De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VOORLICHTING ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VOORLICHTING ?

6 minuten leestijd

Dezer dagen werd ons „De Zondagsbode" voor Maassluis, Maasland en Rozenburg toegezonden, d.d. 14 Juli 1950, waarin o.m. gewag werd gemaakt van het rapport van de Studiecommissie van de Geref. Bond. Tegelijk wordt daarin iets gezegd aangaande het rapport van het Hoofdbestuur van de Vereniging voor Vrijzinnig Hervormden, t. a. v. de nieuwe Kerkorde, en tenslotte van het Dienstboek.

Wij zouden daarop niet ingaan, indien het artikel daartoe geen bijzondere aanleiding gaf wegens de merkwaardige verwarring van begrippen.

De schrijver merkt o.a. op, dat hij zich verheugt over het feit, dat er zowel bij de Vrijzinnigen als bij de Geref. Bond zoveel studie van het ontwerp is gemaakt. Daarmede kan men gemakkelijk instemmen. Voorts verheugt hij zich er over, dat de eindconclusie van het rapport der Vrijzinnigen oordeelt, dat aanvaarding noodzakelijk zal zijn, wil de Kerk zich in de nieuwe richting voortbewegen. Men kan het daarmede eens zijn, of niet, maar het staat de schrijver vrij zich daaromtrent te verheugen. Zo is het mede verklaarbaar, dat hij het geluid van de Geref. Bond zeer betreurt. Hij ziet n.l geen weg tot reorganisatie der Kerk, als het ontwerp eens niet werd aangenomen en vermoedt, dat „wij weer geheel terugzakken, zouden naar de oude toestand van richtingsstrijd en leervrijheid".

Men kan hieruit enigermate vermoeden, welke verwachting deze schrijver aan de invoering van het ontwerp-kerkorde verbindt en hoe het welzijn der Kerk voor hem aan deze kerkorde schijnt te hangen.

Desniettemin merkt hij op, dat het rapport der Vrijzinnigen art. X, „het hart van de Nieuwe Kerkorde", een „twistappel" noemt. Daaraan voegt hij als zijn oordeel toe, dat het inderdaad een twistappel zal worden, „wanneer de Vereniging voor Vrijzinnig Hervormden tracht een verwarring van begrippen te verkrijgen". Hij gaat dit verder toelichten door op te merken, dat men artikel X in die kring liever las als volgt: „in dankbare gehoorzaamheid aan het getuigenis van de Heilige Schrift, opdat daardoor zou komen vast te staan dat het niet ging om de letterlijke; aanvaarding van de Bijbel, maar om aanvaarding van zijn boodschap".

Welke eenheid van belijden en gebondenheid der leer, verwacht deze schrijver nu eigenlijk ? — zo vraagt men zich af.

Deze vraag wordt door hem niet beantwoord. Maar men wrijft zich echter de ogen uit, als men onmiddellijk daarop de volgende zinsnede leest :

„Overigens stemt het tot verwondering, maar ook tot blijdschap, dat de Belijdenisgeschriften, eveneens in art. X genoemd, aanvaard worden, ook de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten".

Gelooft deze predikant dat nu zelf ? Gelooft hij, dat de Vrijzinnigen de Belijdenisgeschriften, in art. X genoemd, ook de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten, aanvaarden als belijdenis en derhalve dien overeenkomstig belijden ?

Wij nemen aan, dat de predikant-schrijver die zelf aanvaardt, maar hij kan weten, hoe de Vrijzinnigen over de belijdenisgeschriften oordelen, en dan is er in het geheel geen plaats voor zijn verwondering. Immers de uitdrukking „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen", welke genoegzaam in de kerkelijke pers besproken is, kan op zichzelf niet de minste waarborg geven, dat de richtingen verdwijnen zullen onder de nieuwe kerkorde, alsof rechts en links de belijdenisgeschriften als belijdenis der kerk zouden aanvaarden.

