De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gelijkheid en ongelijkheid van man en vrouw *)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gelijkheid en ongelijkheid van man en vrouw *)

8 minuten leestijd

Wij onderschrijven ten volle, dat de gedachte aan minderwaardigheid der vrouw, aan de Schrift vreemd is. (blz. 10).

God schiep de mens naar Zijn beeld, — man en vrouw schiep Hij ze. (Gen. 1 : 27). De mens bestaat als man en vrouw.

Wij delen dan ook de mening niet, dat zulk een gedachte van minderwaardigheid bij de gemeenteleden, die bij de Schrift leven, een rol speelt.

Ook onderschrijven wij, dat Genesis 1 vs. 28—30 betrekking heeft op de mens, man en vrouw, en dat derhalve man en vrouw voor de roeping van de mens worden gesteld, en die als man en als vrouw geroepen zijn te vervullen.

Man en vrouw zijn derhalve in de roeping der mensheid gezet. Zij hebben beiden deel aan de mensheid en hebben beiden deel aan haar roeping.

Dat sluit echter nog niet in, dat het man-zijn in die roeping volkomen overeenkomt met het vrouw-zijn, als ware er geen onderscheid. Immers in de tweeheid van het manen vrouw-zijn ligt een onderscheiding, welke zelfs in de twee-eenheid van het huwelijk niet wordt opgeheven.

Terecht besluit het rapport dan ook tot de „betrekkelijke ongelijkheid van man en vrouw". (blz. 10).

Deze ongelijkheid treedt met name in het huwelijk aan de dag in het vaderschap en het moederschap, het vaderlijke en het moederlijke, waarin de diepste onderscheiding van het man-zijn en vrouw-zijn onweersprekelijk aan de dag treedt, en in haar onvermengbaar geheel enig karakter wordt ervaren.

In het vader- en moederzijn openbaart zich de verborgenheid van het huwelijk als een twee-eenheid op een zo in alle opzichten doorwerkende wijze, dat niemand zal kunnen ontkennen, dat de ongelijkheid van het man-zijn en het vrouw-zijn zich ook in de saamleving buiten het huwelijk moet laten gelden.

De verbondenheid van het man-zijn en van ' het vrouw-zijn in de eenheid van het menselijk geslacht, is een verbondenheid, welke dieper is geworteld dan het huwelijk, hetwelk immers de tweeheid man en vrouw onderstelt.

God schiep de mens, man en vrouw. Hij schiep niet dé man en de vrouw, opdat zij samen mens zouden zijn, samen complete mens zouden worden, alsof de man op zichzelf en de vrouw op zichzelf niet mens zouden zijn, maar Hij schiep de mens en die mens schiep Hij als man en vrouw. De man is als man mens en de vrouw is als vrouw mens.

Het aanvullend karakter van de verbondenheid, waarvan men spreekt, rust in het eigene van het man-zijn en het eigene van het vrouw-zijn, hetwelk opgaat in de eenheid van het mens-zijn, dat aan beide naar het wezen eigen is.

Hoewel de twee-eenheid in het huwelijk tot haar rijkste en innigste verbondenheid komt, kan men niet ontkennen, dat het man-zijn en vrouw-zijn ook buiten het huwelijk zijn eigen karakter laat gelden in de verbondenheid van het mens-zijn uit énen bloede.

In de eenheid van het menselijk geslacht vindt trouwens het gebod der naastenliefde zijn onmiskenbare rechtvaardiging.

*

Het ongelijke van het man-zijn en vrouw-zijn wordt door het rapport als onsymmetrisch voorgesteld. Deze term is meer duidelijk dan welgekozen. Als men een cirkelvlak langs de middellijn omvouwt, zijn de beide helften precies gelijk. Symmetrisch is een ding, dat in twee gelijke helften kan worden verdeeld. Het rapport wil dus zeggen, dat dat men een mens niet in twee gelijke helften kan verdelen : man en vrouw. In zoverre is dit alleen maar een stelling voor wat wij noemen het geheel eigene van het man-zijn in onderscheiding van het geheel eigene van het vrouw-zijn. In zoverre, want er schuilt een dwaalvoorstelling in deze vergelijking, als zouden man en vrouw samen de mens vormen.

Daarom wezen wij er op, dat de man als man en de vrouw als vrouw mens is. Een man en een vrouw zijn twee mensen en als zodanig zijn zij ongelijk.

Het rapport raakt aan deze dingen op blz. 11, naar aanleiding van enkele Schriftplaatsen : 1 Tim. 2 vs. 13, 1 Cor. 11 vs. 8 en 9.

De vrouw is later geschapen dan de man, want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva.

Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man.

Al te haastig gaat het rapport aan deze plaatsen voorbij. Vooreerst heeft hier niet het de-eerste-zijn van Adam slechts temporele betekenis, maar een principiële zin. De mens als man werd eerst geschapen en de vrouw is uit de man. Hier valt de nadruk op de oorsprong, op het hoofd-zijn van het menselijk geslacht. Tot dat hoofdschap is niet een soort man-vrouw-wezen. of een soort neutrum gezet, maar de man. Vandaar : de vrouw is geschapen om de man.

De Schrift stelt hier een prioriteit van de man, welke voor het eigene van het man-zijn karakteristiek is.

