De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Als de kerkorde wordt aangenomen...?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Als de kerkorde wordt aangenomen...?

9 minuten leestijd

„Is het wel mogelijk, dat in een Christus belijdende Volkskerk orthodoxe gemeenten van allerlei schakeringen en vrijzinnige naast elkander leven onder een en dezelfde kerkorde?"

Dit is één der vele vragen, die ons toekwamen.

Om de stof een weinig te verdelen, merken wij op, dat de vrager tweeërlei nadruk legt in deze vraag :
a. een Christus belijdende Volkskerk,
b. onder een en dezelfde kerkorde.

Belijdenis en kerkorde zijn twee dingen, Deze staan niet los van elkander, om de eenvoudige reden, dat een kerk niet zonder belijdenis, maar ook niet zonder orde kan zijn. De aard der kerk, welke zich op aarde openbaart, vraagt daarom. In een gezonde toestand van het kerkelijk leven zal er dan ook overeenstemming zijn tussen belijdenis en orde, aangezien de aard van de openbaring der kerk op aarde een stuk van haar belijdenis uitmaakt.

Wij wijzen daartoe op de artikelen der Ned. Geloofsbelijdenis, die betrekking hebben op de ambten en de regering der kerk. (Art. 27 v.v).

Ook in dit opzicht echter is er verschil. Sommige kerken, b.v. de Roomse kerk en ook de episcopaalse (Anglicaanse, Lutherse e.a.) hebben een opvatting van het ambt van de. opziener, welke verschilt van de gereformeerde leer, die de nadruk legt op het ambt van de ouderling. De ouderling is de opziener der gemeente. Het ouderlingschap wordt dan onderscheiden in het ambt van de Dienaar des Woords en het regeerambt. Deze is de ouderling, die in het Woord arbeidt. Naast hem staat de ouderling, aan wie de regering is toebetrouwd. Tezamen vormen zij een college, het consistorie, en hebben het opzicht over de gemeente, de kudde des Heeren. (Zie het formulier voor de bevestiging). Een kerkorde, welke met deze gereformeerde opvatting overeenkomt, heet presbyteriaal. (Een woord dat samenhangt met de Griekse naam voor ouderling).

Dat wil dus zeggen, dat de Dienaren des Woords en de ouderlingen, worden afgevaardigd naar de vergaderingen der kerk, de classicale vergaderingen, de provinciale en generale synoden. (Het woord synode betekent samenkomst, vergadering). Deze vergaderingen zijn alzo vergaderingen der plaatselijke kerken in breder verband. Als regel geldt van ouds, dat de meerdere vergaderingen geen zaken behandelen, die de lagere of mindere vergaderingen kunnen afdoen.

De zoëven genoemde kerken, die in meerdere of mindere mate afwijken van deze presbyteriale orde en een meer episcopaals karakter dragen, onderscheiden zich door bisschoppen (of overeenkomstige ambtsdragers). Het woord bisschop is ontstaan uit het Griekse woord voor opziener. De kerkregering is dan aan de bisschoppen toevertrouwd, die gewoonlijk ook weer verschillende rangen bekleden. (Aartsbisschop). Er ontstaat dan een opklimming van lager naar hoger, zodat een hiërarchie van geestelijken wordt gevormd, welke de kerkregering uitmaakt.

Deze opmerkingen betreffen nog slechts het uitwendige, want, indien wij dieper op deze dingen zouden ingaan, zou het blijken, dat ook een kerkbegrip daarmede saamhangt, dat verschilt van het gereformeerde. Denken wij slechts aan de spreekwijze, waar de bisschop is, daar is de kerk. De kerk is daar, waar het ambt is. De gereformeerde leer zegt, waar het Woord zuiver wordt bediend en de sacramenten overeenkomstig de instelling, en tucht wordt gehandhaafd, daar is de kerk.

Wij gaan dit thans niet nader uitwerken, aangezien wij ons bij de vraag willen bepalen.

De kerkorde heeft dus zeker met de belijdenis te maken. Zij onderstelt de belijdenis en steunt daarop, als het goed is, maar het kan ook heel anders zijn, zoals de organisatie van 1816 kan aantonen, die nader werd aangeduid als een besturen-organisatie.

