Regel en uitzondering
In overeenstemming met de verhouding, zoals deze in de Heilige Schrift wordt bepaald door de man als hoofd der vrouw en de vrouw als hulpe tegenover hem te zetten, laat zich als regel vaststellen, dat de leiding aan de man is opgedragen.
Deze regel wordt trouwens door Oude en Nieuwe Testament bevestigd. Richters, koningen en priesters zijn mannen. Christus kiest twaalf mannen tot Zijn discipelen. Mannen worden tot opzieners verkozen en ook de diakenen van, Hand. 6 waren mannen.
Wij spreken nog niet over de profeten, hoewel ook schier zonder uitzondering mannen tot profeten geroepen werden.
Daarom zijn wij van oordeel, dat zij, die zich naar de Heilige Schrift begeren te richten deze regel zullen erkennen en eerbiedigen niet alleen in de sociale en politieke, maar ook in de kerkelijke saamleving.
Daarbij wensen wij nog op te merken, dat de verdediging van deze regel als door de Schrift duidelijk aangegeven is, op generlei wijze allerlei misbruik van het hoofdschap des mans en het hulpe zijn der vrouw voor haar rekening kan nemen. Wij leven in een zondige wereld en de kerk is niet alleen geroepen altijd weer op juiste levensverhoudingen te wijzen, maar zal dit zelfs niet kunnen doen zonder de wanverhoudingen voortdurend te bestrijden. Zij kan usurpatie van de mannelijke prioriteit niet toelaten, maar een emancipatie, welke de rollen wil omkeren, kan zij niet minder straffeloos dulden.
En nu de uitzonderingen. Van de zijde der dames, die het lerend en regerend ambt ambiëren, en van de zijde harer mannelijke en vrouwelijke advocaten wordt nog al nadrukkelijk op de uitzonderingen gewezen. In zoverre begrijpelijk.
Debora, die als richter optrad, Hulda de profetes, Hanna de profetes, Priscilla niet te vergeten, welke immers Apollos onderwees! De genoemde en ongenoemde vrouwen, wier verdiensten en medewerking in de gemeente door de Schrift worden geprezen.
Eerlijk gezegd, als men alles bijeen vergadert, is en blijft het toch nog maar weinig. Zó weinig, dat het uitzonderlijk karakter heel erg duidelijk in het oog moet vallen.
Het wordt er voor de voorvechters van de vrouw in het ambt niet gunstiger op, als zij zich van die uitzonderingen nader rekenschap gaan geven.
Allereerst de profeten (en profetessen Hulda en Hanna).
Niemand zal willen beweren, dat het ambt van de predikant en de ouderling zo ongeveer op één lijn kan worden gesteld met de O.-Testamentische profeten, of beter omgekeerd, dat de profeten zo iets als Oud-Testamentische dominé's waren. Zeker zij stonden in het profetisch ambt, de profeten, maar zij stonden daarin op gans andere wijze dan de ouderling, die in het Woord arbeidt.
Profeten werden niet door de Oud-Testamentische gemeente geroepen en in een ambt gesteld. Gelijk de apostelen bijzonderlijk door Christus geroepen zijn en een geheel bijzondere plaats innemen in de dienst van het Koninkrijk der hemelen, hebben ook de profeten des Ouden Testaments een geheel bijzondere plaats en worden in één adem genoemd : apostelen en profeten. Zij staan dienstbaar in het fundamentele werk. Het fundament der apostelen en profeten.
De ambten in de Nieuw-Testamentische gemeente zijn ingesteld in het werk van de opbouw. Christus bedient zich daarvan in het werk van de toevergadering tot de gemeente, die zalig wordt. (Ef. 4 vs. 11 v.v.; 1 Cor. 12 vs. 28).
Deze ambten komen niet uit de gemeente op of uit het ambt der gelovigen, maar zij zijn van boven gegeven. Zij kunnen daarom niet beoordeeld worden als een bijzondere vorm van het ambt der gelovigen.
Het zo geheel bijzonder karakter van het profetenambt, zet niet alleen als zodanig de profeten buiten de regel, welke wij vonden, maar maakt ook het beroep op Hulda en Hanna krachteloos, want het profetenambt staat buiten de aan de gemeente toebetrouwde ambten.
Het voorbeeld van Priscilla kan evenmin een grond zijn voor de toelating der vrouw in het ambt, omdat deze begaafde vrouw zeker wel een belangrijke plaats in het leven der gemeente heeft ingenomen vanwege het charisma, dat God haar had geschonken, maar men zal moeilijk kunnen aantonen, dat zij in het ambt van de Herder en Leraar werd gezet.
Wie zal overigens de gave Gods weerstaan en niet eerbiedig terugwijken, als de Heere aan een vrouw bijzondere gaven schenkt, welke zij dienstbaar stelt in de gemeente. Dat is nochtans geen grond om de vrouw tot het ambt van opziener en Herder en Leraar toe te laten. En zulks in afwijking van de Schriftuurlijke regel.
Men zal voorts ook hebben te letten op de regel der uitzonderingen, want daarvan kan ook sprake zijn.
Wij denken allereerst aan de gehuwde vrouw, wier echtgenoot gestorven is, zodat zij in de volle taak van de man als hoofd van zijn gezin wordt gezet. Hoezeer de apostel Paulus daarmede rekent, blijkt uit 1 Tim. 5 vs. 9, waar de weduwe bijzonder wordt genoemd in verband met de dienst in de gemeente. Men behoeft heus geen lange redeneringen te houden om aan te tonen, dat de vrouw ook in het werk en de verantwoordelijkheid van de man kan worden geplaatst, want dat ligt reeds besloten in het een hulpe zijn.
Zo kan het ook wezen, dat er geen mannen worden gevonden, die de gaven, de moed en de bekwaamheid hebben om een taak te volbrengen, welke naar de regel voor een man is weggelegd. In dit licht verschijnt het geval Debora. Men zou hier kunnen spreken van een noodgeval.
Derhalve vallen de uitzonderingen, waardoor de vrouw buiten de regel tot de taak van de man geroepen kan worden, onder drie hoofden uiteen : een bijzonder charisma, hetwelk als zodanig buiten de geordende bediening van het ambt valt en er boven uit gaat, als zijnde van eigen orde, het weduwschap en de noodgevallen.
Doch dit alles kan de regel niet te niet doen en geeft ons geen vrijheid om die te laten varen en, in de geordende bediening de leiding gevende ambten voor de vrouw open te stellen.
Dit sluit geenszins de erkenning uit — integendeel — dat de Heilige Schrift getuigenis geeft van de medearbeid der vrouw in het Evangelie, waartoe ook buiten het ambt van de opziener en Herder en Leraar genoegzame gelegenheid kan worden gevonden.
In zoverre kunnen wij de conclusie van rapport B onderschrijven, dat
1) de vrouw volkomen op haar plaats is in het dienstbetoon, met name ook in het diaconaat, voor zover dit verschijnt als bediening en niet als ambtelijke regering.
Toch willen wij daaraan nog een enkele opmerking toevoegen. Doch voor ditmaal blijve het er bij.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's