Intussen kunnen dergelijke voorstellingen, als deze predikant geeft, gedachten omtrent de nieuwe kerkorde wekken, en verwachtingen doen koesteren, welke in de werkelijkheid der kerkelijke toestanden geen steun vermogen te vinden.

Gemeenteleden, die op deze wijze worden voorgelicht, lopen groot gevaar zo straks voor teleurstellingen geplaatst te worden.

De schrijver betreurt het, dat de Geref. Bond geen positiever geluid liet horen. Hij bedoelt, naar wij vermoeden, positiever in die zin, dat hij liever had gezien, dat de Geref. Bond zich vóor dit ontwerp zou hebben verklaard.

Niettemin merkt hij op, dat de critiek van het rapport onzerzijds veelal juist genoemd mag worden.

Het komt ons voor, dat hij zich van deze critiek al even weinig rekenschap heeft gegeven als van die der Vrijzinnigen. Anders toch zou het hem duidelijk zijn geworden, dat „veelal juiste critiek", met name op punten, die fundamentele belangen raken, uit de aard der zaak ook de eindconclusie bepalen. Men kan geen verantwoordelijkheid dragen voor en invoering bevorderen van een kerkorde, welke naar zijn overtuiging met de aard en het wezen der kerk niet overeenkomt en haar welzijn niet dienen kan.

Stel voor — zegt de schrijver — dat het advies zou worden ingewilligd. Hij bedoelt : stel voor, dat het ontwerp eens niet de nodige stemmen haalt. Wat dan? „Wat zal dan de volgende poging moeten zijn om te komen tot reorganisatie der kerk?"

Dat nu lijkt heel veel op een verlegenheidsargument, dat mogelijk op sommigen indruk maken zal.

De sanering van het kerkelijk leven blijft intussen de zaak der kerk en het zou wel eens kunnen zijn, dat de kerk haar verlegenheid eerst recht leerde zien en tot in alle geledingen ontwaakte, om waarlijk zelf haar zaak aan te grijpen, als dit ontwerp werd afgestemd.

Wij achten het volstrekt niet wanhopig, als dit ontwerp zal vallen. Integendeel zou de kerk gelegenheid hebben om het eens rustiger en meer kerkelijk te ondernemen. Het heeft trouwens dezerzijds van den beginne aan waarlijk aan positief geluid niet ontbroken. Steeds werd gewaarschuwd tegen overhaasting en gewezen op de noodzakelijkheid, dat de kerk zelf aan bod zou komen en in de gelegenheid gesteld haar zaken ter hand te nemen. Herstel der grondvergaderingen in de eerste plaats, en deze grondvergaderingen stuksgewijze van trap tot trap tot bezinning en tot handelen doen komen. De wacht betrekken bij de toelating tot het ambt en allengs de voorname stukken ter tafel brengen, als belijdenis, liturgie, catechisatie-onderwijs, etc. om geleidelijk de sanering te bevorderen en tot een nieuwe kerkorde te geraken.

Die weg blijft nog altijd open.

De klok kan niet meer worden teruggezet, zo zegt men. Hoewel dit meer spreekwijze is dan argument, kan dit zeggen in dit verband al heel weinig zin hebben.

Het gaat n.l. niet in de eerste plaats over de veranderlijke dingen en over de vraagstukken, waarvoor onze tijd wordt geplaatst, en die ook de aandacht der kerk verdienen, maar het gaat over de belijdenis van het onveranderlijk, wijl goddelijk, fundament des geloofs, waarop de kerk staat, en over de regel des geloofs, waardoor zij bij de bezinning op de vragen des tijds alleen kan geleid worden, zo zij haar roeping zal vervullen en een pilaar der vastigheid zijn temidden van de branding der tijden.

Deze onveranderlijke fundamentele dingen vallen buiten de gewone orde en buiten de vergelijking van de klok, die terug gezet wordt.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VOORLICHTING ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's