De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De jonge mensen en het oude Evangelie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De jonge mensen en het oude Evangelie

10 minuten leestijd

Als we letten op de practijk van de z.g.n. jonge kerk, geeft dit aanleiding om daarin een antwoord te zien op de gestelde vraag. In zoverre althans, dat de gedachte daarin overheerst van een voor de jeugd passende verkondiging van het Evangelie. Toch is het moeilijk om daarin alleen een kwestie van tact en methode te zien. Men krijgt toch de indruk, dat het Evangelie onder deze wijze van bediening aan zuiverheid en kracht moet inboeten.

Een aanloop op dit verschijnsel hebben wij reeds gedurende jaren kunnen opmerken in de z.g. jeugddiensten.

Enerzijds getuigen deze dingen er van, dat de kerk aanleiding heeft gevonden om meerdere aandacht aan de jeugd te schenken. Op zichzelf een zaak, die toejuiching verdient. Wij kunnen niet beoordelen, of het een algemeen verschijnsel is, doch sommige locale statistieken tonen aan, dat de jonge mensen achterblijven en dat de vermindering van het aantal lidmaten daaraan o.m. moet geweten worden.

Wij zien niet voorbij, dat de arbeid van de verschillende jeugdbonden in verschillende kerken gedurende een halve eeuw reeds gepoogd heeft de jonge mensen te vergaderen, te onderrichten en voor het kerkelijk leven te behouden. Het staat vast, dat dit werk niet vergeefs is geweest en goede vruchten heeft voortgebracht. Uit de aard der zaak betreft dit de jeugd, die van huis uit kerkelijk werd opgevoed.

Dit neemt niet weg, dat brede kringen der jeugd hierdoor niet werden getrokken en dat ook de jonge mensen van het kerkelijk gezin voor een deel geen lust en geen tijd gevonden hebben zich daarbij te voegen. Gelukkig betekent dit niet altijd, dat dezulken hun plaats in het kerkelijk leven niet hebben gevonden. Doch over de ganse linie gezien, moet worden erkend, dat met name in de twee jongste generaties de afval van het kerkelijk leven in hoge mate is toegenomen.

Een en ander kan verklaren, dat men in kerkelijke kringen bedacht werd op middelen om de jonge mensen aan te trekken, o.a. door het instellen van jeugddiensten of jeugdsamenkomsten.

Wij gaan er thans niet op in, dat uit principieel oogpunt wel een en ander tegen jeugddiensten kan worden opgemerkt. De jeugd behoort bij de gemeente en de jonge mensen mogen in de samenkomst der gemeente niet ontbreken. Een samenkomst van jonge mensen alleen, is geen samenkomst der gemeente en een samenkomst der gemeente zonder de jonge mensen is als een school zonder bevolkte aanvangsklassen.

Daarom verdient het geen aanbeveling, diensten te houden voor enkel jonge lidmaten of de jeugdsamenkomsten over de jonge lidmaten uit te strekken.

Dit bezwaar is dus volledig van kracht tegen de z.g. „jonge kerk". Het recht op de naam kerk valt zelfs te betwisten. Trouwens een gemeenschap van jonge mensen, die zich als kerk wil formeren of laten gelden, loopt sterk gevaar de gemeenschap met de Kerk te negeren of te verliezen.

Dit is reeds het geval, indien de gedachte postvat, dat de jonge mensen een andere Evangelieprediking nodig hebben dan.......... ja, dan wat ? Dan de oudere mensen ?

Zo ja, dan hebben zij over enige jaren ook de prediking der ouderen nodig. Dan is het beter en verdient het ook aanbeveling, om de jonge mensen maar vast voor te bereiden voor de prediking, welke zij nodig hebben, als de last en de verantwoordelijkheid van de ouderen op hun schouders rust.

Of soms anders dan de „gewone" gemeenteprediking ?

Als men dat bedoelt, is het heel moeilijk te bepalen, wat men „gewone" gemeenteprediking noemt, althans in de Hervormde Kerk met zijn richtingen en verschillende opvattingen aangaande belangrijke stukken des geloofs.

Dan blijft alleén over, dat men voor de jonge mensen een apart soort prediking nodig vindt en dan gaat het om dat aparte op gevaar af, dat men tracht te geven niet zozeer wat de jeugd behoeft, maar wat zij begeert.

