De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vorm en Inhoud

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vorm en Inhoud

9 minuten leestijd

„Alleen dr. Berkhof waagt het nog, zich te mengen in de discussie over het „Schriftgezag", zo meldt de inhoudsopgave van „In de Waagschaal", in het overigens „wat luchtiger" nummer voor de vacantie. (dd. 21 Juli 1950).

Dr. Berkhof begint met op te merken, dat het door de Hervormde Synode uitgegeven boekje „Fundamenten en Perspectieven van Belijden" blijkbaar het Schriftgezag niet tot de fundamenten van het geloof der Kerk rekent. De geachte auteur wil daartegen geen bezwaar maken, want hij schijnt het daarmede wel eens te zijn. Hij schrijft: „op de weg der geloofsbevinding is de erkentenis van de Schrift als het Woord Gods niet een eerste, maar een laatste belijdenis. Het geloof begint bij de inhoud en eindigt bij de vorm".

Wij zouden hieruit mogen opmaken, dat het Schriftgezag dan een plaats zal innemen onder de „perspectieven". Hoewel daarover in het genoemde geschriftje van de Synode weinig of niets te vinden is, wil dr. Berkhof het stilzwijgen over deze zaak als stichtelijk aanprijzen en in die zin verklaren.

Hij wil van de inhoud tot de vorm komen. „Men kan zich wel met veel ophef in allerlei acties en congressen verenigen op de Heilige Schrift als Gods onfeilbaar Woord", maar daarmede is geen inhoudelijke geestesgemeenschap meer aangeduid".

„Evenmin is 't mogelijk de tegenstanders, in dit geval hen, die op een of andere wijze het recht der historische kritiek erkennen, op één noemer te brengen".

„De ware scheiding der geesten, de scheiding des Geestes, wordt nu eenmaal vanuit de inhoud der Schrift voltrokken, en niet vanuit de opvatting der Schrift-als-vorm. Met het laatste richten we bordcartonnen façade's op. Het gaat niet om de vraag: Wat dunkt u van de Christus? Wat dunkt u van God? Wat dunkt u van uzelf? Wat dunkt u van wat er in die Schrift staat? Alleen door hiernaar te vragen (zoals o.a. „Fundamenten en Perspectieven" beoogt) wordt op geestelijke wijze verzamelen geblazen, wordt het verwante tezamen gebracht en het tegengestelde gescheiden".

Dr. Berkhof maakt onderscheid tussen vorm en inhoud. „De Schrift is de vorm, waarin de Openbaring (de inhoud) tot ons komt", zegt hij. „Evenals vorm en inhoud, zijn Schrift en Openbaring ongescheiden onderscheiden". „Daarmede is tevens gezegd, dat de Schrift niet als zodanig en in zichzelf gezag bezit, maar, omdat ze de vorm van deze inhoud is".

Dit bedoelt klaarblijkelijk uitleg en toelichting te zijn van de door hem geprezen formule van Barth, die de verhouding tussen Gods Woord en de Schrift omschrijft als „indirecte identiteit". Wij laten de vraag rusten, of dit eigenlijk wel kan. Dialectisch kan men zulke dingen zeggen).

Als wij echter op de onderscheiding vórm en inhoud letten, dringt de vraag zich bij ons op, of dr. Berkhof en degenen, die het met hem eens zijn, zich niet schuldig maken aan een onjuiste voorstelling, waarvan zij de verdedigers der orthodoxie betichten of verdenken.

Vorm en inhoud worden hier, ondanks het beweren der ongescheidenheid, toch zover uit elkander gezet, dat de voorstelling wordt gewekt aan een vat met zijn inhoud, als twee gans onderscheidene substanties. Het vat is niets zonder de inhoud, de inhoud is alles.

„Immers de Schrift is de vórm, waarin de Openbaring tot ons komt". Anderen spreken van distantie tussen Gods Woord en de Heilige Schrift.

