De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Overgangsbepalingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Overgangsbepalingen

II.

8 minuten leestijd

Bladeren we verder het boekje door, dan wordt onze aandacht getrokken door bepaling 155: De raad voor de zending stelt zich voor 1 Juli 1951 in verbinding met de Verenigde Nederlandse Zendingscorporaties en met de Gereform. Zendingsbond om deze uit te nodigen tot het plegen van overleg over de vraag, op welke wijze de raad voor de zending de leiding en verzorging van de zendingsarbeid, tot dusverre aan hen gelaten, zal overnemen.

No. 156 luidt: Voor 1 Juli 1951 treedt de generale synode in overleg met de Verenigde Nederlandse Zendingscorporaties en de Gereformeerde Zendingsbond inzake de benoeming van de leden van het derectorium bedoeld in ordinantie 4-8-4, aan wie de dagelijkse leiding is opgedragen.

162 luidt: Uit de gelden, kassen en fondsen, op 30 April 1951 staande ter beschikking van of toekomende aan de raad voor de uitwendige zending, worden — onder goedkeuring van de generale financiële raad — per 1 Mei 1951 een of meer generale kassen voor de zending gevormd.

163 zegt: De benoeming van een of meer thesauriers en van de leden der financiële commissie geschiedt zo spoedig mogelijk na 1 Mei 1951.

Wanneer ik dit zo lees, dan wil ik wel erkennen, dat er bij mij zeer vele vragen rijzen. Is het de bedoeling, dat de V.N.Z. en de G.Z.B. verdwijnen en opgelost worden in het grote geheel der kerk? Enerzijds zou ik geneigd zijn deze vraag bevestigend te beantwoorden, maar anderzijds valt het mij toch op, dat men een of meer kassen voor de zending wil vormen. Wordt er dan b.v. voor de G.Z.B. groep dan toch nog een soort van aparte kas gevormd? Dit alles is mij zeer duister.

Minder duister is mij een andere zijde van deze zaak. Wat het Hoofdbestuur der G.Z.B. te zijner tijd zal doen is haar zaak en haar ook wel toevertrouwd, maar dat neemt niet weg, dat ik er zo het mijne van kan zeggen. Het staat als een paal boven water, dat het overgrote deel der gemeenten en der gemeenteleden, die het werk der G.Z.B. plegen te steunen geen vertrouwen hebben in de huidige gang van zaken. Zij hebben geen vertrouwen in een eenwording met de V.N.Z. al zou dat gaan onder het dak der kerk, omdat zij de grondslag van deze kerk in principiëel oogpunt onvoldoende achten. Zij hebben geen vertrouwen in de gang van zaken, omdat zij weten, dat velen, die zeggen te willen belijden in gemeenschap met de belijdenis der vaderen nochtans ernstige critiek daarop uitoefenen. Bij deze stand van zaken zie ik niet in, dat het mogelijk zou zijn, dat deze overgangsbepalingen ten aanzien van de G.Z.B. effect zouden kunnen hebben. Het is mogelijk, dat anderen meer zien dan ik, en er nog een oplossing te vinden is, maar ik zie deze nog niet. We zullen afwachten, wat er geschiedt.

Vervolgens zien we, dat het instituut „Kerk en wereld" in het kerkelijk verband zal worden opgenomen. Deze exponent van de nieuwe koers vindt bij mij zo weinig sympathie, dat we er verder maar het zwijgen toe zullen doen.

Vervolgens komen we enige bepalingen tegen over het ontworpen dienstboek. Het is al bekend, dat daarin meerdere orden van dienst, meerdere formulieren in voorkomen. De predikanten zullen deze kunnen gebruiken na overleg met de kerkeraad. Nadat aan de gemeenten gedurende geruime tijd de gelegenheid is gegeven het ontwerp in het gebruik te toetsen, zal het op de voorgeschreven wijze behandeld worden. Dit ontwerpdienstboek bevat elk wat wils, de tegenwoordige ongebondenheid is alleen wat gekanaliseerd; wat daarmede nu eigenlijk gewonnen wordt vermag ik niet in te zien, maar dat kan aan mij liggen. Zoals reeds in de pers is opgemerkt: zowel Putten als de Duinoordkerk kan hier terecht, ik voor mij houd het dan maar liever bij Putten; niet zo zeer, omdat ik Putten een sympathieke plaats vindt, maar omdat deze formulieren stammen uit de tijd en uit de geest der Reformatie. Een het goed bedoelende broeder was het met mij niet eens en schreef me, dat er thans de gelegenheid was om terug te keren tot 1618. Ook dit dienstboek bewijst, dat er geen schijn van kans op is en dat de grote meerderheid in onze kerk dit ook niet wil. Terecht is opgemerkt, dat dit ontwerp wel zeer dienstig is om de niet-Puttense formulieren er langzaam verder in te brengen en de weg er voor te banen, zodat zij te zijner tijd bij de behandeling wel aanvaard worden.

Dat het elk wat wils regel zal blijven in onze kerk blijkt ook nog uit enige andere zeer belangrijke bepalingen. Ik heb hier het oog op de bepalingen 227 tot 230.

