De Puritein van de Hertenpolder
61
XIII.
HET GROTE VERLANGEN.
De dagen welke nu volgen, zijn voor Janus overstraald met het licht der eeuwigheid. Hij herinnert zich de schone tijd, toen hij met Evert de appelen plukte in de oude boomgaard op de „Reeënhof".
Zoals Evert zich verlustigde in de schoonheid van Gods schepping en zelfs het boomblad en het grassprietje een taal tot hem sprak, waarin de lof Gods weerklonk, zo is voor Janus ook het boek der natuur geopend en ziet hij nu alles met andere ogen dan voorheen.
Hij is als 't ware in een andere wereld gekomen. Alles is met mildheid overtogen en de inbreuken der zonde ziet hij nu, zoals hij ze ook eerder nooit zag. Maar Gods schepping is zo groot.
Daar is nu niets op de wereld, of Christus zegt er van dat het 't Zijne is. Alles daalt van boven af, maar ook moet alles juichen tot Gods eer.
Als hij op een avond met Mia naar een goede kennis in het dorp op bezoek is, dan worden daar de deuren van een nieuwe wereld voor hem ontsloten.
Goof Slos heeft hen uitgenodigd; want zijn vrouw is nu enkele maanden weer op de been, nadat een kleine wereldburger onder hun dak het levenslicht aanschouwde.
Janus was de jongste bij z'n ouders. Hij wist wel wat kinderen waren, maar heeft er nooit zo van nabij in een bizondere gelegenheid mee kennis gemaakt.
Als hij vroeger bij de buurvrouw eens kwam, waar zo'n kleine was, maakte het vaak zulk een lawaai, dat horen en zien hem verging en scheen het hem niet aanlokkelijk toe. En dit kindergeschreeuw gaf hem vreemde gewaarwordingen.
Maar de vreugde, die hij bij deze mensen op de gezichten leest, doet hem iets geheel anders vermoeden. Hij is zeer nieuwsgierig naar het kleine mensje, dat in het satijn allerlei lieve geluidjes maakt.
— Ja, praat de Moeder, nog tien minuten, schat, dan is het jouw beurt weer.
Janus hoort maar half naar de worden van Slos. Hij kijkt naar de wieg. De kleine werkt met zijn handjes en vangt naar het witte gordijntje.
Goof Slos, die voorzitter is van de Jongelingsvereniging, informeert bij Janus of hij ook nog naar de J.V. gegaan heeft. Dan wordt Janus opeens opgewekt uit z'n bewondering voor het kind.
— Ja, daor hé k zes jaor trouw heen gegaon.
— Sommige mensen b.v. in het kamp van de Monopolen menen, dat het niet wat is, wat denk jij er van?
— Noe, dan blief ik mer kortbie huus. Naor mien gedachte is ut Schriftonderzeuk onder degelukke leiding nooit of te keuren. Bie eige onderviending weet ik, dat ut mien zodaonig onder beslag had, dat mien voetstappen ur naor gericht wieren. Je weet, wat een kritieke jaoren, zestien, zeuvetien, achttien jaor bin. Uut de bespreking van 't Boek Prediker kwam ut gezag van sommige gedeelten mien leve heheerse, zodat ik kenneluk bin bewaord van beruchte paoije.
Onder aandere hen dèse woorden uut Prediker 11 mien veul te zeggen gehad: Verblijdt u, o jongeling! in uw jeugd en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer ogen; maar weet. dat God om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht.
We hadden een Godvrezende veurzitter. Hij gaf richtlijnen uut de bouwstoffen van ut Woord. Allen hadden een geboren ruspect veur hum. Die kwammen om lol te maoken, bleve zeutjes aon weer weg.
Ook is 't een oefenschool veur me geweest, um zelfstaandig de Karkgeschiedenis te onder zeuken. Zo kreeg ik an dacht voor bepaolde pursoonlukheden, bieveurbeeld, um ur één te neumen, Herman Modet.
Wat het ik een belangstelling en veurliefde veur die man gekrege, daor ik eerder nooit van gebeurd had. 'k Hé gewild dâ 'k ók zo'n man moch worre.
Slos glimlacht.
— Ik kan t' me indenken, zegt hij. Dus de J.V. staat bij jou wel in een goed blaadje?
— Jazeker, zoas ik gezeit het. Je het minse die willen vroom en aarg gereformeerd weze, mer dâ bestaot nie um de jonges strek onder de baand te houwe, nie naor de J.V., nie naor de conversaosie. Dâ doet meer kwaod dan goed. Wat beters is, ze te leren, deur woord en veurbeeld, wat ut rechte leve is. Calvijn had van kindsbeen een heilige eerbied voor het hoge Wezen, umdâ ie z'n Moeder daorin bezig von, die 'm van de Heere onderrichtte.