Inderdaad is de onderscheiding van dr. Berkhof veel fijner van aard. Hij spreekt van „het geloof, dat het Woord Gods in, met en onder deze mensenwoorden der Schrift heeft gehoord en van geen scheiding weten wil".

Vorm en inhoud worden alsdan onderscheiden als mensenwoorden en Gods Woord. Naar de inhoud is de Schrift Gods Woord, naar de vorm mensenwoord. Op die wijze schijnt de indirecte indentiteit te worden opgevat.

Deze opvatting is in ieder geval verheven boven de platvloerse en op zich zelf ongegronde redenering, welke bij de Schrift allereerst aan papier en inkt denkt, om vervolgens op de ongerijmdheid te wijzen, als iemand de Schrift voor Gods Woord houdt. Het ligt toch voor de hand, dat de ongerijmdheid aan de andere kant valt, omdat niemand bij Schrift allereerst aan het schrijfmateriaal denkt, maar aan hetgeen geschreven wordt.

Schrift is geschreven Woord. Het geloof houdt de Schrift voor het geschreven Woord Gods. Dat Woord Gods is voor de mens bestemd. Het is Gods Woord voor de mens. Is het nu vreemd, dat het in mensentaal tot ons komt? En blijft het niet Gods Woord, omdat het in de gestalte van „mensenwoorden" gegeven is, tot de mens in de taal van de mens spreekt?

Schrift is geschreven woord. Het eerste is altijd weer, dat schrift woord is. En als het overgeschreven of vertaald wordt, blijft het toch altijd datzelfde woord, ook al kan het bij het overschrijven en bij het vertalen verminkt worden. Het blijft het woord van hem, die het gesproken heeft.

Het geloof nu houdt de Schrift voor het geschreven Woord Gods.

Wat de vorm aangaat, is het a priori dui­delijk, dat het over de vorm van het Woord gaat, niet over de vorm van het schrift of het schrijfmateriaal. Dit laatste betreft de techniek van de schrijf kunst.

Terloops zij opgemerkt, dat wij nooit over Gods Woord kunnen spreken dan in, met en onder mensenwoorden, om de eenvoudige reden, dat wij mensen zijn en niet God. Dankzij de gave der taal, kunnen wij — ook al weer naar de wijze van de mens — denken, dat God, die de mens rede- en spraakvermogen heeft geschonken, ook op een voor de mens onverstaanbare, goddelijke wijze kan spreken. Wij kunnen dat denken en zelfs geloven, dat het zo is, omdat de Schrift zegt: zou Hij, die het oor geplant heeft, niet horen?

Zo kunnen wij vragen: Zou Hij, die de taal geschapen heeft, niet spreken?

Geen mens echter zou van die goddelijke taal iets weten of verstaan, tenzij God, hetgeen Hij de mens zeggen wil, op menselijke wijze wil zeggen. Maar als Hij dat doet, blijft het toch Zijn goddelijk Woord, hoewel de vorm menselijk is.

Voor het geloof is er geeni kwestie van vorm en inhoud. Het houdt de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments voor goddelijke Schriftuur, (Vgl. de Ned. Geloofsbelijdenis, art. 2-7) en de Heilige Geest voor haar Auteur.

Het geloof omhelst in de Schrift niet alleen het getuigenis van de werken Gods, maar de Schrift is ook een werk Gods.

Dr. Berkhof drukt zich in dit verband wel heel voorzichtig uit: „De Schrift ontleent haar gezag aan wat er in staat, aan de werken Gods, waarvan ze ons verslag uitbrengt, en die door haar woordenkeus met zulk een kracht op ons afkomen, dat wij geloven, weten, ervaren, dat ook deze mensenwoorden onder de zeer bijzondere zorg van de Heilige Geest staan. (Wat wij inspiratie noemen)".