Het ontwerp-kerkorde, dat thans aan de orde is, behoort volgens de opdracht presbyteriaal te zijn en gereformeerd. Een voorbeeld daarvan vindt men in de Dordtse Kerkorde.

Wie het ontwerp bestudeert, zal echter ontdekken, dat het een tweeslachtig karakter draagt, waarin het presbyteriale zeker niet domineert. De besturen van de organisatie 1816 verdwijnen weliswaar, om plaats te maken voor de classicale vergaderingen, dei provinciale synoden en de generale synode, en haar moderamina, maar daarmede is niet alles gezegd. Deze orde loopt dus van onder naar boven.

Tegelijkertijd echter heeft men van boven naar beneden een stelsel van Raden en Commissiën, met hun voorzitters en secretarissen, welke op zich zelf ook een soort kerkorde vormen, die wel niet de naam episcopaals draagt, maar toch als stelsel gezien wel zo genoemd kan worden.

Deze tweeslachtigheid van de voorgestelde kerkorde verraadt uit de aard der zaak ook een vermenging van kerkbegrip. Het door de leiding ingenomen standpunt ten aanzien van de belijdenis, geeft daarvan dan ook blijk op een wijze, die voor ieder duidelijk kan maken, dat men van een ander beeld uitgaat, dan ons in de belijdenis der kerk wordt voorgesteld.

Het episcopaalse standpunt schijnt voor velen aantrekkelijk, omdat zij in de kerk gaarne het beeld zien van een zorgzame moeder, die over hen waakt, de moeilijkheden wegneemt, de problemen oplost, zodat de priesterlijke dienst, waaronder men zich schaart, op de voorgrond treedt. Een bisschoppelijke orde, een stelsel van bovenaf, schijnt een en ander te bevorderen en dat is ook begrijpelijk. De kerk, d.w.z. de kerkregering van boven af, maakt het uit. Wij kunnen in de laatste jaren opmerken, dat men er schier een gewoonte van maakt om allerlei handelingen en beslissingen als vanwege de kerk af te kondigen, waarbij de kerk dikwijls bitter weinig is gekend of betrokken werd. En er zijn er zonder twijfel velen, die daarmede genoegen nemen, zonder zich omtrent de aangelegen zaak persoonlijk veel moeite te geven.

Met de gereformeerde leer heeft dit weinig of niets uit te staan. Vooreerst brengt het Schriftgeloof mede, dat zij de kerk in haar aardse openbaring noch gelijkstelt met het Koninkrijk Gods, noch ook met Jeruzalem, dat boven is, hetwelk is ons aller moeder. Waar het Woord zuiver gepredikt wordt, is de kerk. Zij is de getuige des Heeren op aarde. Het profetische staat op de voorgrond, terwijl het priesterschap met name in het ambt der gelovigen als de vrucht des geloofs om zijn rechten vraagt. De stukken liggen zo geheel anders. De gemeente is een vergadering van ware Christgelovigen. Men belijdt de Heilige Schrift als goddelijke Schriftuur, niet zozeer omdat de kerk ze voor zodanige houdt, maar omdat de Heilige Geest in onze harten getuigt, dat zij van God zijn. Op het persoonlijke geloofsleven ligt de nadruk.

„Niet zozeer, omdat de kerk ze voor zodanige houdt". Het gaat niet in de eerste plaats om het gezag der kerk, maar de kerk kan slechts aanspraak maken op het aanzien en de waardigheid der kerk, als zij zich die waardig betoont naar de regel des geloofs.

Het komt altoos weer neer op de belijdenis aangaande de Heilige Schrift als het Woord Gods.

Men heeft de gereformeerde kerkregering wel eens democratisch genoemd. Dat is op zich zelf beschouwd, onjuist. Het tekent slechts een trek, die ogenschijnlijk overeenkomt met het presbyteriale en een tegenstelling met de opvattingen van een kerkelijk gezag van bovenaf. Het behoeft dan ook niemand te verwonderen, dat de aanhangers van de gereformeerde belijdenis der kerk, van meet af zijn gekant geweest tegen het stelsel van Raden en Commissiën, zoals dat wordt voorgesteld, en dat zij de oplossing der kerkelijke vraagstukken in de voorgestelde weg niet verwachten.

