De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De geschiedenis der school tot de 18e eeuw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De geschiedenis der school tot de 18e eeuw

7 minuten leestijd

In het ontwerp kerkorde wordt ook gesproken over de scholen, en wel in ordinantie 5. Deze bepalingen hebben enerzijds verzet uitgelokt, anderzijds zijn ze nog niet lang geleden vurig verdedigd.

Dit onderwerp kan van verschillende zijden worden aangevat. Men kan het theologisch dogmatisch behandelen, men kan het ook van de historische zijde aanvatten, zonder de dogmatische zijde geheel te verwaarlozen. Deze historische aanpak biedt bovendien het voordeel, dat zij ons de lessen der historie geeft, indien we althans bereid zijn ons ook nog door de historie te laten onderwijzen. Daarom wil ik thans beginnen me bezig te houden met de geschiedenis der school, waarbij ik dan in hoofdzaak op het oog) heb, wat we thans de lagere school noemen.

De eerste school in ons land werd gesticht door de Romeinen voor de jeugd der Batavieren in 16 n. C. te Roomburg, in de nabijheid van Leiden. Hoogstwaarschijnlijk behoorde deze school tot de Keizerscholen, die door het gehele rijk verspreid waren en die vooral ten behoeve van de kinderen der ambtenaren waren opgericht. De schaduwzijde van het toenmalig onderwijs bestond daarin, dat alleen de bevoorrechte standen er van konden genieten. De massa van het volk was er van verstoken en bleef dus ruw en onwetend. Met de invoering van het Christendom in ons vaderland werd ook allengs het onderwijs op Christelijke leest geschoeid. Wel maakten de eerste christenen gebruik van de Keizerscholen, maar de kerk vond het onderwijs van heidenen gevaarlijk voor haar leden en nu zocht de kerk in de bestaande behoefte te voorzien door de stichting van klooster-, dom- en stiftscholen.

Vooral Bonifacius deed veel voor het onderwijs. In onderscheiden bisdommen en abdijen richtte hij christenscholen op en trachtte hij daardoor de kennis van het evangelie te verspreiden en te bevestigen. Over het algemeen trok de Benictijnerorde, waartoe Bonifacius, zowel als Willebrord behoorden, zich de zaak van het onderwijs aan. Zij wist haar kloosterscholen de uitnemendste naam te verschaffen. Na deze periode schijnt het schoolwezen sterk te zijn achteruit gegaan, want Karel de Grote bracht krachtige hervormingen aan. In 789 verordende hij, dat bij alle kerken en kloosters scholen moesten gevoegd worden, opdat niet alleen stedelingen, maar ook de bewoners der dorpen onderwijs konden ontvangen. Hierdoor verkreeg men parochiescholen, die in iedere kerkbuurt of kerkwijk aanwezig waren. In 813 stelde Karel schoolplicht bij de wet vast. De ouders werden met kerkelijke straffen bedreigd, zo zij hun kinderen zonder noodzaak thuis hielden. Behalve de wereldlijke wetenschappen, wilde de vorst dat ook geestelijke kundigheden onderwezen werden, zoals de 12 artikelen des geloofs, de tien geboden en het gebed des Heeren, die dan ook door de leerlingen moesten van buiten geleerd worden. Na Karel's dood, vooral ook door de invallen en strooptochten der Noormannen, raakte het schoolwezen geheel in verval. Toch kwamen in later tijd vele scholen weer tot bloei en wisten zich tot in verre omtrek bekendheid te verschaffen.

De Kerkhervorming bleef niet zonder invloed op het schoolwezen. Reeds op de Synode van Wezel in 1568 had de kerk de school aan zich getrokken. De meeste synodale vergaderingen, daarna gehouden, hielden zich tevens bezig de belangen van het onderwijs te bespreken. Reeds op de Dordtse Synode van 1574 werden de nodige besluiten in deze genomen, maar op de Dordtse Synode van 1618 hield men zich weer met het onderwijs bezig. Drie zittingen werden aan dit onderwerp besteed. In de veertiende zitting, op 27 November 1618, werd de zaak van het behandelen van de Catechismus voor de gemeente aanhangig gemaakt en de leden der Synode werden verzocht hun oordeel kenbaar te maken. In de Acta van de vijftiende zitting vinden we de rapporten van de theologen van Engeland, van Hessen, van Zwitserland, van Geneve, van Bremen en van Emden. In de zeventiende zitting komt de Synode dan tot haar besluit. Ook dit is nog te lang om in haar geheel over te nemen. Voor ons doel kan het volgende voldoende zijn:

