De vrouw en het ambt
Verhinderen schriftuurlijke gegevens de openstelling van het ambt voor de vrouw ?
Zo formuleert de Generale Synode de vraag, die vanuit de Synode in deze geestelijke worsteling (n.l. om het antwoord) wordt gesteld.
Mede met een heenwijzing op de veranderde positie van de vrouw in onze huidige cultuur en maatschappij en een daardoor bijzondere verantwoordelijkheid aan de kerk gegeven, roept de Synode om de bezinning van kerkeraden en classicale vergaderingen om de tijd nabij te doen komen een „verantwoorde beslissing" te kunnen nemen.
Het gaat dus om de voorbereiding van een „verantwoorde" beslissing. Een eerste stap : bestudering van het rapport en eventuele critiek. Het geeft wederom nieuw werk aan de kerkelijke winkel en dat ten aanzien van een uiterst belangrijke vraag. Daarvan is men klaarblijkelijk doordrongen.
Intussen is de commissie, welke 22 Oct. '48 door de Synode werd benoemd, niet tot een eenstemmige conclusie gekomen. Zij heeft naast het rapport der meerderheid een minderheidsrapport uitgebracht. (Rapport A en B).
Nu deze rapporten door de Synode zijn gepubliceerd, nemen wij ons voor daaraan enige artikelen te wijden.
De Inleiding van de commissie deelt bereids het samenvattend oordeel van rapport A als volgt mede :
In gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift zijn wij van oordeel, dat de orde der kerk de toelating tot het bijzonder ambt in de kerkeraad en in de meerdere vergaderingen moet mogelijk maken.
Het eindoordeel van rapport B luidt:
1) de vrouw is volkomen op haar plaats in het dienstbetoon, met name ook in het diaconaat, voorzover dit verschijnt als bediening en niet als ambtelijke regering.
2) de vrouw zij niet lerend of regerend ouderling; tenzij in zeer bijzondere gevallen, naar het oordeel der Kerk, anders moet worden beslist. Daarbij verdient de ongehuwde vrouw voorkeur.
Alvorens in te gaan op de argumenten, welke tot deze conclusiën hebben geleid, een enkel woord naar aanleiding dezer saamvattende oordelen.
Men ziet, dat Rapport A bepleit, dat de toelating tot het ambt (de toevoeging bijzonder laten wij voorlopig rusten) in kerkeraad en meerdere vergadering mogelijk moet worden gemaakt.
Rapport B gaat als regel niet verder dan tot toelating in de bediening, en niet tot toelating in het lerend en regerend ambt.
Dit rapport wil echter de regel niet absoluut stellen, als zou daarvan in geen geval afwijking mogelijk zijn, doch wil ruimte laten voor zeer bijzondere gevallen. De kerk zal oordelen, of het bijzonder geval aanwezig moet worden geacht.
Deze conclusie komt er dus in 't kort op neer : De regel sluit de vrouw uit van het lerend en regerend ambt, maar de regel sluit het uitzonderlijk geval niet uit.
Alvorens de voornaamste argumenten nu nader te beschouwen en te toetsen, mogen wij niet nalaten op te merken, dat deze rapporten getuigen van de ernst, waarmede de commissie haar taak heeft opgevat. Verheugend ook is het, dat zij blijk geeft naar de Schrift te willen „luisteren", zoals de thans gebruikelijke term luidt. De voor- en naexegetische beschouwingen kunnen echter moeilijk verbergen, dat sommige leden ook het oor geleend hebben aan de vrouwelijke adspiraties naar het ambt en terwille daarvan de rekkelijkheid van het „ambt der gelovigen" buiten de maat hebben gespannen, om wat zij noemen, het „bijzondere" ambt daarbinnen te trekken.
Het kan ons niet verwonderen, dat andere leden voor deze en andere zwakheden de verantwoordelijkheid niet op zich konden nemen.
Volgende keer verder.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's