De Puritein van de Hertenpolder
60
Karel vertelt, hoe hij in Ashoven dominé Monopool ontmoet heeft op een begrafenis. Daarom zag hij gaarne Janus in de kring der huisgenoten. Hij weet, dat Janus daar nogal interesse voor heeft.
— Op de deel heb ik een poos alleen gesproken met hem, zegt hij. Sommigen zeggen : de man Monopool, maar ik zeg zoals 't behoort: dominé Monopool. Laat hij, om zo te zeggen, de modder uit de polder nog aan de broek hebben.
Ik zeg, dominé, ik hoor, dat de mensen je graag horen. U is een goede spreker. Ik heb vaak over je gehoord als „ónze dominee", maar hoeveel mensen heb je in uw plaats al bekeerd ?
Hij zegt: Wat zou je zeggen, Karel, als ik het eens zei ?
Ik zeg : dominee, ik sta met 't antwoord gereed ! Ik zou zeggen, dan heb je 't verder gebracht dan Noach, die honderd twintig jaren aan de ark gebouwd heeft en dus aldoor gepredikt heeft van de toekomende dingen.
Maar het is waar, dominee, het is een vrij genadewerk des Heeren, zeg ik. Waar genade valt, daar valt ze vrij. Genade is onverdiend. Maar wat ik vind, dat jullie nog zo weinig die grote Koning roemen. De roem van mijn Koning moet uitgegalmd worden overal, en straks ook hier.
Hij gaf me een stevige handdruk en scheen mijn bedoeling te vatten.
Karel van Scheveningen praat even gemakkelijk met een dominee als met een bedelaar. Dat komt omdat hij God vreest met een diep ontzag.
Ik zeg : jij zult me niet in de hemel brengen en je zult me er niet uit houwe. Jij bent maar een instrument. De mensen hoeven heus niet zo ver met u weg te lopen. Dat zal toch hun zegen moeten wegnemen. Als ik bij uw mensen kom dan hebben ze 't maar over „onze dominee" en „onze kerk" en mijn Koning kennen ze niet en willen Hem niet kennen. Dat stemt mij droef. Hoe komt dit ?
Ja, vrouw Wiedeling, ik heb niet durven zeggen, dat het komt door dominee Monopool's zelfvertrouwen, waar hij zich te weinig van bewust is. Dit ijdele zelfvertrouwen beschouwt Philpot als een verhindering om godzalig te leven en vruchtbaar te prediken. Tedere, eerbiedige gewaarwordingen worden weldra beneveld. En indien we niet vroegtijdig te wapen staan en bij de eerste waarschuwing des Geestes zorgen nemen, wij weten niet hoe spoedig dezelfde oneerbiedigheid ons zal aankleven....
Een mens mocht zowel menen zijn aangezicht aan de wind te kunnen blootstellen, zonder zijn geblaas te gevoelen, als dat hij zijn consciëntie aan een oneerbiedige geest overgeeft en denken dat het geen nadelige gevolgen zal achterlaten.
Op deze momenten is Karel werkelijk ondier de indruk van de hoogheiligheid Gods en de dierbaarheid van de Naam van Jezus. Dan heeft hij geen zelfbedoelingen. Dan denkt Mia onwillekeurig aan de woorden, welke Christus sprak: Zalig zijn de reinen van hart, want ze zullen God zien. Hij heeft dan de eer van zijn Koning alleen op 't oog.
— Ik was daarnet bij Gison, zegt hij dan, maar hij spuwt op alle godsdienst. Wat een man is dat!! Ik heb maar gauw afgehandeld. Want wie een vriend der wereld wil zijn, wordt met recht een vijand Gods genaamd, nietwaar !
— Zo is het zeker. Ja, een vriend der wereld te zijn, betekent niet recht een vijand Gods te zijn. Maar ons getuigenis zullen ze moeten horen. En we kunnen ons er niet boven plaatsen, maar er altijd naast, want wie zijn wij in onze verdorven staat ? 't Is toch alles genade !
— Jezus at met tollenaren en zondaren. Karel, zegt Mia, maar dat doet Hij om hen te laten zien, dat Hij van een andere geest was. Hij verklaarde de inhoud van het beginsel Zijns Koninkrijks, dat niet van deze wereld is. Hij trok zondaren door de heerlijkheid van Zijn leven en door de macht van Zijne Waarheid.
— Ja, Mia, dat is recht gesproken, door de macht van Zijne Waarheid. Die macht overwint overal waar zij zich vestigt. Maar de macht van Zijn Waarheid gaat aan de verharde zondaar voorbij, daarom blijft hij in zijn zonde.
Moeder Wiedeling ziet op de klok.
Dan zegt ze : — Karel, het is je tijd jong.
— Ja ja, antwoordt hij, je hebt al vast gelijk
Hij staat op en telt de centen van de tafel. Ze tingelen in zijn linnen builtje, dat zeer goor geworden is van petroleum en van stof.
