van het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Zendingsbond, daartoe voorgedragen door genoemd Hoofdbestuur en benoemd door de Generale Synode, zitting zullen hebben in de Raad voor de Zending.

Ordinantie 7.
Overgangsbepaling 204 – ad 7, 14, 1.

Hier willen wij alleen een vraag stellen:

Is hier rekening gehouden met de oude regel, dat een Candidaat, die voor het laatst gehouden proponentsexamen werd afgewezen, dit examen naar de oude regel nog kan overdoen?

Ordinantie 9.
Overgangsbepaling 216 ad 9, 9, 3.

Voorgesteld wordt de termijn van benoembaarheid van hen, die in het bezit zijn van de acte Godsdienstonderwijzer, tot catecheet, te verlengen tot 1960.

Overgangsbepaling 217.

Aan deze regeling worde toegevoegd de volgende zin: Zij, die bij de invoering van de Kerkorde bezig waren aan de studie voor het examen, bedoeld in art. 13 van het reglement op het godsdienstonderwijs, worden alsnog in de gelegenheid gesteld genoemd examen af te leggen.

Ordinantie 11. Overgangsbepaling 227 ad 4, 1, 1.

In een Kerk, zoals deze naar de Schrift behoort te zijn, is een dergelijke regeling onmogelijk. En als overgangsbepaling kan deze regeling geen nut hebben. Maar, indien men meent deze bepaling te moeten stellen, achten wij het nodig, dat de behandeling van zulk een zaak in handen gesteld wordt van de Classicale Vergadering, desnoods met beroep op de Provinciale Kerkvergadering.

De Kerkeraad behoort echter in zijn rechten onaangetast te blijven.

Overgangsbepaling 239.

(De redactie, door ons opgesteld j.l. Donderdag 1 Juni luidde) :

In verband met de door ons indertijd voorgestelde redactie van art. X van de Kerkorde, zijn wij van oordeel, dat op die grondslag de tucht beoefend behoord te worden, en dat op deze grondslag geoefende tucht geen uitstel mag lijden, omdat de Kerk niet zonder tucht mag zijn. (Wij hopen nog, dat artikel X in die zin veranderd zal worden. In dat geval achten wij een tijdvak van 10 jaar overbodig. Wanneer artikel X ongewijzigd wordt aanvaard, komt de vraag dwingend naar voren, of onze Ned. Hervormde Kerk nog wel in Schriftuurlijke zin aanspraak kan maken op de naam Kerk en of in zo'n Verband leertucht wel ooit mogelijk is).

Overgangsbepaling 267.

Dezelfde bezwaren, die wij indertijd ingebracht hebben tegen de figuur van vicaris, doen ons ernstige bezwaren hebben tegen deze overgangsbepaling.

Ordinantie 14.
Overgangsbepalingen 27–282.

Wij herinneren aan onze bezwaren tegen de figuur van ouderling-kerkvoogd. Deze bewaren zijn niet weggenomen en daarom kunnen wij ook niet met deze bepalingen accoord gaan.

Zij zijn voor ons onaanvaardbaar.

Ordinantie 15.
Algemene opmerking.

Na al hetgeen dezerzijds ten aanzien van de bepalingen van Ordinantie 15 werd naar voren gebracht om aan te geven, waarom deze voor ons in deze vorm onaanvaardbaar moet worden geacht, geven de voorgestelde Overgangsbepalingen weinig aanleiding om daaromtrent opmerkingen te maken. Zij lig gen immers in het verlengde van de primaire voorschriften en moeten uiteraard dezelfde geest ademen, waartegen ons non possumus blijft gehandhaafd.

Toch mag een enkele min of meer zakelijke opmerking niet achterwege blijven, vnl. ten opzichte van :

Overgangsbepaling 281a.

Het beroepsrecht dat hier wordt gegeven, is naar ons oordeel niet in overeenstemming met hetgeen naar gereformeerd kerkrecht zou zijn geboden. Acht men revisie van een behaald besluit gewenst, dan behoort zulks te geschieden in de weg der kerkelijke vergaderingen. En stellig zou zulks moeten gebeuren, indien, zoals hier (zie Overgangsbep. 281) het besluit wordt genomen door een instantie, welke geen kerkelijke vergadering, doch slechts adviescollege behoort te zijn. Hier demonstreert zich — en niet alléén hier — hoe straks onze Kerk bij aanvaarding van hetgeen ons is voorgelegd, zal worden geregeerd van bovenaf door commissies en raden.

