De vrouw en het ambt
Het ambtelijke en het persoonlijke
Wij hebben gezien, dat de Commissie de ongelijkheid van man en vrouw ziet in het ambtelijke, dat de man, en het persoonlijke, dat de vrouw zou eigen zijn, of in de geest van het rapport: meer zou eigen zijn.
Vervolgens stelt het rapport heel het leven in het licht van het ambtelijke, zodat het ook voor de vrouw geldt, en omgekeerd ook het persoonlijke, terwijl daarmede het geheel eigene der onderscheiding is weggeredeneerd tot verschil van gezichtspunt en accent.
Dat de mens als mens in gehoorzaamheid aan God heeft te handelen en persoonlijk verantwoordelijk is voor zijn daad, zal niemand ontkennen.
Maar dan blijft nog over, dat het ambtelijk en persoonlijk handelen, hetwelk den man is gezet, in de gemeenschappelijke vervulling van de menselijke roeping, verschillen kan van het ambtelijk en persoonlijk handelen, dat voor de vrouw is bestemd.
Het onderscheid, hetwelk de Commissie Zegt „ontdekt" te hebben, wil in het algemeen menselijke liggen als een graduële onderscheiding. Het man-zijn en vrouw-zijn is echter geen graduëel onderscheid en men zoekt het onderscheid tussen man en vrouw vergeefs in het algemeen menselijke, juist omdat dit zowel aan de man als aan de vrouw eigen is. De man is mens en de vrouw is mens.
Men zal het onderscheid tussen man en vrouw alleen kunnen vinden in het bestel Gods, die de man tot man en de vrouw tot vrouw heeft geformeerd en gezet onder de gemeenschappelijke roeping van Genesis 1 vs. 28: betreffende de procreatie en de heerschappij over de aarde. En mitsdien in de taakverdeling en de verhouding van man en vrouw, zowel in de verbondenheid van het huwelijk als in de eenheid van het mens-zijn.
Als het rapport nu werkt met verschillende analogieën (blz. 11): de verhouding van God—mensheid, Christus—gemeente en die van man en vrouw, dan hebben deze in eerste instantie betrekking op het huwelijk.
Volgens het rapport zou de man vooral het ambtelijke uitbeelden, d.w.z. het God repr esenteren; de vrouw het persoonlijke.
Doch de voorafgaande zinsneden stellen het God representeren en het persoonlijke zó algemeen menselijk en wisselend voor, dat het mannelijke en vrouwelijke geheel in elkander schijnt op te gaan en er van onderscheiding geen sprake meer kan zijn, aangezien de vrouw even ambtelijk als de man persoonlijk kan zijn.
Dat komt er van, als men in feite geen ander gezichtspunt wil laten gelden dan, dat de vrouw evenwaardig mens is als de man. Dit punt zal niemand bestrijden. Dit is niet in het geding.
De zaak, waarom het gaat, ligt anders, n.l. : Hoe verschijnt de verhouding van man en vrouw in het licht der Heilige Schrift ? En — welk antwoord geeft de Schrift op de vraag, of de kerk de vrouw tot het ambt zal toelaten. De Schrift is heus niet zo zwevend en onduidelijk, als dit rapport ons zou willen doen geloven. In 1 Tim. 2 vs 13 wordt ons b.v. niet eenvoudig medegedeeld, dat Adam het eerst geschapen werd, als zou dit slechts een temporele zin hebben. De voorafgaande verzen zeggen duidelijk, dat het over de plaats der vrouw gaat. Zo ligt ook in 1 Cor. 11 : de nadruk op het voorafgaande, (vgl. vs. 2 en 3) God het Hoofd van Christus, Christus het Hoofd van een iegelijk man, de man het hoofd der vrouw.
Deze rangorde, waar de man het hoofd der vrouw wordt genoemd, heeft in dit verband algemene strekking, aangezien het hoofdstuk ook in het algemeen over de vrouw handelt.
In Efeze 5 vs. 23 wordt het hoofdschap van de man wederom betuigd, doch de onderdanigheid valt op de gehuwde vrouw., Niettemin geeft 1 Cor. 11 niet onduidelijk te kennen, dat het hoofd-zijn van de man een verhouding van man en vrouw stelt, welke ook in het algemeen consequenties heeft, omdat het zijn grond heeft in de door de apostel aangehaalde feiten.
Het rapport wijst op blz. 11 op het feit, dat de Schrift verhaalt o.a. dat de vrouw geschapen werd vóór de man en als hulpe tegenover hem.
Indien men nu een en ander tot zijn recht laat komen, en van ambtelijkheid en persoonlijkheid wil spreken, zou het toch voor de hand liggen op te merken, dat de Schrift wil, dat de man ambtelijk en persoonlijk als hoofd der vrouw en de vrouw ambtelijk en persoonlijk als hulp, die bij de man past, tezamen de roeping van de mens gezet zijn te vervullen.
Maar dat zegt het rapport nu juist niet, en dat wil het klaarblijkelijk ook niet, hoewel de apostel, die zegt in Christus is noch man, noch vrouw, zeer uitdrukkelijk en herhaaldelijk ook in de gemeente van Christus op aarde deze onderscheiding wil gehandhaafd hebben.