Dit wordt allerminst opgeheven door 1 Cor. 11 : 12 „Want gelijkerwijs de vrouw uit de man is, alzo is ook de man door de vrouw ; doch alle dingen zijn uit God, al kan men hierin een vermaning zien tegen usurpatie der prioriteit. Immers, alle dingen zijn uit God. Wij hebben hier met een bestel van Godswege te doen.

Vervolgens wijst het rapport er op, dat in het Nieuwe Testament de verhouding van man en vrouw vergeleken wordt met die van Christus en de gemeente. Christus is het Hoofd Zijner gemeente, de man is het hoofd der vrouw. Christus is de Bruidegom, de gemeente de bruid.

Wij achten, dat de „vergelijking" nog wel enige meerdere waarde heeft, n.l. dat het huwelijk als zodanig een profetisch-symbolische betekenis heeft en ook onder het aspect van openbaring verschijnt. Het Oude Testament geeft daarvan duidelijk sprekende voorbeelden.

Ook de gemeente is uit de Christus, zoals de vrouw is uit de man. En zelfs op Hem als het vleesgeworden Woord, dus naar Zijn mensheid, kan het woord van Paulus worden toegepast : de man is door de vrouw. Dat zal echter niemand aanleiding geven om Christus te betwisten, dat Hij het Hoofd der gemeente is.

In het licht der profetie kan dan ook het feit, dat de man ook door de vrouw is, de goddelijke beschikking niet verkleinen, dat de vrouw is uit de man en deze tot een hoofd der vrouw is gezet.

Men kan dat alleen voor het huwelijk willen laten gelden, doch niemand zal kunnen volhouden, dat het man-zijn door het goddelijk bestel niet kenmerkend van het vrouw-zijn onderscheiden is, zodat ook buiten de huwelijksorde in de twee-eenheid: man-vrouw-mensheid de leidende functie niet voor de man zou zijn bestemd.

In dit opzicht laat het rapport aan duidelijkheid zeer te wensen over.

De „vergelijking" met Christus en Zijn gemeente wordt uitgewerkt in die zin, dat de man vooral het ambtelijke uitbeeldt, het God representeren, dus Christus afbeeldt : de vrouw vormt het persoonlijke, het luisteren van de mens, dus het gemeente-zijn." (blz. 11 o.a.).

Vooreerst merken wij op, dat in deze passage van  de man  en de vrouw wordt gesproken in algemene zin. Men bedoelt ook het a mbtelijke in algemene zin. De commissie raakt hier dus onwillekeurig aan het algemene, karakteristieke, hetwelk de man van de vrouw onderscheidt.

Naar onze mening echter is het  persoonlijke  een niet gelukkige onderscheiding van het ambtelijke. Als de zin van het ambtelijke wordt omschr even als God representeren, en de Schrift geeft voorbeelden om zulks te rechtvaardigen, sluit dit het persoonlijke ganselijk niet uit.

Het persoonlijke kan hier niet als onderscheiding dienen. De man beeldt ook het ambtelijke niet uit. Doch het ambtelijke steit hem tot representant. Het ambtelijke stelt de gezagsverhouding, het handelt niet op eigen gezag, maar ex officio, in dit verband op Gods gezag.

Maar dan volgt hieruit ook, dat het ambtelijke, waardoor de man onderscheiden wordt, aan de plaats van de man in de vervulling van de roeping der mensheid, een speciaal aspect geeft. Hij is de drager van het gezag, de drager van de heerschappij, die voor God staat, het goddelijk gezag representeert.

Het rapport wil dit ten onrechte wegdoezelen tot een accent-verschil (blz. 12) en theologiseert heel wonderlijk om het aannemelijk te maken.

Waarom wil het voor de vrouw het „luisteren van de mens" weggelegd zien, terwijl allereerst de ambtelijk handelende man moet luisteren, wat God zegt ? En waarom neemt het de Schriftuurlijke plaats der vrouw niet over, welke haar tot een hulpe van de man zet? i

Daarentegen wordt datgene, wat de commissie het „ambtelijke" noemt, in zo algemene zin genomen, dat er van onderscheiding, niets meer dan een schijn overblijft.

Niets van de macht aan het „ambtelijke" verbonden en van het ambtelijk gezag, dat in Gods naam spreekt en handelt onder de mensen.

Door die generalisering wordt het „ambtelijke" feitelijk opgeheven. En deze voorstelling doet denken aan een toestand, waarin God alles is in allen, of aan een ten uiterste doorgevoerd individualisme, waarin ieder mens zijn eigen profeet, priester en koning is.

Men wil geen humanistische leer van gelijkheid, en schuwt „de antiek-heidense gedachte" over minderwaardigheid.

Vandaar de vervlakking van het Schriftuurlijke : de man het hoofd der vrouw tot een accentverschil van ambtelijkheid, terwijl „de vrouw een hulpe" wegens het persoonlijke in de wisseling met de ambtelijkheid grondig gemoderniseerd is.

Of op deze wijze aan de data der Schrift recht wordt gedaan, behoeft nauwelijks een vraag meer te wezen.

S.

*) De blz. verwijzen naar het rapport

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Gelijkheid en ongelijkheid van man en vrouw *)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's