Blijdschap als vrucht van het werk van de Heilige Geest
.......... „want hij reisde zijn weg met blijdschap". Handelingen 8 vers 39b.
Onze tekst is genomen uit het boek van de Handelingen der Apostelen.
Ook al schijnt de naam van dit bijbelboek te zeggen, dat het daarin gaat om het werk van mensen, toch is dit allerminst het geval. Zeker, mensen worden gebruikt. Maar er achter staat de Heere Christus, die Zijn strijd bekronen zag en Zijn zetel daarna weer heeft ingenomen en nu het werk van de toepassing van het verworven heil uitwerkt door de Heilige Geest.
En één van de vruchten van het verborgen, wederbarende en verlichtende werk des Geestes is, zoals Handelingen 8 vers 39b aangeeft: blijdschap.
We willen met elkaar een ogenblik stilstaan bij : 1e. de oorzaak; 2e. het wezen, en 3e. de duurzaamheid van deze blijdschap.
I. Het gaat dus in de tekst over een blijde reis, of, zo ge wilt, een blijde reiziger.
Er wordt veel gereisd: voor zaken, familiebezoek en in de zomermaanden veel voor plezier.
Of alle reizigers nu blijde mensen zijn? Lang niet allen, reeds in de natuurlijke zin van het woord. Maar zeker niet in de zin, waarvan hier in de tekst sprake is: want hij reisde zijn weg met blijdschap.
Vanwaar deze blijdschap?
Neen, deze blijdschap hebben wij van ons zelf niet. Ook de Moorman niet. Deze blijdschap was niet gelegen in de uiterlijke welstand, die hij ongetwijfeld bezat. Daarin is, ook vandaag, de ware blijdschap niet.
Ik moet denken aan het opschrift van een zeker huis: „Alles is niet genoeg, maar genoeg is alles".
Hoe waar is dit, inzonderheid als we dit levenswijze woord in bijbelse zin verstaan. Er zijn mensen, die van alles hebben wat hun hart begeert, maar het is niet genoeg. En zo is het toch wel geweest in het leven van deze voorname Zuiderling. Alles is niet genoeg. Zonder inlegkunde mogen we van deze man, van wien we overigens weinig weten, zeggen dat hij alles bij alles toch maar een ongelukkig mens was.
En van deze ongelukkige staat geschreven dat hij zijn weg met blijdschap reisde.
Hoe dit te rijmen is? Wat dan toch wel de oorzaak is van deze blijdschap?
Hoe wordt men van een ongelukkig, een blij mens?
Belangrijke vraag.
Voor ù ook?
O, het kan zijn, dat de mensen, uw vrienden, kennissen, u houden voor een opgeruimd, prettig mens, jongen of meisje. Ze moesten eens weten!, hoe eenzaam, verlaten en verloren ge u kunt gevoelen. En ge meent: blij, ècht blij, dat kunt ge nooit meer worden.
Maar het kan wèl; zie deze Moorman. Hoe? Het tekstverhaal is sober, heel eenvoudig. Deze ongelukkige leest in de Bijbel. En onder de prediking van Philippus is dat, wat daar geschreven is, duidelijk, levend voor hem geworden en het heeft heel zijn leven omgezet.
Maar achter dit alles is daar in het hart van deze man het werk Gods die tot het Noorden zegt: geef en tot het Zuiden: houd niet terug. Het werk van de Heilige Geest die het oog verlicht en de nevels op doet klaren, waardoor een mens de wonderen gaat zien en eren, die in Gods Woord alom zich openbaren.
Mijn Lezer! Kent ge door Gods genade ook iets van deze blijdschap? Alles is niet genoeg. Vergadert u geen schatten op de aarde; die zijn voor de motten of het wordt oud roest. Het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft van zijn goederen. Die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. En het is onmogelijk om waarlijk blij te zijn, als Gods heilig misnoegen op ons rust. Wat we nodig hebben is het werk van de Heilige Geest, zo onwederstandelijk en zo zalig, als in het leven van de Aethiopiër uit Handelingen 8.
IL Over het wezen van deze blijdschap.
Het ligt voor de hand, dat, na wat hierboven geschreven is, wij niet in de mens hebben te eindigen.
Zeker als het goed is. dan is het: ik ben een vriend, een metgezel van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen en leven naar Uw goddelijk bevel.
Maar als het er op aan komt, dan kan Philippus aanstonds gemist worden, nadat hij zijn werk heeft gedaan.
Daarom, als we een onderzoek instellen naar het wezen van deze blijdschap, dan zal het beter zijn te letten op het Woord: zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Hier is een heiden, een gesnedene, die naar de bepalingen in Israël zelfs de voorhof van de Tempel niet betreden mocht, maar die hier een vrijmoedige toegang verkrijgt tot de troon der genade. Een verworpene en vervloekte, die zich door genade een beminde mag weten. „Zwart, doch liefelijk". Een dorre boom, maar de voorzeggingen en beloften van de oude profeten gaan in vervulling: het is hier leven en vrede.