Hij zegt trouwens ook, dat er in Christus noch Jood, noch Griek is, maar niemand zal daaruit de consequentie voor de aardse samenleving trekken, dat er geen onderscheid meer is tussen Joden en Grieken.
Zo worden de dingen ook scheefgetrokken als het rapport handelt over het feit, dat de vrouw het eerst in zonde viel. De apostel Paulus voert dit zeker niet aan als een grond, waarom hij de vrouw niet toelaat te leren. (1 Tim. 2 vs. 12, alsof hij zou willen zeggen : de vrouw moet zich maar stil houden, want zij is het eerst in overtreding geweest. Dat is zeker niet in overeenstemming met zijn bedoeling. Immers deze apostel spreekt over de overtreding van Adam als alle overtreding overtreffende. Maar nochtans ontzegt hij aan de man niet de prioriteit, welke God hem toekent.
Wij naderen de ware bedoeling zonder twijfel beter, als wij het zo verstaan: de vrouw moet niet leren of over de man heersen, want dan worden de rechte verhoudingen gebroken. De prioriteit van Adam (vs. 13).
Eva is misleid geworden. Zij luisterde naar de slang en zij besliste persoonlijk en zelfstandig, hoewel zij anders geleerd, had. Zij had zich moeten houden aan wat haar hoofd als Gods profeet haar in Gods naam had overgeleverd, en zij had niet zonder beraad met hem moeten beslissen. De apostel wijst er op, dat de ordeningen en inzettingen Gods moeten worden gehandhaafd.
God handhaaft zelf het hoofdschap van de man na de zondeval in zijn heerschappij over de vrouw. Nochtans behoeft het geen betoog, dat de zonde een bron van verkeerdheid en wanverhouding is, enerzijds van het hoofdschap, anderzijds van het een hulpe zijn bij de vervulling van de gezamenlijke roeping des mensen. Dat kan echter geen grond zijn om de rechte verhouding té miskennen. Integendeel.
Een merkwaardige wending neemt de Commissie, als zij spreekt over de taakverdeling (blz. 15). „Daarom klemt opnieuw de vraag, of deze taakverdeling absoluut is bedoeld, of God elk een tak van dienst heeft toegewezen, zodat het een zondig weglopen zou zijn van de plaats, waarop God elk heeft gesteld, indien de een gaat doen, wat de ander bevolen is. Met name is deze vraag urgent voor de vrouw, die moet weten, of zij aan de cultuurtaak van de man mag medewerken".
Het merkwaardige ligt nl. daarin, dat hier van „medewerken" wordt gesproken.
Dat is immers het kenmerkende van de hulpe, dat de vrouw „medewerkt", dat zij de man helpt bij de vervulling van zijn taak.
Hoever die hulp en medewerking zich kan uitstrekken, zal van omstandigheden en gaven afhangen, doch het gaat om de vraag, waardoor aard en karakter van de medewerking, de hulp, worden bepaald. Hulp kan immers in alle werk en taak optreden, zodat de begrenzing in dit opzicht slechts afhankelijk is van kunnen en kennen in bepaalde omstandigheden. De hulp neemt deel aan alle werk, ambt en taak. Maar de hulp is hulp, helpt de ander, heeft de gang van het werk in acht te nemen, werkt overeenkomstig de leiding.
Zelfs als de hulp geroepen kan zijn b.v. bij ontstentenis van het leidend gezag, de leiding waar te nemen, heeft zij de leiding te volgen en te doen, wat de leiding- geroepen is te doen. Wij denken aan de weduwe.
Zo leidt de hulp vanzelf tot het hoofd. Men kan de taakverdeling zo betrekkelijk stellen als men wil, maar men kan de leiding niet uitschakelen. En, als men nu vraagt naar de Schriftuurlijke verhouding van man en vrouw, welke wordt uitgedrukt in de relatie hoofd en hulpe, dan is de leiding bij hem, die het hoofd der vrouw wordt genoemd.
Daarmede komt overeen, dat de apostel de vrouw niet toelaat te leren en te regeren, zelfs niet in de gemeente, ondanks het feit, dat hij er op wijst, d at in Christus noch man, noch vrouw is.
Wij kunnen het niet anders zien, dan dat de Heilige Schrift onmiskenbaar getuigt, dat God de man tot een hoofd der vrouw heeft gezet. Voor de practijk des levens volgt daaruit, dat de man geroepen is tot de leiding en voor de vrouw de helpende taak is weggelegd.
Wat de apostel zelfs in de gemeente niet toelaat, zal in het sociale en politieke leven à fortiori van kracht zijn.
Uit het feit, dat de vrouw den man tot een hulp is gezet in het ganse leven, volgt ook, dat de taakverdeling niet absoluut is. Daarvoor is die trouwens te algemeen gesteld.
Maar er volgt tevens uit, dat de Schriftuurlijke regel de leiding aan de man toekent en dat deze slechts dan aan de vrouw wordt gelaten of toevertrouwd, als het niet anders kan, b.v. bij ontstentenis van de man, of als er geen man gevonden wordt.
Dit leidt ons tot de uitzonderingen op de regel.
Die uitzonderingen zijn er en worden ook in de Heilige Schrift gevonden. Wij willen daarover afzonderlijk handelen.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's