De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het bezit van de Geest van Christus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het bezit van de Geest van Christus

9 minuten leestijd

maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Romeinen 8 vers 9b.

In ons kerkelijk jaar leven wij vlak na de herdenking van de uitstorting van de Heilige Geest. Bij onze tekstkeuze voor een meditatie, willen wij met dit feit rekening houden. Ook onze tekst spreekt van de Heilige Geest. Echter noemt de apostel Paulus Hem ditmaal de Geest van Christus.

Paulus is zich bewust, dat hij een grote waarheid zegt. De Heere Christus heeft toch door Zijn Middelaarslijden tot in de dood, het mogelijk gemaakt dat de Heilige Geest uitgestort werd in de harten van zondaren. Zonder Zijn plaatsvervangend lijden zou die gave van de Heilige Geest volkomen onmogelijk zijn. Dan zou het alleen maar mogelijk geweest zijn, dat de mensheid van God straf op straf ontving vanwege het wangedrag van ons, mensen, met de van God ontvangen gaven.

Eenmaal toch stelde de Heere ons mensen op zo'n hoge plaats. Hij maakte ons tot reine wezens, die met ware kennis van God werden begiftigd.

Wij vertoonden het beeld van God.

Wij mochten Zijn beelddragers zijn in gerechtigheid en heiligheid.

Wij mensen hebben echter al die schatten Gods verwoest.

Wij hebben deze doorgebracht, „levende overdadiglijk".

Wij hebben onszelf moedwillig radicaal verdorven. Wij hebben inplaats van de kennis van God, nu een totaal onkundig hart. Onheilig en onrechtvaardig zijn wij geworden.

Zoals op sommige munten door jarenlange rondgang van hand tot hand de beeldenaar uitgesleten raakt en onleesbaar, zo is het van nature met ons, mensen. Een munt behoeft dat niet kwalijk genomen te worden, maar met ons mensen is dat een ander geval. De dichter van Psalm 106 vertolkte zijn schuldbesef daarover door te zingen:

Wij hebben God op 't hoogst misdaan.
Wij zijn van 't heilspoor afgegaan.
Wij en onze vaad'ren tevens.

Helaas, wordt deze schuldbelijdenis in onze dagen zo weinig vernomen. De schuld is er wel, maar men wil niet van harte toestemmen, dat wij in Adam onszelf volkomen verwoest hebben.

En de werkelijkheid van elke dag bevestigt toch die droeve val. Is ieders hart van nature niet een poel van ongerechtigheid? Wie zou eerlijk durven neerschrijven, wat op één dag in zijn hart wordt gedacht, gewenst en begeerd?

„Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der wet Gods niet".

Ieders hart is een haard van verzet, opstand tegen een goedertieren en barmhartig God.

Wat doet nu een Regering, die deze naam met recht draagt? Deze Regering smoort dat verzet en deelt zware straffen uit.

Zo zou ook de Heere ons, revolutionairen, rechtvaardig kunnen bezoeken met Zijn gramschap.

Laat ons nu echter letten op onze tekst!

Daarin spreekt Paulus van de mogelijkheid dat mensen inplaats van Gods gramschap, de Geest van Christus ontvangen.

Die Geest van Christus kan door genade hun eigendom worden.

Ja, wat een genade. Lezer!

Die Geest van Christus is toch ook God, gelijk de Vader en de Zoon God is. Hij is, als de derde Persoon van het Goddelijk

Wezen, zo groot, zo almachtig, zo alwijs, zo alomtegenwoordig, zo barmhartig. En toch is het mogelijk blijkens Paulus' woord, dat mensen die Geest de hunne noemen.

Wat is een mens rijk met zulk een bezit!

Want die Heilige Geest kan toch het hart van een mens wederbaren. Die Geest kan overtuigen van zonde. Die Geest kan de zondaar doen bidden om genade. Die Geest kan het oog openen voor de enige Verlosser en Zaligmaker en hem armen des geloofs geven.

