Het financieel beleid en de nieuwe kerkorde
Daarop komt een reeks van vragen neer, welke in de vragenbus op antwoord wachten. Een der vragers is klaarblijkelijk zeer gekant tegen de hoofdelijke omslag. Hij zou gaarne zien, dat deze onder de nieuwe Kerkorde verdween en dat elk gemeentelid zich op grond van de Schrift verplicht achtte bij te dragen tot instandhouding van Kerk en Diaconie, van In- en Uitwendige Zending, enz. enz. Hij spreekt zijn afkeuring uit over een „dergelijke autoritaire vorm van „„wereld in de kerk"", doelende op dwangbetaling door tussenkomst van „Deurwaarder en Kantonrechter"
Wij nemen aan, dat de vrager en degenen, die met hem belangstelling voor deze vragen hebben, zelf van harte bereid zijn om hun gaven voor de arbeid in de Dienst des Woords naar vermogen te brengen. Ongetwijfeld zijn er velen, die zulk een bereidheid metterdaad betonen en daarvoor zijn wij dankbaar.
Wij geloven ook, dat in een gezond kerkelijk leven de zaak der financiën geen zorg behoeft te baren. De ervaring leert, dat zij, die uit het geloof leven, ook uit de drang des geloofs geven en bereid zijn hun gaven af te zonderen naar het woord van de apostel.
Hoever staan wij echter in het algemeen af van zulk een gezond kerkelijk leven en van de gehoorzaamheid des geloofs, zodat een eenvoudig beroep op de Schrift afdoende is.
Hoevele gemeenteleden staan nog wel ingeschreven in de kerkelijke registers, ofschoon zij ver-verwijderd zijn van het leven der gemeente, zodat de lasten op weinige getrouwen komen te rusten, indien men op de grondslag der vrijwilligheid alleen blijft staan.
Edoch, èn voor de gemeente als geheel, èn voor de personen, zijn wij van oordeel, dat niet dwang, maar vrijwilligheid grondslag moet wezen. En als wij letten op de uitbreiding van kerkgebouwen en predikantsplaatsen in menige gemeente, dan moet worden gezegd, dat hier voorbeelden zijn van offervaardigheid, die respect afdwingen. Tal van voorbeelden bewijzen, dat er nog velen zijn, die voor de bediening des Woords naar Schrift en belijdenis offers over hebben en de arbeid in het Evangelie, waarin zij vertrouwen stellen, gaarne bevorderen en steunen.
Wij voegen daaraan toe: „waarin zij vertrouwen stellen". Want wij hebben het oog op de arbeid in het Evangelie, dus op zulk een arbeid, die met recht kerkelijk kan worden genoemd. Wij bedoelen niet een activisme, dat zich wil dekken met de naam kerkelijk, omdat het door een of ander orgaan, dat kerkelijk heet, of daarvoor in het leven geroepen, wordt aangegrepen naar het goeddunken der leiding. Neen, echt kerkelijk kan die arbeid worden genoemd, die door het geloof der gemeente van Christus wordt gedragen, uit de gehoorzaamheid des geloofs opkomt en in die geest wordt ondernomen en geleid.
Het komt dus altijd weer neer op het draagvlak van het kerkelijk geloof, zoals dat in de belijdenis der kerk wordt uitgedrukt. Kerkelijk handelen is handelen naar de regel des geloofs, waarvan de belijdenis getuigt en naar welke zich dat handelen heeft te richten.
De vragers weten dat wel en zouden niets liever wensen dan, dat het kerkelijk leven naar die regel werd geleid om de weg naar sanering te vinden.
Men mene echter niet, dat dit een geringe zaak is. Wie zich rekenschap geeft van de situatie, waarin wij kerkelijk verkeren, en zich daarbij voor ogen stelt, welke moeilijkheden hij op zijn weg zal vinden, zal zonder twijfel ontdekken, dat het niet zo eenvoudig is. Dat behoeft hem niet te weerhouden zijn kracht er aan te geven, maar er zal veel wijsheid en geloof nodig zijn.
Wij kunnen hier moeilijk een bevestigend antwoord geven. Integendeel, het ziet er eer naar uit, dat men een centraal beheer van bovenaf kan verwachten.
