De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Puritein van de Hertenpolder

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Puritein van de Hertenpolder

59

9 minuten leestijd

Hij moet zich beschuldigen van de brutaalste opstand tegen éen goed en goeddoend Wezen. Dan komt hem de donkere passage voor uit zijn levensboek, toen hij op een winteravond worstelde in de sneeuw. Hij had vlug aangewerkt om op tijd in de vechtkampen te zijn. en ziedaar, hij kan niet door de sneeuwstorm heen. Bij de Kalderbossen blijft hij in de sneeuw steken. Hij heeft zijn opstel in de binnenzak van zijn jas, dat moet hij straks voorlezen op .de vergadering der V.

Toen is hij kwaad geworden op God. Daar heeft hij staan vloeken en tieren ; o goddeloos, wanstaltig, booswicht die hij was.

Van ontsteltenis worden hem zijn armen slap. Bijna valt hij uit de boom. Dat is waar ! Dat is gebeurd ! Heeft hij dus zó tegenover God gestaan ?

Ja ! Het is waar ! Maar al te waar !

Amechtig hangt hij tegen een zware tak. Janus Veldstroo is radeloos. Is er voor zó één wel ooit een weg ter ontkoming ? Dit beeld van zijn vloekend tieren tegen een heilig God in die sneeuwjacht van die winteravond, staat hem nu als een vlammige prent met vurige punten voor zijn gezicht.

Nu geen schone, geestelijke gebeden. Nu geen opmerkelijke zinnen die opwellen uit een religieus hart. Neen ! Neen! Neen.!.

Nu is hij meer dan ooit bewust, nu is hij anders' bewust dan ooit weleer de beestachtigheid van zijn natuurlijk hart. Geen verschoning is er meer. Geen gebeden. Zelfs geen roepstem om genade.

Zo'n mens is hellewaardig !

Zijn religieuse leven is opgehouden. Hij heeft altijd zichzelf bedrogen met allerlei inbeeldingen. Nu ziet hij iets van al de zwartheid van zijn innerlijk zij.n. Hij is de vleesgeworden haat en opstand tegen Hem, Die hemel en aarde bezit.

Het schemert voor zijn ogen. Hij ligt nu in een zwarte nacht! Precies zoals de dominee wel eens zegt; midden in de dood l

Reeds eerder had hij in smartelijke ervaring dat dorre leerstellingen, hoe rechtzinnig ze ook mogen zijn, de ziel in tijden van donkerheid, niet ondersteunen.

Maar diep in de donkere mijnschacht van zijn ziele-bestaan schittert een ster der hoop. En toch, wat is de donkerte wijd en verschrikkelijk.

Langzaam klautert hij uit de boom. Hij stoot zijn elleboog tegen een zijtak. Hij voelt het niet.

Hij is, nu bedolven in de golven van zijn ongerechtigheid. Hij tast aan de wanden van de hemelhoge muren. Wat zijn die eng besloten om zijn schouders. Hij blikt naar boven. Is er een ster die licht geeft ?

De duivel grijnst hem van terzijde aan.

— Geen redding voor jou in der eeuwigheid, zo'n opstandeling, zulk een rebel! schreeuwt 't in zijn oren. Gij huichelaar !

Alles in de schepping! zingt. De bloemen bloeien, Hoe vredig grézen de koeien achter de schuur. Welk een schril contrast tussen het leven in de natuur en het herfsttij in zijn hart. Hij is ten dode opgeschreven. Geen redding voor zijn ziel, omdat er geen vergiffenis voor zulk een groot zondaar is.

Zo jaagt hem de satan, de angst van zijn geweten uit de bongerd. Hij wordt nu achtervolgd als met een heirleger van drijvers. Het angstzweet breekt hem uit.

Als hij door de keuken komt, kreunt hij : Mia!!

Onthutst ziet zij hem aan. En plotseling weet zij het. Hij is in ziele-strijd. De boze laat zijn prooi maar zo niet los., ,

De luiken van het kamervenster zijn toegedaan voor de zonnestralen.