Dan scharrelt kreupele Karel naar z'n karretje. Dat is zijn inkomst. Met zijn petroleumkarretje is hij bij kind en grijsaard bekend. Het is zijn carrière. Die carrière houdt in van huis tot huis gaan en met de mensen een woord te spreken. Bij de één langer dan bij de andere. Hij heeft er zich vlot in gevonden. Hij was er de man voor.
Het zit hem wel dwars dat hij Janus niet gezien heeft. Het motief van zijn onderwerp is hij nog niet kwijt. Over dat karretje van Janus dat veelal in de sloot ligt zoals gezegd werd.
Karel had er een weefsel van gedachten omheen gebouwd en nu is zijn krop niet leeg. Maar hij heeft helemaal geen vermoeden dat Janus in huis is en toch zo even nog in de boomgaard en dan plots afwezig. Neen, het is hem raadselachtig en verward.
Dan is hij met z'n karretje op de grindweg en vrolijk gaat het dorpwaarts.
Janus heeft zich het dagelijks leven rondom zich niet gerealiseerd. Hij is het voorwerp geweest van eeuwig opzoekende liefde. Zijn leven is veranderd en zijn hart is vernieuwd. Hij leeft in de gunst van de Almachtige God, Die schrikkelijk toornt beide over de aangeboren en werkelijke zonden, maar bevredigd is door de besprenging van het Bloed des Lams. De eeuwige Zoon Gods, God uit God, Die mens werd uit de maagd Maria. De menselijke natuur aannam, en leed en stierf om de ganse gemeente des Ouden en Nieuwen Verbonds te bevrijden van dood en doem, door die wereldbeheersende woorden: Het is volbracht! Door deze woorden, bekroond door de opstanding uit de doden, heeft Christus getriumpheerd over alle vijanden van Gods Kerk.
Wat een menigvuldige vijanden, verwoed en opstandig, openlijk en bedekt. De tegenstrevers vele en ontelbaar, maar nietig, gezet tot de nederlaag ! Tot de absolute nederlaag! Zeker en onvoorwaardelijk! Maar Gods Kerk ontmoet de vijandschap en doorleeft die. Zij heeft een voortdurend strijdperk en een moeilijk leven.
Doch wat is de vrede groot, wanneer de Heere God van vrede spreekt. Dan is de satan terug gedeinsd voor de victorie van het geloof dat in de ziel is ingestort. Dit geloof, dat bergen verzet, dat de onmogelijkste dingen in enkele ogenblikken ziet gebeuren. Het geloof, dat voorafgaat aan Gods wonderdaden in de herschepping van de verloren mens.
De eenvoudigen in de lande, die geen grote dingen ooit hebben gezocht maar werden als de kinderkens om te mogen ingaan in dat eeuwig en gezegend Koninkrijk van Jezus Christus.
Mia's hart is wondervol. Nu gaat haar begeerte nergens méér naar uit, dan naar het woord van Janus, dat de bede van haar ziel zal beantwoorden. Mia is zo gerust, als de natuur rustig kan zijn, wanneer zij luistert naar de klanken van hogere hemelsferen.
Die geloven, haasten niet. Wél haasten zij zich, wanneer de behoeftige kinderen van God in nood zijn. maar als de Heere zelf werkt, dan mogen zij wachten, mogen zij rusten. Rusten in het vertrouwen, dat Hij nooit laat varen, wat Zijn hand begon.
Janus is in een ware tranenvloed uitgebroken. Wat hij niet durfde verwachten, is gebeurd. De Heere heeft zich in genade tot hem gewend met een overvloed van zegeningen in de Heere Jezus Christus. Zijn ongerechtigheid is verzoend, zijn zonden zijn zó ver weggedaan als 't West verwijderd is van 't Oosten. Hij wierp zijn ziel met volkomen gewilligheid in de handen van de Zaligmaker. Hij lag zo wenend aan Zijn voeten. Gods wil was de beste. Een zalige vreugde doorstroomde zijn geest. Hij wist bijna niet waar hij was, op de „Amazone" of op de „Reeënhof", in welks contreien hij zoveel gebeden heeft.
Of daar zijn eigen Moeder liep door de huiskamer of Tante Ger. Hij realiseerde het zich niet, want hij was met hemelse zaken vervuld.
Straks zouden de verborgenheden van Christus' kruis hem worden geopend. De Heere zou zeer goed voor hem zijn en hem een blijvend vertrouwen schenken in het Bloed des Kruises.
Moeder melkt met Mia de koeien. Ze praten niet veel met elkaar. Beiden zijn vervuld met gedachten over de afloop van Janus' zielestrijd.
Aan de avond klinkt er een nieuw geluid in de keuken. Janus vertelt met verheuging des harten de eindelijke overwinning van de Heere Jezus over de afkerigheid van zijn hart, dat vol met eigenwillige godsdienst was.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's