Mer gemaokte godsdienstigheid in wat uuterlukheden kan nooit geen ruspect ofdwingen. Dit mag nie en dát kan ók nie. 't Gao um de achting veur ut leve, die eén gevolg is van die eerbied veur God.
— Ik heb dit duidelijk geïllustreerd gezien bij een gezin in mijn vorige woonplaats, verduidelijkt Slos. Daar woonde een vrome ouderling van een aparte kerk of kerkje, zoals je wilt. Hij stond aan 't hoofd van een dertig mensen, daar. Hij was vader van een jongen en een meisje. Maar beiden zijn ondergegaan in de stroom van geestelijke dwingelandij. De vader baande een pad voor zijn kroost, dat zij nauwkeurig moesten gaan en zij ontbeerden daarbij de gewone genoegens van het jónge leven. Het meisje was als een schone bloem, die fris ontloken is, maar op het enge, afgebakend pad raakte ze aan 't mijmeren. Zij begon te kniezen wegens het gemis van de jonge levensvreugde, waarnaar haar jeugdig hart hartstochtelijk haakte. Gaarne zou zij met een vriendin uit de buurt willen gaan wandelen, maar 't mocht niet. Ze zou graag enkele handwerken hebben geleerd, maar vader achtte 't niet nodig. Ze zou graag enkele boeken willen bezitten over bloemen en planten, maar dat was helemaal ongerijmd. Vader gaf ze Smijtegelt en nog een oude schrijver.
Nu was dit geen bezwaar, maar bij deze geschriften wenste zij ook de hare. Zij was helemaal niet weigerachtig om naar het wekelijks preeklezen te gaan met vader, moeder en broer. Maar het dwangjuk drukte haar te zwaar op de schouder. Ze ging neerslachtig worden, want de gezonde levensuiting werd in haar gefnuikt. Dat is zó erg geworden met haar, dat zij nu geestelijk ingestort is. Zij doet vreemd in haar manieren en is mensenschuw........
— Vindt je dat niet vreselijk, Janus? interrumpeert Mia, die 't laatste gedeelte van Slos' betoog beluisterd heeft.
— Ja dat is ârg! Zoiets heb ik nog niet gebeurd. Wel het ik van een knul us heuren vertelle dat hie mit zo'n meisje van dat soort minse us een wandeling maokte. Zie was aarg veur de Sabbatsheiliging en veur de waorheid. Ze was fien, um zo te zeggen. Mer wà die knul ók gewaor wier was, dâ dâ deerntie wel fien was, mer mit een grof hemd.
Dâ dunkt mien miseraobel en acht ik vrucht van een aoverechtse opvoeding. Wat is de gezonde geest der Reformaosie veer terug geweken. Dat farizese: raok nie en smaok nie en reur nie ân, is uut de boze. Dâ hei-je as ur godsdienst gemaókt wor en d'r gien geleuf en vreze Gods is.
Gelukkig awwe dáór van vurlost bin van dat godsdienst maoken.
— Zeg dat wel, Veldstroo! Wat krijg je anders een armetierig gedoe. De profeet komt dat onder oud Israël meermalen te bestraffen. Uw sabbatten en verbodsdagen mag Ik niet rieken, zegt de Heere.
Waar de vreze des Heeren gevonden wordt is alles eenvoudig en ook waar. Dan behoeven we onze kinderen en de jonge mensen niet op een eng pad te drijven. Daaruit wordt de reactie geboren tegen de godsdienst. Ze breken uit in ongetemde vijandschap of worden gesloten voor alle menselijkheid. Het kunnen worden beestmensen en spotters van de ergste soort.
Hoe goed en profijtelijk is de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader, het bezoeken van wezen en weduwen in hun alleen zijn en verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld. Het komt maar op de gezindheid aan. Dwingen kan hier nooit baten. Het gebed in de eenzaamheid zal de kinderen bekeren.
De onderwijzer Slos spreekt uit overtuiging. Hij weet, dat zijn collega's zitten in een diepe fauteuil met een Havanna-sigaar en genieten van de tingelende radio en denken: laten de boeren maar dorsen, als hij op pad is naar deze of gene, achter in de polder.
Hij weet dat ze menen, als christelijke onderwijzers, een beetje om hem te mogen glimlachen.
Zal dat soort christendom straks niet gebeukt worden met de beproeving van zware slagzeeën? Als daar 't vuur van vervolging of geweld wat dichtbij komt, omdat God 't moede is, zal het dan niet verschroeien als een dorre stoppel?
Hij weet, dat 't leven méér vraagt. Dat 't niet evenveel is, hoe men zijn vrije tijd benut. Is alle tijd niet van God opgevorderd? Hetzij toch dat gij eet of drinkt, of iets anders doet — staat er geschreven — doet het al ter ere Gods.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's