Janus valt op zijn bed neer en trekt de molton deken over zich heen. Niemand is zondaar dan hij alleen! Zulk één, als er onder de zon nog niet geweest is.

Even ligt hij stil en- dan bekent hij de doorleving zijner ziel: Het is eeuwig rechtvaardig, als ik nu om kom.........

't Is zo stil als de nacht.

Roerloos ligt hij nu. Dat is dát een donkerte !

— Eeuwig rechtvaardig, als ik eeuwig om kom.

Al de verschrikkingen der onstuimige zee: hebben zijn ziel omgolfd. Dan wordt het weergaloos stil.

Hij wacht alleen op God.

De Farizeër in hem is gestorven. Zijn gebeden hadden een einde.

Hij wacht, omdat hij niets anders kan doen.

Hier is het voor hem geen wetenschap, dat God de smeekschriften van Zijn volk niet aanneemt, omdat ze bidden. Nu weet hij ook niet, dat Zijn volk bidt, omdat Hij voorgenomen heeft, hun verzoeken te beantwoorden.

Hij is schuldig, innerlijk geheel en al schuldig. Al wat de Heere doet is volmaakt en goed.

Dan opeens klinkt er een zacht zingen tot zijn oor. Het is als schone muziek, een hemelse melodie. Hij drinkt de woorden in :

Geef 't wild gediert, dat niets in 't woên ontziet.
De ziele van Uw tortelduif niet over ;
Laat, grote God, om een gehate rover
Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.

De laatste woorden deinen melodieus na in zijn bezwaarde hart. Hij heeft lafenis daaruit geput. Maar de smart  blijft. Hij weent in grote verlatenheid.

Maar dan komt de grote ommekeer. Met kracht komen deze woorden tot zijn ziel :  Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

— Gij, Heere ! Mij ? stamelt Janus.

Een zalige verandering vindt er plaats in zijn innerlijk bestaan. Deze verandering komt hem zo onverwachts, maar niet minder zeker. De zware last valt van zijn schouder.

Nu is het ogenblik gekomen dat Janus ten tweeden male in zijn leven uitroept : „Mijn Heere en mijn God.''

Hij schouwt de dóórnagelde handen en voeten van Christus. De speerstoot in Zijn zijde.

Geheel ontroerd murmelt Janus : — En dat veur mien ?

Dat is een onbegrijpelijk wonder.

Een zaligheid, niet af te meten.

Nu zijn de weken en maanden van treurigheid ineens weggevaagd. Hoe heeft hij gedurig gewanhoopt. Dan was er nog een weinig hoop, als hij de kinderen Gods hoorde klagen vanwege hun dodigheid. Al zijn werken is nu geëindigd. Nu is zijn consciëntie gereinigd van dode werken, om de levende God te dienen.

Het is een geloofszaak. De rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Zodra dit geloof in zijn ziel krachtig de vleugels uitsloeg, was zijn verstand verlicht en kwam er lucht in het benauwd gemoed.

Geloven is daarom ophouden met werken. Christus aangrijpen in Zijn Borggerechtigheid.

Janus wist niet, dat het geloof ze eenvoudig was. Het is het uitsteken van een ledige hand. De uitwisseling van de nacht in de dag. Het opgaan van de Zonne der Gerechtigheid over de akker des harten, die woest en ledig is. Het oude is dan voorbij gegaan, het is alles nieuw geworden.

Mia is het prieel weer uitgelopen. Zij heeft geen rust, hoewel zij weet wat rust is. Een grote begeerte leeft in haar, rust voor Janus, die gelijk een hijgend hert schreeuwt naar de waterstromen.

Wat zou het zijn, dat zij gezongen heeft, die bede uit Psalm 74 ? Zij heeft het in het geloof gedaan. Geeft 't wild gediert', dat niets in 't woên ontziet.

— Kind, wat waart ge aan 't zingen ? vraagt Moeder.

— Ik moest dat wel doen. Moeder, want ik heb het in 't geloof gedaan.

