Het betere Vaderland
Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. En indien ze aan dit vaderland gedacht hadden van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad, hebben om weder te keren; maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is naar het hemelse. Daarom schaamt zich God hunner niet om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid. Hebreën 11 vers 13–16.
Wie is er niet gehecht aan zijn geboortegrond, aan de plaats, waar hij zijn onbezorgde kinderjaren heeft doorgebracht, waar moederliefde koesterde en vaderzorg zich beveiligend uitstrekte. De omgeving, waar we als kind speelden, hebben we lief. Bij het ouder worden, breiden we die liefde uit tot het vaderland. In dat vaderland hebben we duizenderlei zaken, die we liefhebben. We hechten aan zijn mensen, we voelen ons thuis in de gang van dit leven, we vinden er ons levenswerk. Wat het vaderland voor ons betekent, gevoelen we eerst goed, wanneer we een lange tijd buiten dat vaderland moesten leven.
We kunnen er dan ook inkomen, dat het voor Abram een groot offer was, toen de Heere tot hem zeide: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal. De banden met alles, wat hem lief geworden was in zijn leven, moesten doorgesneden worden. In een vreemd en heidens land zou hij als gast en vreemdeling moeten gaan verkeren. Bij deze roeping Gods moest Abram veel prijsgeven, maar hij ging, in gehoorzaamheid en vertrouwen op de rijke beloften des Heeren. Zo werd Abram door God losgemaakt van zijn vaderland op deze aarde, opdat hij temeer zou leren zoeken het betere en hemelse vaderland.
Beter was dit vaderland, oneindig veel beter: want het was het land van zijn hemelse Vader. Op aarde mogen we ons verheugen in het bezit onzer aardse vaders, in hun vaderliefde en vaderzorg. En als de verhoudingen in het gezin goed zijn, dan is dit gezinsleven een van de rijkste schatten, die de Heere ons gelaten heeft op deze verdorven aarde. Maar aardse vaders zijn zondige schepselen, met velerlei gebreken. Er komt ook een tijd, dat we onze ouders door de dood ons zien ontvallen.
Dat betere vaderland is nu het land van de hemelse Vader, die Zijn kinderen liefheeft met een eeuwige liefde. Die liefde was zó groot, dat de Vader in de hemel Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft tot een rantsoen der zonde, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, het eeuwige leven zou hebben. Die liefde is vergevend en koesterend. Daar boven zal voorts ook de wijsheid en de trouw des Heeren in haar rijkdom gekend worden. En als hier op aarde reeds de voorsmaak van de liefde Gods in vervoering kan brengen, hoe zalig zal het dan zijn om in de hemel steeds nabij God te wezen.
Beter zal dat hemelse vaderland ook zijn, omdat daar geen zonde zal zijn, geen ellende, geen dood, geen rouw. Het uitnemendste van het aardse leven is moeite en verdriet. Hier heeft de mens vaak een zware strijd. Het aardrijk is om der zonde wil vervloekt. Het zal ons doornen en distelen voortbrengen. Onze weg leidt menigmaal door tranendalen Hier moet menigmaal de klacht geuit: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? De droefheid over de zonde doet ons dikwijls in het zwart gaan. Daarboven zal evenwel het lichaam der zonde afgelegd zijn.
