Zalige wetenschap
„Want de wijsheid is tot een schaduw en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft". Prediker 7 vers 12.
Wanneer we deze tekst lezen, dan zou de eerste indruk kunnen zijn, dat hier bedoeld wordt dat zich zowel aan de wijsheid als aan het geld, een schaduwzijde bevindt.
Als vanzelf denken we aan de woorden, dat de kennis opgeblazen maakt en dat geldgierigheid de wortel is van alle kwaad. En inderdaad, die gevaren zijn bij beide aanwezig.
Toch hebben we daar in onze tekst niet aan te denken. Het gaat hier niet over de bezwarende kant van wijsheid en geld, maar juist over de zegen, die in beide gelegen kan zijn.
Het woord schaduw wil meer zeggen, dan alleen de donkere zijde van een zaak. Het wordt ook gebruikt in gunstige zin, in de betekenis van verkwikking. Denk aan Jona's wonderboom, denk ook aan de vreugde, waar mee de Israëlieten hun Elim begroet hebben, met de zeventig palmbomen en de twaalf waterfonteinen. Voorts lezen we in Psalm 121: „de Heere is uw schaduw aan uw rechterhand".
Welnu, zo moet nu het woord schaduw ook opgevat worden in onze tekst.
Niet als een bezwaar, maar als een zegen. Als een schaduw tot verkwikking. En die wordt hier toegeschreven aan de wijsheid en ook aan het geld. Ja, ook het geld, waar toch zoveel gevaren aan verbonden zijn. Ook aan het geld, waardoor zoveel misdaden ontstaan zijn. Dat kwaad en dat gevaar schuilt immers niet in het geld, maar in het misbruik ervan.
Was Abraham niet rijk, en Job en Salomo? Was dat geen zegen des Heeren?
Het geld is tot een schaduw.
Salomo, die deze woorden wellicht geschreven heeft, had er de verkwikking van ondervonden. Het biedt beschutting tegen de zonnesteek van de armoede en de ontbering.
Het geld is tot een schaduw, gezien als gave Gods. „Mijns is het goud en het zilver", zegt de Heere. Wij hebben er slechts het vruchtgebruik van.
Het geld biedt schaduw, maar zijn invloed is beperkt. Evenmin als men zich kan vastklemmen aan een schaduw, biedt het geld steun in de ure des doods aan hen. die daarop hun betrouwen stellen. Met geld kan men veel kopen, maar geén geluk en geen vrede in het hart. Zijn invloed reikt niet verder dan tot aan het graf, en het is een dwaas, die er zijn vertrouwen op stelt.
Maar toch, het geld is tot een schaduw, gezien als geschenk Gods.
Als een ondergeschikt iets.
De wijsheid is tot een schaduw en het geld is tot een schaduw.
Daar staan ze beide naast elkaar.
De zegen van het bezit hebben we u reeds genoemd, maar nu wordt hetzelfde gezegd van de wijsheid. Alleen wordt daarbij gevoegd, dat de wijsheid het bezit overtreft.
Dat is zeker iemand geweest, die dat neerschreef, denkt ge misschien, die weinig met aardse goederen is bedeeld geweest, maar zich mocht verheugen in een groot verstand.
Maar als we dan bedenken, dat het koning Salomo was, dan kunnen we dat niet volhouden. Deze bezat zowel rijkdom als wijsheid en kon dus uit ervaring spreken, toen hij neerschreef, dat de wijsheid uitnemender is dan de rijkdom.
Bovendien is het geen mensenwoord, maar Gods Woord.
Wijsheid is beter dan kracht.
Wijsheid is ook beter dan geld.
Ouders hebben meer reden zich te verheugen, wanneer hun kinderen een helder verstand hebben, dan dat zij hun kinderen een groot vermogen kunnen nalaten. Zo heeft dit woord dus ook ten opzichte van het dagelijks leven een leerrijke inhoud, maar daarmee is de tekst zeker niet uitgeput.
We hebben hier vooral te denken aan die wetenschap, waarvan het beginsel de vreze des Heeren is. Juist die wijsheid reikt veel verder met zijn schaduw, dan het geld. Immers geld en goed zijn alleen berekend op dit leven. Verder reikt hun invloed niet. En ook dan biedt het nog slechts ten dele schaduw. Maar de ware wijsheid biedt schaduw ook voor het hiernamaals.
Het geldt biedt schaduw alleen voor het lichaam. De ware wijsheid ook voor de ziel. De heerlijkheid der wijsheid steekt zover boven de heerlijkheid van het geld uit, als het leven boven de dood.
De uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.
Maar is het dan zo, dat men door studie tot het eeuwige leven kan komen? Is dat dan een kwestie van kennis en ontwikkeling?
Neen, maar we zagen zoëven al, dat we hier te doen hebben met een hogere wetenschap. Dat is geen wijsheid die we op school leren, maar die de Heere Zijn kinderen wil openbaren. Door middel van Zijn Woord wil God ons leren, wie wij tegenover Hem zijn en wie Hij voor ons is. Door Zijn heilige Wet ontstaat de kennis van onze ellende. Daardoor komen we tot de noodzakelijke kennis, dat we met al het onze, niet voor God bestaan kunnen en ontstaat de vraag: „hoe word ik rechtvaardig voor God?"