Een door velen benijd, maar innerlijk ongelukkig mens, zo verliet hij zijn land. Ook in het Jeruzalem uit de dagen der Apostelen vond hij de vrede en de blijdschap niet. En nu leest hij daar in zijn wagen uit de profetieën van Jesaja. Van onze zonden en onze afdwalingen. En daar vindt hij zijn beeld in getekend. Alles is niet genoeg. Ja, hij leest ook van één, op Wien de schuld geladen werd. Geloof maar vrij, dat hij daarmee bezig geweest is, geworsteld heeft voor Gods aangezicht, op die eenzame weg.
En ziet, daar spreekt hem onverwacht iemand aan, en die iemand begint op zijn heilbegerig vragen tot hem te spreken over de schuldovernemende Christus. Over die Koning, op Wiens lippen genade is uitgestort. Die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen. En onder de bezielde, Christocentrische prediking van Philippus zijn de ogen van de Moorman open gegaan, niet alleen voor de eis Gods, maar ook daarvoor, dat de Heere geeft wat Hij eist. En hij heeft het geleerd door hemels onderwijs amen te zeggen op dit Evangelie, de Christus te omhelzen als zijn gezegende Verlosser.
Het wezen der blijdschap is, dat Christus het onze op zich neemt en dat wij het Zijne deelachtig worden, de afwassing onzer zonden, de dagelijkse vernieuwing des levens. — totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden. Typisch, het werk des Geestes. Maar daarbij mogen de genademiddelen niet veracht worden. Het geldt van de rechte prediking: wie u hoort, hoort Mij. De prediking doet geen nut, als zij niet met het geloof gemengd is. Maar dit geloof is niet: wij geloven het wel. Maar, zoals hier duidelijk wordt: een bukken en een buigen voor de grote Davidszoon, onder Wiensheerschappij een mens eerst zalig en vrij wordt. Die nooddruftigen verschoont.
III. „Want hij reisde zijn weg met blijdschap".
Is deze blijdschap een duurzame geweest?
Daar gaat het toch eigenlijk om. Want het is juist een kenmerk van de vreugde der wereld, dat ze maar voor een tijd is.
Zo ook met deze blijdschap?
Ge zoudt bijna zeggen van wel. De ouden zeiden: zo genoten, zo weer toegesloten.
En toch, hoewel daar veel waar is in dit gezegde, toch is de blijdschap van Gods kind geen eendagsvlinder.
Zeker, we weten verder heel weinig van deze man. Waar het voor hem op aan kwam, is, dat hij maar gebleven is bij de noodzakelijkheid van de Man van Smarten, Wiens bloed hem had geheiligd. En die het volk, dat Hij gereinigd heeft, in eeuwigheid beveiligt. Of, zoals het in Jesaja 53 heet: het welbehagen zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. De vastigheid en de duurzaamheid van deze blijdschap is niet in de mens, maar in de rustaanbrenger Christus.
Zo kan de Moorman Philippus aanstonds missen. Christus, de goede Herder, die Zijn leven voor hem stelde, leidt hem in het spoor der gerechtigheden. Zeker, de blijdschap zal ook wel eens aangevochten zijn. Vallen en opstaan. Tot hinken en zinken ieder ogenblik gereed. Maar de Zonne der gerechtigheid ging over hem op, die hem bij de verworven zaligheid en blijdschap beschut en bewaart.
En nu is het de ergernis, de waarschuwing en de aansporing, dat heidenen ons zullen voorgaan.
Wat is er weinig echte blijdschap. Als ge een weinig thuis zijt in de wereld van onze dagen, wat ligt er een dodelijke matheid over de moderne mens, ook bij de opgeschroefde pret.
En nu is het zo jammer, dat er ook onder de Christenen, onder hen die God vrezen, zo weinig blijkt van de echte blijdschap.
Neen, we bedoelen niet een onwezenlijke Christelijke opgewektheid, die geen diepte van aarde heeft. Maar ik denk aan Huntington, de lekenprediker. Hij, de ongeletterde, schreef enkele boeken. O.a. „God, de kassier der armen". En zoals theologen van die dagen voor hun naam de academische titel zetten, zo schreef Huntington achter zijn naam S.S. Sommigen, die zich hieraan ergerden en hem van hoogmoed verdachten, vroegen hem naar de betekenis. Zijn antwoord was: „saved sinner": geredde zondaar.
Dan is het leven inderdaad een blijde reis. Niet, omdat de weg dan altijd even gemakkelijk is, dat heeft de Heere niet beloofd. Maar Hij heeft wel beloofd dat zij zullen thuis komen. Misschien, na veel lijden, zwerven, draven, maar zij komen straks aan in veilige haven.
Hun blijdschap zal dan onbepaald.
Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt.
Ten hoogste toppunt stijgen.
Brakel.
ds. VAN GALEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's