HOE IS DIT?
Is de na-oorlogse mens anders? Anders dan de voor-oorlogse? Kan men van een na-oorlogse mens spreken ?
Is deze b.v. zo zeer anders, dat het oude Evangelie voor hem niet meer geschikt is?
Deze en dergelijke vragen komen voort onder jonge mensen en het kan wellicht zijn nut hebben zulke vragen eens onder de ogen te zien.
Om daarmede te beginnen, het anders-zijn van de na-oorlogse mens bestaat o. i. voor een niet gering deel in de verbeelding. Wij bedoelen daarmede, zoals blijken zal, allerminst een blaam te leggen op de jonge mensen. Het is eenmaal een algemeen feit, dat de moderne mens onder de ban van zijn eigen verbeelding leeft. De negentiende eeuw heeft omtrent de mens verschillende leringen gepropageerd, die inderdaad meer waren ingegeven door verbeelding dan door ware mensenkennis.
De negentiende-eeuwse philosophie heeft daarop geen geringe invloed uitgeoefend.
Wij wijzen op de leer van de Koningsberger wijsgeer Emanuël Kant, die een z.g.n. onafhankelijke moraal aanprees. Deze leer komt bij hem niet zo maar uit de lucht vallen, maar heeft haar voorgeschiedenis reeds vroeger in de werken van de Engelse moralisten, die werden geleid door een streven om een zelfstandige wortel voor de zedekunde te ontdekken.
Wij gevoelen misschien, dat hier een tegenstelling ligt met de reformatorische leer, die het zedelijk leven onmiddellijk in verband stelt met de religie. In de religie wortelt de ethiek en in de godsvrucht ligt de kracht van het zedelijk leven.
Deze leer gaat ook uit van het geloof, dat de Heere God ons Zijn wet heeft gegeven, opdat wij Zijn wil zouden kennen en door de betrachting van Zijn geboden tot de ware godsdienst zouden komen. Dit betekent dus ook, dat het oog des Heeren over ons aardse leven gaat en dat wij ons naar Zijn geboden hebben te richten. Niet, alsof wij daardoor Gode welgevallig zouden zijn, maar, opdat wij ons zelf zouden leren kennen in het licht van Zijn Woord en tot kennis Zijner genade en barmhartigheid, welke Hij in Zijn Christus heeft geopenbaard, zouden geraken.
In de zestiende en de zeventiende eeuw zijn er intussen reeds stemmen opgegaan van mensen, die beweerden, dat God zich met onze alledaagse menselijke zaken en zorgen niet bemoeit. De godsdienst zou alleen op de hemelse dingen en op de zaligheid betrekking hebben. De mensen, die zo oordeelden, werden Libertijnen genoemd.
Zulke redeneringen hangen ook weer samen met wat men noemt het Godsbegrip. Een God, die zich met de aardse aangelegenheden niet inlaat, een God van verre, hoog boven deze wereld verheven, met eenzijdige nadruk op Zijn geheel anders-zijn. Deze God zou de wereld geschapen hebben, als een machine in gang gezet en aan zichzelf overgelaten hebben. (Een deus ex machina). Men vat deze voorstellingen tezamen onder de naar deïsme. Dit deïsme nu won in libertijnse kringen in de zeventiende en achttiende eeuw steeds meer veld. Het kan duidelijk zijn, dat zulk een denkwijze tot een z.g. onafhankelijke moraal moest voeren.
In beginsel werd de mens als een autonoom wezen voorgesteld, die zich zelf een wet is, zijn wet in zich zelf heeft, zich naar zijn eigen wet gedraagt. Onder invloed van het opkomend naturalisme en van z.g. natuurwetenschappelijke beschouwingen en methoden, werden zulke denkbeelden schier algemeen en op verschillende levensterreinen toegepast. De mens hield zich zelf voor een autonoom wezen, te midden van velerlei autonome objecten; wetenschap, kunst, religie, oeconomie, alles werd autonoom verklaard.