De vragers zien de zorg voor de financiën in geestelijk licht, of liever in een geestelijke achtergrond. Dat is juist. Men kan toch niet bijdragen in een arbeid, waarvoor men geestelijk gezien geen verantwoordelijkheid kan dragen. Ziedaar het conflict, dat dreigt te ontstaan, indien men het aandeel in de lasten gaat omslaan en opleggen.
Ook de financiën geestelijk, zeker, dergelijke uitspraken horen wij ook van verdedigers van een centraal beheer. Het gaat er maar om, hoe men het geestelijk ziet, uit welk een geestelijke achtergrond men redeneert.
Eén ding is echter zeker. Het financieel beheer wordt niet geestelijk, als men de kerkvoogd als ouderling in de kerkeraad reglementeert en zijn beheer daarmede onder synodaal verband trekt. Daarmede wordt wel aan het recht der plaatselijke gemeente getornd, indien ook maar getornd, want de structuur der financiële organen geeft alle aanleiding om van een beheer van boven af te spreken, dat geen rekening houdt met de rechten der plaatselijke gemeente. De leiding kan moeilijk volhouden, dat het niet in de bedoehng ligt om het „kerkewerk" centraal te financieren en de lasten naar het inzicht van een centraal orgaan te verdelen.
Indien de leiding zulk een centraal beheer der kerkelijke financiën van boven af niet voorstaat, moet zij zich met kracht tegen ordinantie 16 verzetten.
Nergens is daarvan iets gebleken. Het streven om het beheer aan de synode te trekken is bovendien niet van vandaag of gisteren.
Men versta ons wel. Wij ontkennen niet, dat er ook onder een gereformeerde kerkorde aanleiding kan zijn om verschillende takken van kerkelijke arbeid, welke door een classis, een provincie of door de kerk als geheel gemeenschappelijk worden ondernomen, ook gemeenschappelijk te financieren. Daarbij zal echter de grondslag der vrijwilligheid niet worden losgelaten, en een en ander bij gemeen overleg der betrokken gemeenten worden geregeld.
Wij onderstellen daarbij ook, dat zulk een arbeid door het gemeenschappelijk geloof wordt gedragen.
Dit is het nu juist, wat de vragers wensen te bevorderen, en wat zij in het bestel, dat in de nieuwe kerkorde wordt voorgesteld vergeefs zoeken. Vandaar ook onze bezwaren, niet alleen tegen de figuur van de ouderling-kerkvoogd, maar van geheel de opzet van het financiëel beheer, welke in de betreffende ordinantiën wordt voorgesteld.
Afgezien van de rechten der plaatselijke gemeenten en van die der kerkvoogden, welke behoren te worden geëerbiedigd, en niet mogen worden prijsgegeven, komen onze bezwaren ook op uit de overtuiging, dat het welzijn der kerk niet wordt gediend door de instelling van zulk een financieel apparaat.
Zelfs, indien de kerk zich mocht verheugen in een geestelijke welstand, zou zulk een beheer van boven af geen aanbeveling verdienen, en met het gevaar dreigen die te ondermijnen.
Leidende personen, raden en commissiën kunnen wel allerlei initiatief ontwikkelen in verschillende richting en op onderscheiden terrein, waar zij menen, dat „de kerk" een roeping heeft, maar daarmede Wordt nog niet voldaan aan de voorwaarden, welke dat alles rechtvaardigen als het werk der kerk en als openbaring van haar leven. Dat alles biedt nog geen waarborg, dat het door de kerk geestelijk wordt gedragen.
En, indien dat niet het geval is, treedt dat aan het licht, zodra de leiding gemeenten en leden niet slechts medeverantwoordelijk stelt, maar op die grond een beroep doet op hun offervaardigheid.
Dan toch komt het aan de personen. Ten slotte zijn het de leden der kerk, die hun gaven al of niet ter beschikking stellen. Geven is een persoonlijke zaak. Daarbij komt het persoonlijk geloof en het vertrouwen in de voorgangers der gemeente in het geding.
Als de Heilige Geest dringt, wordt de gierige offervaardig en de arme brengt zijn deel, maar als er geen geloof is en het vertrouwen in de geestelijke behartiging der zaken ontbreekt, kan men geen offervaardigheid verwachten.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's