— O, mijn kind, dan zal t' nog wat hebben uitgewerkt, 't Geloof overwint de wereld en heeft koninkrijken overwonnen. Het geloof oefent gerechtigheid, verkrijgt beloftenissen. De vrouwen hebben hare doden uit de opstanding wedergekregen. Door het geloof zijn de' muren van Jericho gevallen. O, Mia, 't geloof wordt niet beschaamd, want 't geloof verwacht het alleen van God. Zo is het waarachtig geloof een gave Gods en daarom met zulke zeldzame uitkomsten.

Mia zou naar 't kamertje willen gaan, maar ze wacht. Zij zal wachten, totdat hij uitkomt, die gebonden was.

O, wat mag zij Janus van ganser harte beminnen ; maar nu, wat zal ze nog een nieuwe man in hem verkrijgen. Want deze .dag zal staan in het teken van een huwelijksvernieuwing. Was hij al anders door de kracht van het religieuse leven, nu zal 'hij, gereinigd door het bad der wedergeboorte, haar nieuw gegeven worden.

Daar is een lofzang in Mia's hart.. Een lofzang, met geloof gemengd. Wat al goede dingen dalen van boven af. De Heere alleen is de Bron van alle goeds.

Buiten straalt het zonlicht over de polder. Rustig ligt het vee in de schaduw van de oude wilgen. Zij hebben de koelte gezocht, na hun verzadigd zijn. En spreeuwen tippelen rond hun snuivende, goedmoedige koppen.

Daar komt Karel van Scheveningen met zijn petroleumkarretje de laan in. Hij is vrolijk als een kind in de morgenstond. Hij weet, dat hier familie van hem woont. Hij heeft heel goed het onderscheid leren kennen tussen de wereld die in het boze ligt, en de wereld, die overtuigd werd van het boze, dat er in het boze is.

Hij weet niet, wat er al aan rampzalige dingen in de wereld zijn, daarom kan hij vaak vrolijk zijn. Hij kwam niet verder dan Ringelberge en Ashoven en heeft geen hekel aan de mensen. Misschien kan hij maar al te goed met de grote hoop een compromis afsluiten. Hij zegt onnozel als 't er over gaat, wat je voor niks krijgt.

— Voor niks komt de zon op.

Hierover heeft Moeder. Wiedeling hem wel eens onderhouden.

— Karel, heeft ze gezegd, war ben je soms nog onbezonnen en wat lijk je nog veel van de wereld te zijn, die ook zegt: Voor niks komt de zon op. Denk er om, dat dit erg oppervlakkig is, hoor !

Toen heeft hij wat bedremmeld voor zich gekeken en gezegd : — Warendig, gij hebt gelijk. 't Gaat lang piet voor niks !

Karel heeft van de weinige, mensen, die hij ontmoette aan de weg, niet veel degelijkheid geleerd. Hij wil dan ook wat zeggen. Overigens is hij bij de vrienden niet zo oppervlakkig. En als 't er op aan komt, staat hij ook wel in het harnas tegen de wereld, maar sterk is hij niet.

Zo is Karel.

Hij spreekt gemakkelijk bij Moeder Wiedeling in de kleine keuken. Als hij opeens naar Janus vraagt, duwt Mia haar Moeder in de zijde.

— Als je weer komt. over veertien dagen, , is Janus wellicht wel tot je beschikking, licht de weduwe hem in.

— O zo, is hij even weg, zegt hij en verwondert zich daarover.

Hij heeft er op gerekend, dat hij Janus zou ontmoeten. Janus is zijn beste vrind. Maar wanneer Janus 't voorrecht aller voorrechten, te beurt valt, dan heeft Karel van Scheveningen hem niet tot spreekgezel. Janus heeft z'n leven wel genoeg gesproken, hoewel hij nooit een huichelaar was, die voorgaf wat te zijn, maar hij had zich vaste begrippen verkregen, aangaande de grondstukken der leer en zijn spreken en verklaringen waren aangenaam^ bij Karel en de anderen, die leven uit hef eeuwig Verbond dat vastligt in God en gegrond is op het eeuwige Woord.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Puritein van de Hertenpolder

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's