Het Kerkelijk gesprek
„Kan een kerkeraad of Evangelisatie eigenlijk wel met een vrijzinnig georganiseerd deel der gemeente over principiële zaken handelen?
Deze vraag bracht er ons toe, als opschrift „Het kerkelijk gesprek" te kiezen, omdat de vraag met principiële zaken wellicht geloofszaken bedoelt.
Als de vrager zelf een antwoord zou geven, zou dit zonder meer ontkennend zijn, gelijk wij uit zijn brief opmaken.
Overigens is zijn vraag geheel gericht op de bestaande toestand. Hij spreekt van Evangelisatie en van „een vrijzinnig deel der gemeente".
Beide termen wijzen op een kerkelijk ongezonde toestand. Immers een „Evangelisatie", zoals hij bedoelt, vertegenwoordigt een groep van gemeenteleden, die zich niet voegt bij de officiële kerkdienst, zoals die door de Kerkeraad wordt verzorgd. Een Evangelisatie doet op eigen gelegenheid, wat des Kerkeraads is in de verzorging van de Dienst des Woords en dat betekent, hoe men het ook beziet, een breuk met de kerkelijke orde.
Wij stellen daarom alle gevallen nog niet gelijk, want, indien de Kerkeraad de gemeente niet geeft, waarop zij recht heeft, n.l. een prediking naar Schrift en belijdenis, is de Kerkeraad in gebreke en geeft hij zelf aanleiding tot scheuring.
In feite stelt zulk een Kerkeraad zich op een ander standpunt, dan door Schrift en belijdenis geboden is.
Daarentegen, als de Kerkeraad overeenkomstig Schrift en belijdenis handelt en een groep gemeenteleden wil zich daaronder niet voegen, dan scheidt zulk een groep zich af. Vormt zulk een groep een z.g. „Hervormde" Evangelisatie, dan is de kwalificatie „Hervormd" kerkrechtelijk niet gerechtvaardigd. De Hervormde kerk heet immers Hervormd op grond van haar reformatorische belijdenis. Onttrekt men zich aan de prediking naar de belijdenis, dan geeft men, principiëel gezien, daarmede ook de naam „Hervormd" prijs.
Het heeft daarom iets te zeggen, dat voorstanders van de „nieuwe koers" zich moeite geven om aan het woord „Hervormd" een nieuwe inhoud te geven, welke vooral daarop neerkomen wil, dat men zich niet gebonden acht aan de Hervormde belijdenis. Reeds meerdere malen hebben wij er op gewezen, dat de leiding dit streven bevordert en geen kerkelijke binding aan de belijdenis wil.
„Vrijzinnig georganiseerd deel der gemeente".
Inderdaad zijn er in de Hervormde kerk vrijzinnige gemeenten met een vrijzinnige Kerkeraad en ook zijn er georganiseerde groepen van vrijzinnigen, die al of niet in kerkelijk verband willen staan. Op die wijze kan men spreken van een vrijzinnig georganiseerd deel der gemeente, hoewel 't woord gemeente dan wel in zeer uitwendige zin is gebruikt.
Principiëel gezien, zou dat niet kunnen. Een gemeente is een geloofsgemeenschap in confessionele zin. Zo beschouwd, zou men echt kerkelijk van een „vrijzinnige" gemeente niet kunnen spreken. Naar de beginselen van een gereformeerde kerkorde beoordeeld, zou een gemeente, die met de belijdenis der kerk welbewust op de fundamentele leerstukken gebroken heeft, zich aan de gemeenschap der kerken hebben te onttrekken, en zo niet, zou dat een kerkelijke procedure uitlokken.
Het is dus duidelijk, dat de vrager van uit de huidige verhoudingen zijn vraag stelt, terwijl hij gevoelt, dat een en ander met een gereformeerde orde niet in overeenstemming is.
Kennelijk is hij het niet eens met de methode, welke hij omschrijft als: „over principiële zaken onderhandelen". Wellicht bedoelt hij het gesprek over geloofszaken met vrijzinnigen, en zeker doelt hij ook op onderhandelen omtrent het vinden van een vorm van naast elkander in kerkelijk verband bestaan.
Wat nu het eerste, het z.g. „kerkelijk gesprek" aangaat, wij hebben nooit onder stoelen of banken geschoven, dat wij geen verwachting hebben van de methode, welke men daarbij heeft gevolgd. Waarom zou men met vrijzinnigen niet over de fundamentele stukken des geloofs kunnen handelen? Denk eens aan Paulus op de Areopagus.
In de omstandigheden, waarin de Hervormde kerk is geraakt zou men zelfs plaats kunnen geven aan een z.g. „kerkelijk gesprek", waaraan de voorstanders van verschillende richtingen deelnemen, als een middel om tot klaarheid te komen omtrent elkanders inzichten.
Dat kan althans een sfeer scheppen, waarin de tegenstellingen als zodanig duidelijk worden onderkend en aan de daaraan ten grondslag liggende beschouwingen getoetst. Het is echter voor geen tegenspraak vatbaar, dat men om tot eenheid des geloofs te komen, en dat wil immers de strekking zijn, een maatstaf behoeft. Het gaat toch niet om een accoord te vinden bij wijze van compromis, waarbij de tegenstellingen worden overbrugd en in feite verdoezeld.