Het zou te bezwaarlijk worden voor velen onzer lezers, om deze dingen en de gevolgen daarvan voor het cultuurleven breder na te gaan, maar wel zal men begrijpen, dat zo'n gedachtenwereld geheel verschilt van de visie des geloofs, welke alle dingen ziet in het licht van Gods Woord en onder Zijn scheppende, onderhoudende en regerende almachtige hand.
Een zo mogelijk nog noodlottiger invloed heeft een andere wijsgeer uitgeoefend op het cultuurleven van de negentiende eeuw: n.l. Hegel. Niet alleen heeft zijn leer de stoot gegeven tot die ener natuurlijke evolutie, welke leer het denken schier algemeen zou gaan beheersen met miskenning van en tot schade van de Schriftuurlijke leer der schepping. Maar zijn wijsbegeerte heeft de hoogmoed van de mens buitengewoon gesterkt, die zich zelf verbeeldde God te zijn. „De mens een God in het diepst van zijn gedachten".
Wij zijn nog lang niet aan het einde van de gedachten te tekenen, die invloed hebben ge!had en heerschappij hebben genomen over de negentiende-eeuwse mens. Doch de genoemde complexen zijn voldoende om te doen verstaan, welk een brede kloof het moderne cultuurleven scheidde van de reformatorische eeuw. En ook deze gedachten-complexen zijn lang te voren voorbereid in de ontwikkeling van het moderne denken. En hoewel wij voornamelijk twee grote Duitse wijsgeren hébben genoemd, kan men van deze revolutie de andere Westerse volken niet uitsluiten. Zij hebben hun deel bijgedragen in denkwijzen, waarvan de Franse Revolutie mede een vrucht is geweest en waarop de negentiende eeuw heeft voortgebouwd.
Veel is er over de verachtering van het kerkelijk en godsdienstig leven gesproken als ontrouw aan het traditioneel geloof, en niet zonder redenen, doch in de boven gegeven schets, schoon nog slechts even aangestipt, ziet men de andere kant, n.l. de invloeden, die op de mensen zijn uitgegaan. Zij kunnen een beeld geven van de verterende krachten, die het zedelijke en geestelijke leven hebben aangegrepen en het cultuurleven in staat van ontbinding hebben gebracht.
Kan dit reeds genoeg zijn om te rechtvaardigen, dat wij van verbeelding hebben gesproken ? Of is het geen verbeelding, als de mens zich God waant te zijn. Is het geen zelfmisleiding, als hij meent zijn eigen leven te leven ?
Dienovereenkomstig heeft hij gemeend, zijn eigen geschiedenis te kunnen maken en gedroomd van een paradijs op aarde, dat hij zich zelf zou verwerven.
Europa, dat de erfenis van het classieke heidendom heeft gekerstend en zijn cultuurkracht zag vernieuwd en gelouterd door de vitale kracht van de Christelijke religie, stond aan de spits van het cultuurleven en hield de heerschappij over de wereld vast. Ondanks het feit, dat de symptomen der ontbinding voor het scherp ziend oog niet meer verborgen waren en het uithollingsproces van het moderne cultuurleven in sneller tempo voortschreed, scheen het nog in de aanvang dezer eeuw, dat het hoogtepunt niet was bereikt. Naar menselijk oordeel zou een zedelijke en geestelijke herbewapening het verval nog kunnen gekeerd hebben. Enkelen hebben het gevaar gezien en er op gewezen. Heel eenvoudige dominees, maar ook wijsgeren.
De massa heeft het niet gezien.
De eerste wereldoorlog heeft de voosheid duidelijk aan het licht gebracht en in verschillende landen de revolutie op het schild verheven.
En hoe is Europa uit de tweede wereldoorlog, dank zij nog weer de hulp der Amerikanen, te voorschijn gekomen ? Verminkt, verdeeld, verzwakt en uitgeput en met machteloosheid geslagen, terwijl de wereld de verwarring niet vermag meester te worden, waaraan zij is overgegeven, en de voortdurende dreiging van een nieuwe wereldoorlog, die zijn gruwelen over de geteisterde volkeren zal uitbreiden, haar met angst vervult.