Die Geest kan het hart troosten. Hij werd toch door de Heere Jezus de Trooster genoemd. Die Geest kan het hart zo bewerken, dat Hij getuigt met de geest van een mens, dat hij een kind van God is.

Die Geest kan voor het hart levendig doen worden die grote erfenis van Gods kind en Hij kan hem verzekeren van zijn aandeel in deze eeuwige erfenis.

Is het bezit van die Geest niet bijzonder groot? Sommige mensen kunnen bij benadering niet zeggen, hoe groot hun bezit in geld en goed is.

Wat worden zulken door velen benijd!

Er zijn mensen, die begiftigd zijn met enorme kennis van allerlei zaken. Ook zij hebben vele benijders.

Maar dit bezit van die Geest van Christus gaat dat alles oneindig ver te boven.

Stemmen wij dat toe, Lezers?

Weten wij dat uit ervaring?

Hebt ge die Geest van Christus ook mogen ontvangen?

Laat ons onszelf nauw onderzoeken.

Wie die Geest bezit, is zo rijk, en wie Hem mist is zo ontzaglijk arm.

Dat laat ons Paulus hier ook ontstellend duidelijk zien.

Wie de Geest van Christus niet heeft — zegt hij — komt Hem niet toe.

Wat betekent dat?

In de grondtekst staat: Wie de Geest van Christus niet heeft, is niet van Hem, is dus niet van Christus.

En is dat niet een vreselijke zaak, wanneer een mens niet van Christus is? Het Woord Gods leert ons toch, dat een mens òf van Satan òf van Christus is.

In het midden van deze wereld haalt men daar de schouders voor op. Menigeen meent, dat hij volkomen vrij is. Hij moet enigermate rekening houden met de aardse wetgever, maar verder is hij volkomen vrij. Alleen dat nare noodlot ontmoet hij telkens op zijn weg en af en toe ook de fortuin. Maar overigens is hij vrij man.

In onze kring worden andere meningen gevonden. Maar, helaas, leeft slechts een enkele zich de ontroerende waarheid in, dat hij òf van Satan is òf van Christus.

Een ieder van ons wordt er opnieuw nu weer aan herinnerd: òf hij is onderdaan van de mensenmoordenaar van de beginne, òf van de machtige, genadige Christus, Wien gegeven is alle macht in hemel en op aarde.

Diep ongelukkig is een mens, die nog bij de Vorst der duisternis behoort. Als hij de zijne blijft, wacht hem dezelfde poel des vuurs, waarin eens zijn meester zal geworpen worden. Hoe spoedig zal die plaats, na een enkel jaar van schijngeluk, bereikt zijn!

Daarom is het zo'n vraag van belang, of wij de Geest van Christus bezitten. Missen wij Hem, dan zijn wij niet van Hem, maar van de vorst der duisternis.

Daarom is zelfonderzoek hier zo dringend nodig.

Bezitten wij de Geest van Christus?

Het is niet voldoende, een of andere gave van de Geest te bezitten.

De gaven van de Geest zijn vele.

Zijn de gaven van wijsheid, van muzikale zin, van welsprekendheid — om iets te noemen — niet gaven van de Geest?

Profeteerde een Bileam niet door de werking van de Heilige Geest in hem? Was het niet de Geest, waardoor een Judas — als de anderen — het Evangelie van Christus verkondigde. Was het niet een werking van de Geest, waardoor Felix zeer bevreesd begon te worden?

Maar al hadden zij de gaven van de Geest ontvangen, wij kunnen niet zeggen, dat zij de Geest van Christus bezaten. Dan zou het einde van hun leven wel anders geweest zijn.

Wij moeten de Geest van Christus zelve bezitten.

Is die Geest door genade ons eigendom geworden?

Die vraag mag niet achterwege blijven.

Hoe zal ik daarop een juist antwoord ge­ven? — vraagt menigeen zich af.

En toch is die vraag niet zo moeilijk.