Is ons oog voor dat betere Vaderland geopend? Ach, we zijn er van nature zo blind voor. De mens staart meer op de dingen dezer wereld. Zo blijkt telkens weer, dat we uit de aarde en aards zijn. Toch moet de blik van de christen naar boven gericht zijn, want daar ligt zijn eeuwige bestemming. Dat hemelse Vaderland moet gezocht worden. Daarom heeft de Heere het leven der aartsvaders zo geleid, dat ze los gemaakt werden van het aardse vaderland en begerig werden naar het betere Vaderland. God heeft het zo bestierd in hun leven, dat ze zich hier niet meer thuis konden voelen en te midden van hun omgeving met het gemoed van een gast en vreemdeling hebben verkeerd. Met de heidense volken konden ze geen gemeenschap oefenen. Zo werd hun leven gericht op een verborgen omgang met God. Die omgang werd hun troost, hun kracht, hun hoop voor de eeuwigheid. Hun ogen werden gericht naar het betere Vaderland. Zo moesten de aartsvaders hier aanvankelijk veel derven, maar de Heere gaf hen in Zijn genade een veel rijker deel terug, want ze kregen ogen voor het betere Vaderland, ze mochten daarin geloven en vertrouwen, dat hun een ingang beschoren was. Ja, ze hebben dit Vaderland omhelsd; ze hebben de handen met heimwee daarheen uitgestrekt. Met vreugde hebben ze de jaren van hun leven zien voortschrijden en het ogenblik zien naderen, waarop ze zouden mogen ingaan. Ze waren in de wereld en toch niet van de wereld. Ze kenden de verzuchting: wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?
Nu wordt zoeken niet altijd beloond met vinden. Gods Woord brengt ons ook de ernstige waarheid onder het oog, dat velen zullen zoeken in te gaan en ze zullen toch niet kunnen. Tevergeefs klopten de dwaze maagden op de deur. Maar voor wie het leven Christus is, voor die zal het sterven gewin zijn. Die de verborgen omgang met God kent en door zijn leven toont, dat hij hier een gast en vreemdeling is, dien zal zich de Heere niet schamen. Zulken hebben hun schat in God gevonden. Zulken zijn geen heiligen, geen zondelozen; want onder hen is zelfs een Jakob. Maar de Heere schaamt zich niet om de God van zondaren te zijn. Hij noemt zich de God van Abraham, Izaak en Jakob. Indien onze zonde ons van harte leed is, zal deze ons niet hinderen, dat God ons gewisselijk in genade zal aannemen. Om Christus wil worden zij, die van nature kinderen des toorns zijn, kinderen Gods en erfgenamen Gods. En hoezeer hun geweten hen ook aanklaagt, ze mogen weten, dat God zich hunner niet schaamt. Daarom zijn ze ook zeker, dat ze eens zullen aankomen in dat betere Vaderland. Aldaar heeft God hun een eeuwige woning bereid. Hier op aarde hebben ze als gasten en vreemdelingen verkeerd in een vreemd land, in tenten geleefd en omgezworven her- en derwaarts. De rust hebben ze nooit gevonden. Doch eens mochten ze ingaan in de rust der eeuwige Godsstad. Het is God, Die hun deze stad bereidde uit vrije gunst en eveneens de ingang daartoe. Van zichzelf zou de zondaar nooit die hemelstad kunnen binnengaan. Het is door Christus, dat hun een ingang in die Godsstad wordt bereid. Daarom kon de Heere ook tot de moordenaar aan het kruishout de troostwoorden toevoegen: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn. Zo kon Christus de Zijnen bij Zijn heengaan ook troosten met de verzekering: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zo zoude Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen, om u plaats te bereiden. Zo neemt de Heere de Zijnen, na hen hiertoe te hebben bereid, op in Zijn heerlijkheid.
Eens komt de afreis naar het hemelse Vaderland. Van vader Jakob wordt deze in Gods Woord beschreven. Hij ontving de kracht om zich los te maken van al het aardse. Voor de grote reis was hij ten volle gereed. Zijn aangrijpende stervenswoorden hebben door de eeuwen heen geklonken: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere. Dat was een zaligheid, waarvan hij wist, dat hij ze niet verdiend had. Ze is hem geschonken om Christus' wil. Dit sterven was een ingang in het Vaderhuis. De Heere was zijn hemelse Vader geworden, de hemel het betere Vaderland. Zalig zijn de dooden, die in de Heere sterven.
Zult ge nu straks ook in de Heere kunnen sterven, dan zal hier uw leven met Christus geweest moeten zijn.
Dat geve de Heere.
Giessen-Nieuwkerk.
A. LUTEIJN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's