Waar dat inzicht ontstaat, dat al het aardse, ook de grootste rijkdom, hierin niet voorzien kan, daar komt ook de begeerte naar die kennis, hoe we met God verzoend worden. Maar tot die kennis kunnen we onszelf niet opwerken. Dat kan door de grootste inspanning niet bereikt worden. Doch deze wijsheid wordt door God zelf geschonken, en wel in Zijn Zoon, Jezus Christus. Daarvan zegt Paulus: „die ons geschonken is van God tot wijsheid".
Daar ligt tegelijk de sleutel van onze tekst. De uitnemendheid der wetenschap was, dat de wijsheid zijn bezitters het leven geeft. Dat doet toch immers de aardse wijsheid niet. Die mag ook het leven verrijken en schaduw geven, maar het leven géven, dat is uitgesloten. En met minder dan het leven kan iemand, die zich zijn doodsstaat bewust is, niet toe. Hij moet een antwoord op de vraag: „hoe kan ik voor God bestaan?"
Niet, hoe kom ik door het leven, maar hoe kom ik er uit.
En nu mogen wij hier het antwoord vernemen, n.l. dat de wijsheid, die Jezus Christus is, zijn bezitters het leven geeft.
Is er iets denkbaar, dat heerlijker is? Dat waar alles hier op aarde uitloopt op de dood, er nu door de Heere een middel aangewezen wordt om tot in eeuwigheid te leven?
Voelt ge nu de uitnemendheid van de wijsheid boven het bezit en de rijkdom?
Wat trekt u nu het meest?
De wijsheid is tot een schaduw en het geld is tot een schaduw, maar de schaduw der wijsheid is als een kapitaal, dat eeuwig rente geeft en aan geen inflatie onderhevig is.
Dat houdt zijn waarde.
Ik zou wensen uw belangstelling voor die wijsheid te hebben opgewekt, zodat het u ging als de Samaritaanse vrouw, die, toen de Heiland haar het levende water aanprees, zeide: „geef mij van dat water". Dat het ook in uw hart leefde: „O, dat ik deel mocht hebben aan die wijsheid, die zijn bezitters het leven geeft".
Degenen, die de rust en de troost van die schaduw der wijsheid hebben ondervonden, kunnen er niet van zwijgen. Luister maar: „die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen".
Wat breidt de Heiland Zijn zegenrijke schaduw ver uit. Wie Hem vindt, die heeft het leven en trekt een welgevallen van de Heere. Hij is de ware wijsheid, die ons leert, wat het doel is van ons leven. Niet het zitten in de schaduw van het geld alleen. Niet het altoos bezig zijn met het brood, dat vergaat, maar oog hebben voor het levende brood, dat uit de hemel gedaald is.
God heeft Zijn Zoon gezonden tot wijsheid. Tot wijsheid in onze geestelijke dwaasheid. Hij, die de heerlijkheid verlaten heeft, die Hij bij de Vader had, is neergekomen om ons de wil Gods aangaande onze verlossing te openbaren. Om onze blinde zielsogen te openen en verlichte ogen des verstands te geven.
Wat een geschenk aan een wereld, die daar niet om vroeg. Het is „ver boven goud en zilver en wat meest de mens bekoort".
Christus heeft ons getoond, wie wij zijn in onszelf. Onmachtig om onszelf op te heffen en te verlossen.
Zijn komst in het vlees deed ons zien dat het, buiten Hem, onmogelijk was om behouden te worden. Maar ook heeft Christus Jezus geleerd, wie Hij voor zulke verlorenen zijn wil. Dat Hij zichzelf beschikbaar heeft gesteld om in hun plaats het dal van de doodsschaduw door te gaan, opdat zij het leven zouden hebben. Dat zij zouden schuilen in de schaduw van het kruis.
Wat is er heerlijker voor een ontrust gemoed, dan Christus te zien oprijzen in het Evangelie, met in Zijn hand het blinkend kleed der gerechtigheid, dat de zondaar tot een rechtvaardige voor God maakt?
Wat een rijkdom is daar gelegen in die Opperste Wijsheid, die de Zijnen het leven geeft.
Hoe komen we daar nu aan?
Is die wijsheid te koop? Voor ons ganse bezit niet.
Hoe dan?
Die wijsheid is te bekomen door ieder, die alles van minder belang leerde achten, vergeleken met de rijkdom, die daarin gelegen is. Die hun eigen dwaasheid en onverstand hebben opgemerkt. Die dit leerden belijden als de dichter: „geef mij verstand, met goddelijk licht bestraald" en „dat Uw Geest mij ware wijsheid leer'".
Deze wijsheid is voor mensen, die het zelf niet meer weten en de Heere vragen om geleerd te worden. Voor hen, die niets hebben aan te bieden, maar met ledige handen tot Christus gaan en in Hem zien de enige ware wijsheid, die ons van God geschonken is tot een volkomen verlossing. Voor hen, die als leerjongeren van Christus zich door Zijn Woord laten onderrichten en vragen: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal"?
Ook van deze tekst geldt het: „Zo iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, die mildelijk geeft en niet verwijt".
De wijsheid is tot een schaduw en het geld is tot een schaduw, maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid hare bezitters het leven geeft.
Zalige wetenschap!
Bodegraven.
H. ROELOFSEN
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's