In dat geval moet men vrezen, dat de jeugd de prediking bepaalt en niet het Evangelie, zodat zij een evangelie naar de smaak der jeugd geeft.

„Anders dan", moet dan worden aangevuld door anders dan het evangelie der Schriften. Indien 't zo is, zal noch de kerk, noch de jeugd, die zo, wordt onderwezen, nuttigheid ondervinden van deze arbeid, tenzij zij beter wordt geleid.

Op die weg immers zou zij ten prooi vallen van een sectarisme, dat ten slotte maar weinig verschilt van een gezelschap, dat slechts gediend wil zijn van een prediking naar eigen smaak, al noemt het zich bij uitstek gereformeerd.

Het Evangelie is nu eenmaal niet naar de mens, maar vóor de mens.

Evenals onder z.g. „ultra-gereformeerde" sectariërs de maatstaf van gereformeerd-zijn, de gereformeerde belijdenis uit het oog wordt verloren, komt dit ook voor onder degenen, die deze belijdenis verouderd achten en zich toch gereformeerd noemen.

Sectariërs leven uit de eenzijdigheid.

De vraag, of het Evangelie voor de na-oorlogse mens, — dat is inzonderheid voor de jonge mensen — nog past, dan wel, of zij een ander evangelie nodig hebben, is dan ook niet gezocht, maar vindt aanleiding in sommige practijken en ook in de tegenstelling, welke sommigen verdedigen tussen de belijdenis van de 16e eeuw en wat onze tijd vraagt.

Alleen, die vraag wijst er op, dat de vrager niet zo zeker is van zijn zaak.

Het ligt ook voor de hand, dat iemand, die zich rekenschap wil geven van deze dingen, het gevoelen niet kan onderdrukken, dat de eeuwige dingen niet aan de verandering der tijden onderworpen kunnen zijn.

Ook de jonge mensen gevoelen er iets van, dat de mensen van heden over de zaken des geloofs wel anders kunnen denken dan een vroeger geslacht, maar als zij naast elkander plaatsen, wat de reformatoren en wat de leidslieden van thans daarover belijden of beweren, hebben zij om te beginnen een vergelijking van menselijke uitspraken over goddelijke dingen.

Die menselijke uitspraken en menselijke opvattingen omtrent deze dingen en het getuigenis der Heilige Schrift, waarop een beroep wordt gedaan, hebben op zichzelf geen meerder gezag dan het menselijke.

Er kunnen aanleidingen zijn van verschillende aard, waardoor men meer gezag toekent aan het een boven het ander, maar dit gaat toch altoos terug op menselijke oordelen en menselijke overwegingen, waaraan men dat meerder gezag meent te mogen toeschrijven. Zo kan het zijn, dat men bewust of onbewust door louter menselijke overwegingen en gedachten, wordt geleid in zijn oordeel over het Evangelie en zelfs tegen het Evangelie kiest.

De Heilige Schrift wijst op dat gevaar. Men zal zeggen: Hier is de Christus en daar is de Christus, maar gelooft ze niet! Herhaaldelijk waarschuwt zij tegen misleiding en verleiding.

Met menselijke redeneringen komt men hier niet uit, want het gaat niet om menselijk gezag, maar alleen het goddelijk gezag is hier beslissend. Niet, hoe iemand de Heilige Schrift wil verstaan, maar hoe de Heilige Schrift wil verstaan worden.

De Kerk immers heeft in de Heilige Schrift de Waarheid Gods en alleen het geloof kan dit met de Kerk belijden en daarin rust vinden. Dat geloof leert onderscheiden wat naar de Schriften is en wat daartegen strijdt. Zo is het ook het geloof, dat de Heilige Schrift als enige regel des geloofs aanvaardt en menselijke redeneringen aan die regel toetst.

Zo ontdekt de Schriftgelovige dat hij hetzelfde geloof deelachtig is, wat in de belijdenis der vaderen aan het woord is. Dat is de gemeenschap met het geloof der vaderen en niet maar met de vaderen, maar ook met de Kerk der eeuwen.

De reformatoren hebben dat goed verstaan en beroepen zich niet op menselijk gezag, zelfs niet op het gezag der Kerk, op dat der concilies, noch op de oudheid of op de veelheid van mensen, maar alleen op het Woord Gods door het getuigenis van de Heilige Geest.