Paulus noemt hier de Heilige Geest de Geest van Christus, omdat Christus Hem verworven had.

Maar zou Paulus Hem nog niet om een andere reden zo genoemd hebben?

Handelt die Geest niet altijd met een mens over Christus?

Heeft Christus zelf niet gezegd, dat die Geest indachtig zal maken al hetgeen Hij gezegd had? (Joh. 14 vs. 26).

Welnu, als die Geest ook u geschonken is in beginsel — dan zal Hij ook u indachtig gemaakt hebben wat de Heere Jezus gezegd heeft. Hij zal u dat op uw hart gebonden hebben. In Zijn eerste prediking sprak Hij over de noodzakelijkheid van bekering. De tijd is vervuld, het Koninkrijk Gods is nabij gekomen, bekeert u en gelooft het Evangelie.

Heeft de Geest van Christus ons zulke woorden van Christus zo op de ziel gebonden, dat wij diep onder de indruk kwamen van de noodzakelijkheid van de ware bekering?

De Heere Jezus sprak eens: Wat baat het een mens, al zou hij de gehele wereld gewinnen en schade lijden aan zijn ziel? Met dat woord toonde Christus aan de armoede van zelfs de rijkste wereldling.

De Geest maakt de woorden van Christus indachtig. Deed Hij dat ook bij ons? Heeft Hij ons alles uit handen geslagen, ons op de knieën gebracht, maar ons daarna ook indachtig gemaakt, dat Christus gekomen is om arme zondaren te zaligen? Heeft Hij ons begerig gemaakt naar het persoonlijk bezit van de Heere Christus?

Kennen wij iets van die dorst, die honger naar het bezit van, Christus, ons vroeger totaal onbekend, waarmee wij vroeger misschien zelfs de spot dreven?

Gelukkig, wanneer wij aan dit alles geen vreemdeling zijn. Neen, gij zult met het bovengenoemde niet tevreden zijn. Ge begeert meer. Gij zijt verlangend naar de verzadiging van de ziel met de Heere Jezus. Hem zoudt ge zo graag de uwe noemen? Ge zoudt zo graag de zekerheid van schuldvergiffenis smaken. Ge zoudt zo graag door die Geest, om de wille van Christus' werk, verzekerd worden van het kindschap Gods. Gij zoudt zo graag door die Geest de zonden afsterven.

Gij zijt u bewust, dat deze grote zaken u alleen uit genade ten deel kunnen vallen. En toch kunt ge niet nalaten deze biddend te begeren, hoe groot deze ook zijn.

Terugziende in uw leven, geven u al die inwendige veranderingen hoop, dat ge uit genade in beginsel die Geest ontvangen hebt, maar ge zult niet kunnen rusten, voordat de Heilige Geest u verzekert van uw deel in Christus.

Wie door genade mag zeggen, die Geest van Christus ontvangen te hebben en daardoor mag weten van Christus te zijn, zal de barmhartigheid van God moeten bewonderen en de opzoekende liefde van Christus en het geduld van de Heilige Geest.

Zulken weten ook van de dagelijks terugkerende bestrijders van dat geluk en van hun eigen struikelingen. Met Paulus mogen zij echter zeggen: Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, die ons liefgehad heeft.

Wellicht moet menige lezer bekennen, dat men tot nog toe onverschillig stond tegenover het bezit van de Heilige Geest. Het bezit van andere zaken achtte men veel hoger. Diezelfde Geest, van Wien wij mochten schrijven, gebruike deze meditatie als een middel om zulk oordeel grondig te wijzigen. Daartoe behoort ook het gebed op te stijgen om die Heilige Geest. Dat mag gebeden worden. En het zal niet tevergeefs gebeden worden, als het gebeurt op de rechte wijze. Onze Vaderen hebben in Zondag 45 neergeschreven, dat God Zijn genade en de Heilige Geest aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Slikkerveer.
P. BOUW.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het bezit van de Geest van Christus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's