Die „bijzondere zorg van de Heilige Geest" is wel heel voorzichtig uitgedrukt, en schijnt wel iets achter te blijven bij het auteurschap. Dr. B. beweegt zich daarbij reeds enigszins op het terrein der theologie, de bezinning, het terrein, dat niet meer tot de kerk, maar tot de school zou behoren. Hij bedoelt in dat verband de bezinning op inhoud en vorm, op de verhouding van Gods Woord — mensenwoord, proces van inscripturatie, aard der inspiratie.

Deze onderscheiding heeft blijkbaar inzonderheid betrekking op de theologische ontwikkeling omtrent het Schriftprobleem. Zij geeft dr. B. zelfs aanleiding om een scheiding te maken tussen Kerk en School, waarover nog wel het een en ander te zeggen valt. De theologie kan ongetwijfeld een schoolse vorm aannemen, welke zich ook naar de inhoud verwijdert van het geloof. Theologische hulpvakken kunnen zich zelfs heel ver van het centrum verwijderen en naar inhoud en methode een niet-theologisch karakter dragen.

Theologie echter, welke theologie mag heten, is krachtens haar confessionele bepaaldheid, wetenschap des geloofs, zijnde wetenschap der openbaring. Zulk een theologie kan men niet buiten de kerk zetten, want zij komt uit het geloof der kerk op. Zulk een theologie stelt zich op het standpunt des geloofs. Zij aanvaardt de belijdenis omtrent de Heilige Schrift als Waarheid Gods axiomatisch.

Het feit, dat theologen in onze tijd weigeren dit axiomatisch te stellen, is nog volstrekt geen bewijs tegen de juistheid daarvan.

Daarom zijn wij het niet eens met dr. B., als hij beweert: Op de weg der geloofsbevinding is de erkentenis van de Schrift als het Woord Gods niet een eerste, maar een laatste belijdenis. Wij menen daarentegen, dat de geloofsbevinding geloofsbevinding is, omdat zij de goddelijke kracht des Woords gevoelt, onder het beslag van het goddelijk gezag der Schrift komt en daarin rust vindt.

Het geloof philosofeert niet over inhoud en vorm, over inspiratie en inscripturatie. Dat wil niet zeggen, dat de gedachten van de gelovigen in die richting niet kunnen gaan, dat het geloof geen vragen kent, en dat er voor de theoloog geen vragen zijn.

Ten aanzien van de hier in het geding gebrachte vragen echter, kan het verstand weinig uitrichten tot oplossing. Hier is een onderscheiding van kerk en school niet ongerijmd. Vergeefs echter verwacht men uitkomst van de school, juist, omdat alleen het geloof de Heilige Schrift als Gods Woord kan omhelzen en daarin rust vinden.

Calvijn heeft dan ook niet ten onrechte opgemerkt, dat het hier een aangelegenheid geldt, welke buiten de gewone orde staat en dat hier met redebewijzen niets te bereiken valt, noch voor, noch tegen het geloof.

De inspiratie is een goddelijk werk, dat wij evenmin vermogen te doorgronden als enig goddelijk werk.

Wie zal de weg Gods naspeuren in het werk Zijner openbaring aan mensen en door mensen, en wie zal die weg nagaan in het hart der gelovigen, wijl Hij, zoals Calvijn opmerkt, altijd gezorgd heeft dat er mensen Waren, die Zijn Woord hebben aangenomen en bewaard? Openbaring en onderhouding van een gemeente, groot of klein, die gelooft en de openbaring bewaart, zijn in het werk Gods innerlijk verbonden. Profetie en profetische traditie door het geloof zijn in het werk Van de Heilige Geest correlaat werkzaam. Zo kan er ook sprake zijn van een geloof, dat den heiligen is overgeleverd. (Judas: 3).

Het aannemen en bewaren van het Woord Gods door het geloof is niet minder een werk van de Heilige Geest als de profetische openbaring en de profetische prediking.

Het geloof ervaart de goddelijke kracht der Heilige Schrift en ontvangt haar als Gods Waarheid. Daarom belijdt het met de kerk der eeuwen, dat de Bijbel Gods Woord is.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Vorm en Inhoud

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's