Nu is het voor de jonge mensen in onze dagen niet gemakkelijk. Zelfs als ze thuis geleerd hebben het gezag des Woords te eerbiedigen, zal het niet zelden gebeuren, dat zo'n jong mens ontdekt, dat de domine daarover anders denkt dan vader en moeder.

Als jonge mensen thuis in onwetendheid zijn gehouden en zelfs ternauwernood weten dat er een Bijbel in de wereld is, kan het gebeuren, dat het eerste contact met de Kerk wordt gelegd door mensen, die critisch staan tegenover de Schrift. Het is niet onmogelijk, dat zij in aanraking worden gebracht met „Fundamenten en Perspectieven" om te ontdekken, dat de kerk op dit punt „stichtelijk stilzwijgt en de jonge mensen in de mist laat staan.

Het moet een vreemde indruk maken op jonge mensen, als zij steeds twijfelachtig over het goddelijk gezag der Schrift horen spreken, deze als menselijk getuigenis horen voorstellen, terwijl zij aan de andere kant opmerken, dat de domine's toch eigenlijk niets over goddelijke dingen weten te zeggen dan wat zij uit de Schrift hebben genomen. Gezwegen nog van de kleine geesten, die hun onderwijs ook nog misbruiken om het traditioneel geloof in een kwaad daglicht te stellen.

Het valt dan ook moeilijk in te zien, dat men de jonge mensen en de kerk daarmede een dienst bewijst. Scepsis is een slechte basis voor het zedelijke en geestelijke leven. Dat kan ook allerminst bevorderd worden door een leer, dat wij geen goddelijke waarheden in de Schrift hebben. Dit slaat vanzelf ook op de Wet terug, tot schade van de ware religie en van de burgerlijke gerechtigheid.

Dus dan toch het oude Evangelie voor de jeugd ?

Gij spreekt van oude Evangelie, maar het Evangelie der Schriften veroudert niet. Eeuwige dingen zijn immers niet onderworpen aan de verterende werking van de tijd. God denkt over de mens van de twintigste eeuw niet anders dan over zijn voorgeslacht. Als God zegt, dat Hij onder de mensen niet één vindt, die God zoekt, niet één, die goed is, dan is dit geen oordeel, dat afhangt van een goddelijk onderzoek van een ogenblikkelijke situatie.

Neen, dat oordeel is absoluut en onveranderlijk voor alle tijden, waarin wij ook ons oordeel zullen vinden.

Als God de Zijnen genade wil bewijzen in de Zoon, dan is het niet aan onze opvatting overgelaten, of wij daarin zullen delen of niet, maar het is aan God en aan Hem alleen, wie Hij heeft verkoren, en aan Hem om ze uit het mensdom te vergaderen.

Zo konden wij alle stukken nagaan, maar het is niet nodig om aan te tonen, dat het geloof in de God der Schriften wezenlijk en centraal geen veranderlijke grootheid is. Immers het geloof wijst op een levende relatie met de God der Schriften, waarin Hij aan die mens ontdekt, hoe Hij zich jegens hem openbaart, om uit Zijn genade te leven ip de vaste hoop ener eeuwige toekomst.

Ook jonge mensen gevoelen wel, dat de Waarheid Gods niet verandert met de tijden en dat het geloof, dat die Waarheid omhelst, door de tijdgeest niet wordt veranderd.

Maar — hoor ik zeggen — de aardse omstandigheden kunnen toch wel andere vraagstukken en aspecten op de voorgrond brengen ?

Dat kan heus zo zijn en daarover willen wij het ook hebben, maar dan ligt het veranderlijke bij ons en niet in de Waarheid Gods en dan is het onze taak het antwoord op onze vragen te zoeken bij het licht van Gods Woord, om daarbij te volharden.

Dan komt weer de vraag, of de prediking daarmede niet heeft te rekenen. Dat echter is weer een andere zaak, waarover wij ook willen handelen. Doch de vraag, of de jonge mensen niet uit een nieuw evangelie moeten worden bediend, kan slechts afwijzend worden beantwoord.

Over alle tijden blijft het Woord van kracht: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (Joh. 3 vs. 16).

Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3 vs. 36).

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De jonge mensen en het oude Evangelie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's