Het gaat over het geloof in de Christus der Schriften, waaruit de kerk leeft, en dat is een geestelijke werkelijkheid, vallende buiten de gewone orde der dingen. Het geloof heeft geen maatstaf in de mens en kan niet door redelijke bewijsvoering overtuigen, wien het ontbreekt. Evenmin kan het van zijn fundament worden beroofd bij iemand, die er uit leeft.
Men heeft gesproken van herontdekking der kerk, maar in het gesprek moest het gaan om herontdekking van het geloof der kerk van Christus, n.l. de levende kerk.
De ervaring der laatste jaren geeft weinig grond om aan te nemen, dat men, menselijk gesproken, veel gevorderd is in de herontdekking der kerk. Dat kan wellicht mede zijn oorzaak vinden in het feit, dat men zich weinig moeite heeft gegeven, althans in de aangewezen weg, om tot herontdekking van het geloof der kerk te komen.
Twee dingen althans kunnen worden genoemd om aan te tonen, dat men die aangewezen weg niet verkoos.
1e. Het meermalen uitgesproken oordeel over de belijdenis der vaderen als verouderd en overleefd.
2e. Een zeker idealisme omtrent een gewenste eenheid des geloofs, dat zich boven de richtingen meende te kunnen verheffen, als zouden deze niet meer dan accentueringen van zekere aspecten en modaliteiten van hetzelfde geloof zijn.
Deze beide hangen met elkander saam. Men heeft de diepte der tegenstellingen niet gepeild en voor zover men gevoelde, dat althans de uitersten heel ver uit elkander lagen, en voor zover met het gecentraliseerde midden onverenigbaar, heeft men die niet ernstig genomen.
Wat het onder 1e. gestelde betreft, het ware goed geweest, eens niet over het belijden nú te praten, maar de belijdenis der kerk als norma normata tot uitgangspunt van het gesprek te maken. Zonder twijfel is die gedachte wel uitgesproken, maar men heeft het niet gedaan. De reden ligt voor de hand, want de „gewenste" eenheid vreesde men in die weg niet te bevorderen.
Indien men die weg gevolgd had, zou reeds van de aanvang af de eigenlijke grondslag der belijdenis, n.l. het Schriftgeloof, in discussie zijn gekomen, en juist op dit punt achten vele theologen de discussie gesloten, als ware het geloof der vaderen omtrent de Heilige Schrift een overwonnen standpunt.
Hier ligt eigenlijk de kern der zaak, zoals telkens in het gesprek wel is gebleken. Men verkoos van een Schriftgedeelte uit te gaan, met het gevolg, dat de vraag omtrent het Schriftgezag telkens weer te voorschijn kwam. Doch tot een formele uitspraak kwam het niet, noch in de zin der belijdenis, noch in een daarvan afwijkende zin, tenzij men het beroep op het feitelijk gezag in „Fundamenten en Perspectieven" daarvoor wil houden.
In ieder geval blijft de zaak in het kerkelijk gesprek twijfelachtig, hoewel zij dat voor het geloof niet zijn kan en ook niet is.
Intussen ontbreekt daardoor de vaste grond voor het „kerkelijk" gesprek, hetwelk, daardoor niet echt kerkelijk kan zijn, omdat de Heilige Schrift als regel en richtsnoer des geloofs niet tot haar recht komt.
Calvijn spreekt in gelijke zin van het getuigenis der Heilige Schrift en het getuigenis van de Heilige Geest.
Het is dan ook wel gebleken, dat deze weg niet tot het doel heeft geleid.
Van een wederkeer tot de Schrift overeenkomstig de belijdenis der vaderen is echter nog weinig te zien, hoewel daarin alleen behoud zou zijn. Liever tracht men zich te handhaven door de richtingsverschillen als modaliteiten van hetzelfde geloof te willen zien en deze naast elkander plaats te verwerven onder de nieuwe kerkorde.
Vanuit vrijzinnig standpunt is een zodanige beschouwing begrijpelijk. Immers de vrijzinnige behoudt ook in eigen kring gaarne de vrijheid van persoonlijke interpretatie en een gebondenheid aan een confessie schikt hem niet.
Een Schriftgelovige belijder kan daarentegen een geloof, dat de Christus, die ons in de Evangeliën wordt voorgesteld, weerspreekt, niet als een wijze van het ware geloof erkennen en mede verantwoording dragen voor een kerkelijke erkenning daarvan en van het recht om zulk een geloof in de kerk te progageren.
Een dergelijk synthetisch streven tracht onverzoenlijke tegenstellingen te verenigen, door ze te verbloemen. Het is duidelijk, dat wij daaraan niet kunnen medewerken.
Dit toch is geen vorm van tolerantie, maar misverstand, en zo men niet aan geveinsdheid mag denken, komt het voort uit gebrek aan inzicht in het leven der kerk.
Het werk der sanering van het kerkelijk leven, hetwelk zich richten wil naar de Heilige Schrift, zal zonder twijfel met de bestaande verhoudingen en toestanden hebben te rekenen om niet te vervallen in een ijver zonder verstand, doch dan zal het toch een ander beleid vragen dan thans wordt gevolgd.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's