Zo blijft er van de idealen van de negentiende-eeuwse mens niet veel meer over dan een droom na het ontwaken, een in-elkander-gevallen kaartenhuis.
En nu de jonge mensen ?
Onze jeugd, voor een groot deel opgevoed door de moderne geest, vrijgemaakt van de traditie, van de ouderwetse gebondenheid, overgestapt in het klimaat van de nieuw-modische vrijheid.
Zo onmiddellijk na de bevrijding wisten onze jonge mensen het wel. De ouden hadden gefaald. De jonge generatie zou het beter doen.
Volmondig toegegeven, dat de ouden hadden gefaald — hoewel wij dat toch nog anders bedoelen dan onze jeugd na de bevrijding. Zij hebben de oude en beproefde paden verlaten, of met het profetische woord : Zij hadden zich bakken uitgehouwen, die geen water houden.
Thans hebben de jongeren wel begrepen, dat zij niet bij machte zijn beter waterhoudende bakken uit te houwen. Velen willen ook nog wel horen naar het oordeel der ouderen. Anderen worden heen en weer geslingerd. Zij hebben geen houvast en zoeken waar zij het ontdekken mogen. Weer anderen, wat oppervlakkiger van aard, denken liever maar niet en hebben een afkeer van inspanning.
Maar als het nu gaat over de vraag, of na-oorlogse mensen anders zijn, wat dan ?
In de grond der zaak zijn ze nog gelijk aan de voor-oorlogse mens. Zij zijn kinderen van de negentiende-eeuwse geest. Alleen het optimisme van de verlichting, voor een tijd weer opgelaaid door de bevrijding na jaren van druk, heeft zijn glans verloren en in menig hart plaats gemaakt voor tegengestelde gevoelens.
Het mensenhart vraagt naar zekerheid en verheugt zich gaarne in een gevoel van veiligheid. Deze gevoelens vinden zo weinig rust in de jacht van de tijd en in het verontrust gemoed.
Het is daarom zeer verklaarbaar, dat niet alleen oudere mensen met bezorgdheid aan de toekomst denken, terwijl ingrijpende veranderingen in het leven der volkeren zich voltrekken, maar dat ook jonge harten daarmede bezig zijn.
Begrijpelijk is het ook, dat zij vragen, of de na-oorlogse mens niet anders is. Zij missen de ervaring der ouderen. Als zij spreken van een anders zijn, is dat de vrucht van een vergelijking, waarvan het ene lid wordt bepaald door een voorstelling van de voor-oorlogse mens en het andere lid door een voorstelling van zich zelf en de kring der jongeren, waarin zij verkeren.
De waarde van zulk een vergelijking is uit de aard der zaak subjectief. Dit neemt niet weg, dat er zonder twijfel op veranderingen kan gewezen worden, die een algemeen karakter dragen.
Wij spraken boven van een loslaten der traditionele geestelijke en zedelijke normen en van zijn ontbindende invloed op het cultuurleven. Dat ontbindingsproces is niet slechts verhaast onder de verwoestende werking van de oorlog, maar de na-oorlogse saamleving vertoont de dodelijke kentekenen van een geestelijke en zedelijke ontwrichting, welke verderfelijk moet worden geacht. Het zedelijk peil is diep weggezakt en de gevolgen daarvan openbaren zich in alle lagen der bevolking. Men behoeft geen puritein te zijn om in te zien, dat dit kwaad knaagt aan de draagkracht van de saamleving, de schutse van vrijheid en welvaart wegneemt en de volkskracht ondermijnt.
Dit verlies kan door geen techniek of organisatie worden aangevuld, maar zal alleen worden overwonnen door vernieuwing van het leven der religie, welke alleen de bron is van de herscheppende kracht, welke de huidige saamleving voor ondergang kan behoeden.
Daarop schijnt de vraag te wijzen, of het o, ude Evangelie voor onze jonge mensen dat zou kunnen geven.
Daarover een volgende keer.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's