Overgangsbepaling 287.

Voor de benoeming van de Provinciale Commissies is aan de Classicale Vergaderingen opgedragen voor de eerste maal een aanbeveling te doen voor drie leden uit de diakenen der kerkprovincie. Het is niet duidelijk, waarom deze opdracht zich ook niet uitstrekt tot de aanwijzing van een lid uit de lidmaten der kerkprovincie. Men heeft dit in handen gelegd van de fungerende algemene Diaconale Raad. Wij achten het juister dat een en ander geheel in handen werd gelegd van de Classes.

Men is regionaal beter op de hoogte van zaken en personen dan een centraal lichaam dit uiteraard zijn kan.

Overgangsbepaling 288.

De voorgestelde wijze van eerste samenstelling van de diaconale raad moet naar ons gevoelen weinig bevredigend worden genoemd in zover de kerkelijke (ambtelijke) vergaderingen op de benoeming practisch geen invloed kunnen uitoefenen. Zelfs de diaconieën, welke bij de instelling van een lichaam als de diaconale raad waaraan grote invloed op het diaconale terrein wordt gegeven, uiteraard groot belang hebben, spreken bij de benoeming van de leden van die raad niet mede. Immers is het doen van voordracht en aanbeveling in handen gelegd van de fungerende diaconale raad, raad voor kerk en ziekenzorg en bestuur van de federatie van diaconieën. (1e en 2e lid).

Indien men toch aan een diaconale raad wil vasthouden, zou enige verbetering naar ons oordeel reeds worden verkregen, indien het doen van alle voordrachten — rekening houdende met .de sectoren, waaruit de benoemingen moeten plaats vinden — zou worden opgedragen aan de „federatie van diaconieën". Op deze wijze zouden tenminste de diaconieën worden ingeschakeld, wijl dan in de ledenvergadering van de federatie de candidaten bij meerderheid van stemmen zouden worden aangewezen. Dit moet voor het optreden van de diaconale raad van grote betekenis worden genoemd omdat aldus zekerheid wordt verkregen, dat hij wortelt in een brede schare van er onmiddellijk bij betrokken zijnde ambtsdragers der kerk, welke zekerheid bij de in het onderhavige artikel voorgestelde procedure ontbreekt en in de practijk tot minder prettige verhoudingen aanleiding zou kunnen geven.

Er zij op gewezen, dat in de leden 1–3 en 4 gesproken wordt van „voordracht" en in het 2e lid van „aanbeveling". Gewenst is dat ook in het 2e lid het woord „aanbeveling" wordt gewijzigd in „voordracht".

Overigens ware het naar onze wijze van zien juister, indien deze benoeming geheel in de kerkelijke lijn zou worden gehouden, hetgeen mogelijk is, indien dertien classicale vergaderingen — zo goed mogelijk over het gehele land verdeeld — zouden worden uitgenodigd elk een candidaat naar de sectoren verdeeld, ter benoeming aan de Synode voor te dragen.

Ordinantie 16.
Overgangsbepaling no. 304.

De Kerkvoogdijen worden met bijzondere nadruk opmerkzaam gemaakt op deze overgangsbepaling. Hier wordt in beginsel de zelfstandigheid der Kerkvoogdijen erkend tegenover het Bestuur der Kerk. De Kerkvoogdijen kunnen hun vrij beheer behouden door hun plaatselijk reglement niet aan te passen aan de bepalingen der Kerkorde.

In de Verzamelde rapporten zijn de bezwaren tegen ordinantie 16 reeds ontwikkeld en deze blijven onverminderd van kracht tegen de benoeming van leden voor de provinciale kerkvoogdijcommissies en voor algemene kerkvoogdijraden.

Ordinantie 19.
Overgangsbepaling no. 343.

In deze bepaling is de wonderlijke regeling, dat zaken tegen Kerkvoogdijen, die vrij beheer bezitten, na 1 Mei 1951 zullen afgewikkeld worden door instanties, die door de Kerkorde daartoe geroepen worden. Nog ongerijmder is, dat de behandeling dan afgewikkeld zal worden naar dé regelen der Kerkorde. Op zijn minst zou hier toch een behandeling naar het reglement op het beheer op zijn plaats zijn. Men streve in ernst naar tijdige afwikkeling.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Advies van de kerkorde-commissie van de Geref. Bond inzake de overgangsbepalingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's