De Puritein van de Hertenpolder
58
Janus laat zich leiden. Ze zijn allen groter dan hij. Nu zal hij het overgeven. Hij is als een kind bedroefd om de tegenslag.
In een oude preek heeft Mia gelezen: Die waarachtig werd ontdekt aan zijn ongerechtigheid, weet, dat er in het ontdekkend werk een tijd gekend wordt, waarin de zondaar des Heeren recht erkent en belijdt, dat de wet goed is, schoon zij hem ten dode werd. Hij verheerlijkt het recht Gods en toch derft hij de vrede, zolang hij in Christus nog geen genadige God in de hemel gevonden heeft. Hij is verzoend met Gods gerechtigheid, maar het eeuwige leven smaakt hij niet, totdat de H. Geest het hem toeëigent.
Zij gelooft nu dat Janus het recht Gods billijkt, ook in het gezicht van de eeuwige straf. Dat is Geestes-werk.
En als hij 's avonds bij z'n stoel niet meer knielt, omdat hij gelooft dat het Gode niet welgevallig is, en als hij niet meer leest uit de folianten, dan nog gelooft Mia dat het de Heere is die een goed werk in hem begonnen heeft en dit ook voleindigen zal. Want zij kent de beroerten van een aangeslagen hart. Zij weet wat het betekent, te liggen in banden van de dood.
XII. De geestelijke doorbraak.
Janus Veldstroo is bezig in de kleine boomgaard appelen te plukken. Hij heeft van Mia een zakkenschort geleend en die om zijn middel gebonden. Aan de uithoeken heeft hij een touw vastgeknoopt en dit touw weer om zijn nek gehangen. Dan gaat hij op een ladder de appelboom in.
Nauwelijks is hij bezig of een karretje komt uit de richting van het dorp klepperen. Het is Karel van Schevingen, een kreupele petroleumhandelaar. Hij is een zelden gemiste figuur op de gezelschappen, die hier en daar gehouden worden bij een patriarch in één van de dorpen.
Janus kent hem. Hij is wat al te gemoedelijk, maar overigens een best kereltje.
Als hij naar Gieson en Janna geweest is aan de polderweg, komt hij straks op de „Amazone" aan.
Vrolijk kleppert zijn karretje. Hij ziet Janus in de appelboom.
— Janus! roept hij met een helder stemmetje. Hoe is 't? Kun jij je karretje nogal op de weg houwê!?
Janus glimlacht om de guitige vraag van het mannetje. Hij spreekt ook zo handig die tale Kanaans.
— Mien karretje ligt meest in de sloot, Karel. Ik bin mit recht jeloers op joe.
Met een lach om de mond schuift Karel van Scheveningen zijn karretje over de Vaartweg.
Als Janus hem nastaart, komt hem die Psalm voor de geest :
Welzalig zij, die naar Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen.
Want Karel is er een van, die zijn zielsbelevenis verklaarde naar aanleiding van Psalm 119 vs. 69,
Gij zijt volmaakt. Gij zijt rechtvaardig Heer'
Uw oordeel rust op d' allerbeste wetten.
Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.
Gij eist van ons, dat w' op Uw Waarheid letten:
Dat wij altijd op hoge prijs Uw leer
En 't heilig recht van Uw getuig'nis zetten.
Daar gaat hij de hoek om, in de richting van Janna. Hij is wat kreupel. Hij wordt als Jakob gedurig herinnerd aan zijn ontmoeting met God. Hij is geworden een verloren Adamskind, maar Christus is zijn Overste Leidsman des geloofs. Hij zal een kreupele zwerver blijven in 's levens woestenij.
Janus weet zich nauw verbonden met dit volk. Met eerbied denkt hij aan het werk, in hun zielen gewrocht. Het zij dan zo, dat het niet vele edelen zijn, maar God heeft hen verheerlijkt in Zijn eeuwige Vrederaad en hun weg wordt zeker geleid. Niemand, neen, de ganse macht der hel niet, zal ze rukken uit de hand des Vaders.
Janus plukt een tak leeg en wordt gewaar, dat zijn schort vol is. Wat is zijn ziel treurig. Hij haat z'n eigen leven, omdat het vol is van opstand en wrevel tegen de Algoede en Alwijze God. In God is geen onrecht. Bij hem is de beschaamdheid des aangezichts. Hij heeft zijn weg verdorven. Dan moet alles opeens opzij. Weg met dit onwerkelijk treuren! Weg met dit oneerlijk bedrijf! Hij moet ophouden langer zichzelf te bedriegen. Als hij waar is in zijn schuldbekentenis, dan zal de Zonne der Gerechtigheid opgaan, dan zal Jezus komen, onder Wiens vleugelen genezing zal zijn.
Janus wordt iets gewaar van de onwaarachtigheid van zijn hart. En toch is daar het zuchten naar boven. Het ondermaanse is hem koud en kil. Nergens is er raad voor zijn innerlijke kwaal.
Wat heeft Van Lodenstein met recht gezongen: Hoog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet!
Janus herinnert zich zo levendig hoe hij twee jaren geleden met Evert de appelen in de boomgaard plukte. Hij ziet nog de zielstriumph van Evert schitteren op diens gelaat.
Maar Evert was een oprechte zoeker. Hij is vervuld met bijoogmerken. Hij is niet oprecht. Zijn hart is arglistig, méér dan enig ding, ja dodelijk is het, en wie zal het kennen?
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's