De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Overgangsbepalingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Overgangsbepalingen

III.

4 minuten leestijd

Een bepaling, die ook al zeer de aandacht getrokken heeft, is no. 239. Deze luidt: Teneinde de Kerk de gelegenheid te geven zich op de rechte wijze in te stellen op de uitoefening van haar opzicht over de dienst des Woords en de catechese, treden art. 15 en de leden 1 tot 5 van art. 16 in werking op 1 Mei 1951, terwijl het zesde lid van art. 16 gedurende de tijd van 1 Mei 1951–1 Mei 1961 als volgt gelezen wordt:

De Synode beraadt zich vervolgens over de tegen verkondiging en onderricht van de predikant ingebrachte bezwaren. en brengt haar bij dit beraad aan de dag getreden inzicht ter kennis van de Kerk.

240 luidt: De leden 6–10 van art. 16 en art. 17 treden in werking op 1 Mei 1961.

Het gaat hier over de tuchtoefening over predikanten ten aanzien van de leer. Er is in de ordinantie 11 de mogelijkheid geschapen, dat een predikant door de Synode veroordeeld wordt. Indien hij zich met dit oordeel niet kan verenigen, dan wordt hij afgezet. Nu dient deze overgangsbepaling om gedurende de eerste tien jaar niet verder te gaan dan het oordeel der Synode: afzetting kan dan gedurende deze tijd niet plaats vinden.

Dit voorstel is afkomstig van voorstanders van een strenge tuchtoefening en een nauwe binding aan de belijdenis der Kerk. Sommigen heeft dat verwonderd, mij niet. Wie toch eens het een en ander over de kwestie der leertucht ten tijde onzer vaderen gelezen heeft en ik mag wel verwijzen naar mijn artikelen ter zake van twee jaar geleden, die weet, dat de tucht er is om te behouden en niet om af te snijden. Dit laatste is wel een droeve noodzaak, maar onze vaderen hadden alle mogelijke gebruiken ingevoerd om afdwaling tijdig te voorkomen. Het moet een ieder duidelijk zijn, dat we vanuit de chaos, waarin we ons bevinden, niet onmiddellijk in een geordende toestand kunnen overstappen. Daarom kan een zekere tolerantie niet gemist worden. Nu is het een andere vraag, of deze bepaling zonder meer aanvaardbaar is. M. i. ligt het in de lijn van de opvattingen van onze vaderen, om althans te verlangen, dat wanneer de Synode zijn bezwaren heeft uitgesproken tegen bepaalde leerstellingen van een predikant, deze zich er van zal onthouden om deze nog uit te dragen, althans in zijn ambtelijk werk. Voorts verdient de suggestie om de tien jaar van respijt in te krimpen tot vijf jaar, m.i. ernstige overweging.

Van groot gewicht zijn ook de overgangsbepalingen omtrent het beheer.

271. Per 1 Mei 1951 of op het tijdstip, waarop nadien het plaatselijk reglement op het beheer gewijzigd en in overeenstemming gebracht is met de kerkorde, treden de zittende mannelijke kerkvoogden als ouderling-kerkvoogd in de kerkeraad, tenzij zij daartoe niet bereid of geen lidmaat der gemeente mochten zijn.

We zien hieruit, dat het aan de gemeente zelf toekomt om te beslissen of zij de Synodale regeling van het beheer in de kerkorde wenst te aanvaarden. Na hetgeen wij ook vroeger hierover geschreven hebben, moet ons advies thans luiden, de zaken te laten zoals ze zijn en generlei verandering aan te brengen. Zowel de gemeenten onder toezicht, als die onder eigen beheer, zullen verstandig doen op deze wijze hun zelfstandigheid te bewaren. Voorts zien we hieruit, dat bij aanpassing aan de kerkorde, de kerkvoogden automatisch ouderling-kerkvoogd worden.

Wanneer een gemeente de regeling in de kerkorde niet wenst te aanvaarden, moet deze er op rekenen, dat zij ter verantwoording wordt geroepen. Dit behoeft haar niet te weerhouden voor haar rechten op te komen. 280 luidt immers: In de gemeenten, waarin de aanpassing van het plaatselijk reglement aan de kerkorde op 1 Januari 1952 nog niet heeft plaats gehad, tracht de provinciale kerkvoogdij-commissie, in overleg met de generale kerkvoogdij-commissie en het generale college van toezicht, zo mogelijk in samenwerking met de vereniging van kerkvoogdijen en het betrokken provinciaal college van toezicht op het beheer van de kerkelijke goederen en fondsen, door voorlichting en overleg, die aanpassing te bevorderen.

281. Heeft deze voorlichting op 1 Januari 1953 niet tot een gunstig resultaat geleid, dan wordt dit ter kennis gebracht van de algemene kerkvoogdijraad en van de generale synode, die zich met elkander over elk geval in het bijzonder beraden.

We menen hiermede de overgangsbepalingen van min of meer algemene interesse onder de aandacht der lezers te hebben gebracht.

Cappele (N.Br.).
D. Sch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Overgangsbepalingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's