Vandaar dan ook de vraag, die ons thans bezig houdt. De vrager stelt zich een ander kerkelijk leven voor dan het beeld, dat hem voor ogen komt in een Christus belijdende: Volkskerk onder de nieuwe kerkorde.

Hij heeft zijn eigen voorstelling van een Christus belijdende Volkskerk, of mogelijk, van een Christus belijdende kerk, terwijl hij thans moet denken aan een Christus belijdende Volkskerk met alle schakeringen, welke de huidige situatie biedt.

Hoe kan dat onder eenzelfde kerkorde? — zo vraagt hij.

Hij voelt het verband tussen belijdenis en kerkorde, waarop wij hebben gewezen, en dat de kerk is een gemeenschap des geloofs, terwijl hij in het beeld, dat de werkelijkheid te zien geeft, dat gemeenschappelijk geloof mist.

Of Christus belijden dan niet als het centrale kenmerk kan gelden?

Dat kan, als het centraal bepaald is, maar dat kan niet, als dat Christus belijden als kerkelijke belijdenis onzeker en van de willekeur der belijders afhankelijk is.

Nu is er bij de leiding, althans formeel, meer instemming met zijn bezwaar dan hij vermoedt. Immers één der doelstellingen van „Fundamenten en Perspectieven" is, te komen tot eenheid des geloofs. De inhoud van dit geschrift echter onderstelt een hernieuwd reformatorisch belijden als de weg naar de gewenste eenheid, waaraan naar onze overtuiging de grondslag ontbreekt, waardoor het reformatorisch karakter wordt bepaald en waarbij de reformatorische belijdenis wordt losgelaten. (Vgl. de betreffende artikelen in ons blad).

Dit standpunt onderstelt een „hernieuwd belijden" als „kerkelijk" belijden, waarbij de door vrager genoemde schakeringen, inclusief een z.g. „orthodoxe" vrijzinnigheid, als modaliteiten, verschijningsvormen, van hetzelfde geloof worden gewaardeerd. Op die wijze kan men dat alles saamvatten onder de idee van een „Christus belijdende Volkskerk", onder dezelfde kerkorde.

Het behoeft niet gezegd, dat deze beschouwingswijze meer aangepast op de situatie, dan principieel verdedigbaar is. Immers op die wijze aanvaardt men de verscheidenheid onder de idee van een hogere eenheid, als golden de verschilpunten middelmatige zaken, waarmede de fundamentele stukken niet gemoeid zijn.

Hoewel er ook onder degenen, wier belijdenis vasthoudt aan de gereformeerde confessie, van verschil van accent kan gesproken worden, blijft de Heilige Schrift als regel des geloofs toch het richtsnoer en criterium, overeenkomstig art. 2–7 der Geloofsbelijdenis Op die grondslag des geloofs en aan die regel gemeten, kunnen de gereformeerde belijders geloofsopvattingen, welke zich aan die regel niet onderwerpen, niet als modaliteiten binnen de enigheid en eenheid des geloofs erkennen.

Het is mogelijk op het standpunt van „Fundamenten en Perspectieven" gemakkelijker om de gereformeerde religie als een modaliteit of wijze van de voorgestelde eenheid des geloofs in het geheel op te nemen, doch omgekeerd kan 't gereformeerd Schriftgeloof zulk een waardering niet tot de zijne maken, alsof een kerkelijke geloofsgemeenschap mogelijk ware met degenen, die in hun belijden op fundamentele stukken afwijken en het recht voor zich opeisen tegenstrijdige leringen in één kerkverband te verbreiden onder het motto modaliteit.

Zulk een oplossing van het kerkelijk vraagstuk kan, menselijk gesproken, niet tot een gezond kerkelijk leven leiden. Het is een vorm van een modus vivendi, waarbij de modaliteit het leven der kerk dreigt te over­woekeren.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Als de kerkorde wordt aangenomen...?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's