De Puritein van de Hertenpolder
57
Nu zweert Janus al zijn plichtplegingen af. Het is al ijdelheid bevonden. Zijn knielen, zijn woorden prevelen, zijn lezen, zijn kerkgaan, zijn spreken van de waarheid, zijn getuigen, 't is alles zonde. God vraagt naar waarheid in 't binnenste. De Heere wil in Waarheid gediend worden.
Deze gedachten vatten post in Janus' ziel. En dit is het beginsel, waaruit andere dingen zullen voortkomen, die een stimulans zullen zijn om de opening voor te bereiden van het nieuwe leven. Maar voor Janus' bewustzijn wordt alles meer toegesloten.
In grijzende hopeloosheid zal hij in de mist uitvaren. Het roer van het levensschip is gebroken en alles is donker en zwanger van onheilen.
De echte donkerheid des doods komt meer en meer openbaar. Wat hij is, zal hij weten! Hij heeft niets meer van zichzelf dat hem waard is aangebeden te worden. Alle waardigheden zijn weggebroken. Alle hoogheid wordt nu geslecht. Ontbloot ze tot de fundamenten toe.
De stad door mensen gebouwd moet vallen. Het is een vesting van satan.
Dan zucht hij een schietgebed: O God, doe mit mien wat goed is in Uw ogen. Meer niet.
Als er een weldaad aan hem gebeuren zal, zal de Heere het Zelf blijvend moeten zegenen en onderhouden. Hij zal nooit in staat zijn Gods werk in 't leven te behouden.
Met gang fietst hij door 't dorp en hijgt de Vaartweg op.
Och, wat zegt hem de hoeve, waarop hij zo prat geweest is. Wat zegt straks in 't najaar 't stuk land dat de grootte van zijn hoeve meer dan verdubbelen zal? Waar hij zich zo in verheugd heeft.
Maar dan, opeens, denkt hij aan de laster welke over zijn hoofd is uitgestort geworden. En dan lacht hij. Zo moet het gaan. Men heeft wel geweten op wie dat was. Méér zal hij er onder moeten! Meer nog dan tot hiertoe.
De dominee heeft 't begrepen, maar gegrepen heeft hij 't niet. En ook Aldert is er nu naast.
Janus is begonnen te haten z'n eigen leven. Wat is zijn leven geweest in 't gezicht der eeuwigheid? Aan de boezem van Gods heiligheid? Wat is 't geweest? Neen, hier zijn nimmer verontschuldigingen te maken. Hij moet ondergaan.
Als hij thuis komt, ziet Mia hem aan.
— Janus, zegt ze, heb je verdriet van mij?
Een grote treurigheid vervult haar hart. Ze heeft reeds eerder gezien dat Janus niet is, zoals eerst. Hij is zingend de zomer tegemoet gegaan. Zijn speelsheid heeft haar zinnen gestreeld. En nu? Wat is zijn oog treurig en zonder glans.
Zij heeft er met Moeder over gesproken.
— Leg het voor de Heere, Mia, heeft ze gezegd. Hij weet alle dingen. Hij kent de raadslagen van 't hart. Ik hoop er goede dingen van.
Als Janus niet antwoordt, dringt Mia verder. Zij zal geweld doen op zijn gemoed, want haar hart is onrustig. Zij is niet altijd zo gelovig. Zij leeft ook bij momenten. Dat is het echt menselijke van de mens.
— Mia, kreunt Janus, jie bin beter as ik. Ik het vurdriet van miên leven!
— Jouw kwalen zal God genezen, jubelt Mia, nu ze gewaar wordt dat Janus zichzelf aanklaagt.
Zij is verheugd, dat het dit is. Dat heeft altijd een goed einde!
— Janus, kom dan gaan we brood eten en melken.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's