Scholen, waarin de jonge jeugd in de Godzaligheid en de fundamenten der christelijke leer behoorlijk onderwezen worden, zal men niet alleen in de steden, maar ook in alle dorpen oprichten, zo ergens voor dezen geen is opgericht geweest; dan zullen de christelijke overheden verzocht worden, dat zij de schoolmeesters overal met een behoorlijk tractement voorzien, opdat mannen, bekwaam tot deze bediening, gebruikt kunnen worden en zij des te vlijtiger zijn in hun bediening. Maar inzonderheid dat de kinderen der armen gratis onderwezen mogen worden en van de weldaad der scholen niet uitgesloten woredn. Tot deze bediening der scholen zal niemand dan die een lidmaat is der Gereformeerde Kerk en versierd met getuigenissen van een oprecht geloof en vroom leven, en in de Catcchetische leer wèl geoefend, gebruikt worden en die met ondertekening zijner hand de confessie (belijdenis) en de Nederlandse Catechismus toestaat (d.w.z. instemt met) en heiliglijk belooft dat hij naar deze wijze van catechiseren de jeugd, hem toevertrouwd, in de fundamenten der christelijke religie naarstig zal onderwijzen.

De schoolmeesters moeten de kinderen niet alleen van buiten laten leren, maar ook zorgen, dat ze begrijpen wat ze leren. Er is een concentrische leergang. Voor de jongste kinderen: een boekje, inhoudende de artikelen des geloofs, de tien geboden, het gebed des Heeren, de instelling der sacramenten en de kerkelijke discipline, met enige korte gebeden en eenvoudige vragen, passende op de drie delen der Catechismus. Daarbij zullen gevoegd worden enige spreuken der Heilige Schrift, tot godzaligheid opwekkende.

De tweede kring is het kort begrip, een uittreksel uit de Catechismus, de derde is de Catechismus zelf.

En de Dordtse Kerkorde bepaalt nog in artikel 54: Insgelijks zullen ook de schoolmeesters gehouden zijn de Artikelen als boven (d.w.z. der Nederlandse Geloofsbelijdenis), of in de plaats van die de Christelijke Catechismus te ondertekenen.

Als men dit tegenwoordig voorstaat, wordt er gezegd, dat men de belijdenis als een reglement hanteert. Dezulken kunnen hier zien, als ze niet willens blind zijn, dat onze vaderen de formulieren; ook als een reglement hanteerden. Alléén de libertijnen en remonstranten hadden in die dagen ernstige bezwaren tegen dit als een reglement hanteren der formulieren! Dezulken kunnen dan nog wel te goeder trouw menen te blijven instemmen met de religie der belijdenis, de historie leert, dat ze in gezelschap zijn gekomen van hen, die niet instemden met de religie der belijdenis en voorts mogen ze bedenken, dat vorm en inhoud niet te scheiden zijn.

Doch laat ons tot de school terugkeren. We zien, dat het onderwijs in de beginselen der Schrift, steeds een belangrijke reden is geweest tot het stichten van scholen. Dit was steeds weer het argument, dat men de kinderen wilde onderwijzen de artikelen des geloofs, de tien geboden, enz. Men had geen al of niet „Kuyperiaanse" fundamenten nodig om de noodzakelijkheid hiervan in te zien. Het was eenvoudig een vanzelfsprekende noodzakelijkheid. Evenzeer als de zendelingen op het zendingsveld de landstaal beoefenen, de Bijbel daarin vertalen, scholen stichten om de jeugd deze Bijbel te leren lezen en zo het evangelie te verbreiden. De kerk heeft vanaf de hervorming haar taak in deren zeer wel verstaan, al moeten we daar onmiddellijk bijvoegen, dat de uitvoering en de practijk wel eens heel wat te wensen hebben overgelaten. Dit laatste neemt echter de noodzakelijkheid van het onderwijs niet weg.

De invloed van de kerk op de scholen bleef behouden tot aan de Franse Revolutie, welke ook op dit terrein zijn invloed deed gelden.

We merkten reeds op, dat de Dordtse Synode speciaal wees op de noodzakelijkheid, dat ook de kinderen der armen de scholen zouden kunnen bezoeken. In de loop der eeuwen ontstonden dan ook verschillende armen-, weeshuis- en diaconiescholen. Deze scholen hebben in later eeuw een belangrijke rol kunnen spelen als schuilplaatsen voor het christelijk onderwijs. Wel wilden de Staten van Utrecht reeds in 1796 het leerstellig godsdienstig onderwijs zelfs van de Gereformeerde diaconiescholen weren, maar 't mocht hun echter niet gelukken en zelfs onder de wet van 1806 werd het stilzwijgend toegelaten. Doch daarover een volgende maal.

(Capelle N. B.).
D. SCHOUTEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De geschiedenis der school tot de 18e eeuw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's