227. Indien visitatoren-provinciaal bij hun onderzoek naar en het opzicht over het geestelijk leven der gemeenten komen te staan voor het feit, dat een aantal lidmaten verklaart binnen de grenzen van artikel X der kerkorde behoefte te hebben aan een andere modaliteit van prediking en catechese dan ter plaatse wordt gevonden, en de kerkeraad van oordeel is de verantwoordelijkheid daarvoor niet ten volle zelf te kunnen dragen, kunnen visitatoren-provinciaal — na raadpleging van visitatoren-generaal — aan de provinciale kerkvergadering verzoeken met de kerkeraad in overleg te treden, teneinde met deze tot een regeling te komen, waarbij deze verantwoordelijkheid mede gedragen wordt door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, hetwelk in dat geval bevoegd is, zo de betrokken lidmaten verklaren de daaraan verbonden lasten te zullen dragen, in de betrokken gemeente een nevenvoorziening in het pastoraat te treffen, hetzij door de bijstand van een of meer hulppredikers, van een vicaris, van een hulppredikant, of van een predikant , ener andere gemeente, hetzij door de vestiging van een predikantsplaats voor buitengewone werkzaamheden, verbonden aan de kerkprovincie. 229. Indien naar het bepaalde in overgangsbepaling no. 227 een predikantsplaats voor buitengewone werkzaamheden wordt gevestigd, geldt daarvoor het bepaalde in art. 3 van Ordinantie 13 met dien verstande:

a. dat de daarop gevestigde predikant de bevoegdheden heeft, genoemd in art. 2 van Ordinantie 13; (d.wz. alle gewone werkzaamheden);

b. dat de predikant de kerkeraadsvergaderingen bijwoont met adviserende stem;

c. dat voor zijn werkzaamheden geen orgaan van bijstand behoeft te worden aangewezen;

d. dat hij ter classicale vergadering wordt afgevaardigd en daar een concluderende stem heeft;

e. dat het breed moderamen der provinciale kerkvergadering in overleg met de kerkeraad een of meer ouderlingen en diakenen aanwijst, die in de vergadering van kerkeraad, diakonie en kerkvoogdij een adviserende stem hebben.

230. De regeling tot het treffen van een nevenvoorziening, als bedoeld in overgangsbepaling no. 227, bevat tevens een regeling inzake tijd en plaats van de betrokken kerkdiensten en het gebruik van de benodigde kerkelijke gebouwen voor de catechese en voor het pastorale en gemeentelijke leven.

Om deze bepalingen op hun principiële waarde te kunnen schatten, lopen we weer tegen de uitleg van art. 10 aan. Want er wordt ondersteld, dat een aantal lidmaten binnen de grenzen van art. 10 behoefte hebben aan een andere modaliteit van prediking. Hoever deze nevenvoorziening zich uitstrekt naar hnks, hangt er van af, wat men nog aanvaardbaar acht binnen art. 10. Om nu niet in herhaling te vervallen, ga ik verder uit van mijn mening, dat zal blijken, dat deze zich uitstrekt tot de z.g.n. rechtsvrijzinnigen toe.

De bedoeling van deze bepalingen is wel duidelijk, n.l. om ieder een prediking te geven overeenkomstig zijn smaak. Toch zit er meer in; klaarblijkelijk hoopt men door deze bepalingen een zeker naar elkander toegroeien te bevorderen, de scherpe kantjes er op de duur te doen afslijpen. Nu zou dat zijn goed te keuren, indien wij zouden mogen verwachten, dat dit zou zijn een groeien naar de belijdenis toe; maar daar is juist geen grond voor, helaas. Hier zitten echter nog meer moeilijkheden. Het gaat hier immer om rekkelijken en preciezen in de leer. De rekkelijken kunnen de preciezen tot op zekere hoogte waarderen, al bestrijden ze hen; dat is nu eenmaal inhærent aan het rekkelijk zijn. De preciezen kunnen geen waardering hebben voor het rekkelijk zijn en moeten dit bestrijden, anders zouden ze niet meer precies zijn, maar zelf rekkelijk zijn geworden. Daarom zijn deze bepalingen eigenlijk voor de rekkelijken niet nodig (als ze tenminste werkelijk rekkelijk zijn, want in de practijk valt het ook wel eens anders uit). Maar kunnen ze dan voor precieze kerkeraden dienst doen? Feitelijk niet, want een precieze kerkeraad, die principiële bezwaren heeft tegen een andere modaliteit van prediking, kan zonder haar eigen beginsel te verloochenen, deze weg ook niet inslaan. Die kerkeraad meent de verantwoordelijkheid niet ten volle te kunnen dragen, dus toch wel ten dele? Dat laatste is van een precieze kerkeraad, die weet wat ze zegt en doet en niet uit draaiborden bestaat, niet te verwachten.

Voorts zien we de eigenaardige situatie, dat ouderlingen en diakenen, die de meerderheid der gemeente niet wenst (want anders waren ze wel gekozen in de naaste toekomst) toch met adviserende stem aan de kerkeraad worden toegevoegd. Ten slotte zien we, dat er kerkelijke gebouwen voor de andere modaliteit ter beschikking gesteld worden, indien de kerkeraad voor zo'n regeling te vinden is. Ik moet het eerst zien gebeuren, dat de fundamentalisten (zij, die de Heilige Schrift van Genesis 1 tot Openbaringen 22 voor Gods Woord houden) een dergelijke regeling treffen voor rechtsvrijzinnigen b.v..

Ik kan daarom uit principiëel oogpunt weinig waardering hebben voor deze bepalingen, al zullen ze natuurlijk wel aanvaard worden. Deze bepalingen zijn dienstig om een grote mate van leervrijheid in onze kerk te handhaven en hen, die leren in strijd met de belijdenis, toch zoveel mogelijk allerwegen een plaats in de kerk te verzekeren.

Capelle (N.B.).
D. Sch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Overgangsbepalingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's